29.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/4
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 6 februari 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden — Nederland) — Leidseplein Beheer BV, H. J. M. de Vries/Red Bull GmbH, Red Bull Nederland BV
(Zaak C-65/12) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Merken - Richtlijn 89/104/EEG - Rechten verbonden aan merk - Bekend merk - Bescherming verruimd tot waren of diensten die niet soortgelijk zijn - Gebruik zonder geldige reden door derde van teken dat gelijk is aan of overeenstemt met bekend merk - Begrip geldige reden)
2014/C 93/05
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Leidseplein Beheer BV, H. J. M. de Vries
Verwerende partijen: Red Bull GmbH, Red Bull Nederland BV
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 5, lid 2, van de eerste richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1) — Aan het merk verbonden rechten — Bekend merk — Bescherming uitgestrekt tot waren of diensten die niet soortgelijk zijn — Gebruik door een derde zonder geldige reden van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met het bekende merk, waardoor hij ongerechtvaardigd voordeel kan trekken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk of daaraan schade kan toebrengen — Begrip geldige reden
Dictum
Artikel 5, lid 2, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een bekend merk uit hoofde van een geldige reden in de zin van die bepaling verplicht kan worden te tolereren dat een derde een teken dat overeenstemt met dat merk gebruikt voor dezelfde waren als waarvoor dat merk is ingeschreven, indien vaststaat dat dat teken is gebruikt voordat het merk werd gedeponeerd en het gebruik ervan voor dezelfde waren te goeder trouw is. Om na te gaan of dat het geval is, dient de nationale rechter inzonderheid rekening te houden met:
—
de inburgering en de reputatie van het teken bij het relevante publiek;
—
de mate waarin de waren en diensten waarvoor het teken oorspronkelijk is gebruikt en de waren waarvoor het bekende merk is ingeschreven, gerelateerd zijn, en
—
de economische en commerciële relevantie van het gebruik voor die waren van het teken dat overeenstemt met dat merk.
(1) PB C 126 van 28.4.2012.
Full & Egal Universal Law Academy