11.1.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 9/5
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 november 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrchní soud v Praze — Tsjechië) — Procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een geldelijke sanctie opgelegd aan Marián Baláž
(Zaak C-60/12) (1)
(Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2005/214/JBZ - Toepassing van beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties - „Met name in strafzaken bevoegde rechter” - „Unabhängige Verwaltungssenat” in Oostenrijks recht - Aard en omvang van toetsing door rechter van tenuitvoerleggingsstaat)
2014/C 9/07
Procestaal: Tsjechisch
Verwijzende rechter
Vrchní soud v Praze
Partij in het hoofdgeding
Marián Baláž
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Vrchní soud v Praze — Uitlegging van artikel 1, sub a-iii, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB L 76, blz. 16) — „Begrip een met name in strafzaken bevoegde rechter” — „Unabhängige Verwaltungssenat” in Oostenrijks recht — Begrip „de gelegenheid de zaak te doen behandelen” door een rechterlijke instantie in de zin van artikel 1, sub a, iii, van het kaderbesluit — Draagwijdte
Dictum
1)
Het begrip „met name in strafzaken bevoegde rechter”, zoals bedoeld in artikel 1, sub a-iii, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, is een autonoom Unierechtelijk begrip en moet aldus worden uitgelegd dat onder dit begrip elke rechterlijke instantie valt die een procedure toepast die aan de wezenlijke kenmerken van een strafrechtelijke procedure voldoet. De Unabhängige Verwaltungssenat in den Ländern (Oostenrijk) voldoet aan deze criteria en moet derhalve als een „met name in strafzaken bevoegde rechter” worden beschouwd.
2)
Artikel 1, sub a-iii, van kaderbesluit 2005/214, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moet aldus worden uitgelegd dat een justitiabele de gelegenheid heeft gehad om zijn zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter wanneer hij, alvorens beroep te kunnen instellen, een precontentieuze bestuurlijke procedure moet volgen. Een dergelijke rechter moet beschikken over volle rechtsmacht om de zaak te onderzoeken, zowel wat betreft de beoordeling in rechte als de beoordeling van de feitelijke omstandigheden.
(1) PB C 109 van 14.4.2012.
Full & Egal Universal Law Academy