23.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 344/21
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 oktober 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative — Luxemburg) — Adzo Domenyo Alokpa, Jarel Mondoulou, Eja Mondoulou/Ministre du Travail, de l’Emploi et de l’Immigration
(Zaak C-86/12) (1)
(Burgerschap van Unie - Artikelen 20 VWEU en 21 VWEU - Richtlijn 2004/38/EG - Verblijfsrecht van derdelander die rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn is van jonge kinderen die burgers van Unie zijn - Burgers van Unie geboren in andere lidstaat dan die waarvan zij nationaliteit hebben en die hun recht van vrij verkeer niet hebben uitgeoefend - Grondrechten)
2013/C 344/35
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour administrative
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Adzo Domenyo Alokpa, Jarel Mondoulou, Eja Mondoulou
Verwerende partij: Ministre du Travail, de l’Emploi et de l’Immigration
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour administrative — Uitlegging van artikel 20 VWEU en de artikelen 20, 21, 24, 33 en 34 van het Handvest van de grondrechten — Weigering van een lidstaat om verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander, rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die alléén zorgt voor haar minderjarige kinderen, burgers van de Unie met de nationaliteit van een lidstaat — Geen gemeenschappelijk gezinsleven met een andere rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn van deze kinderen, die in een andere lidstaat woont — Draagwijdte van de weigering van verblijf, toekenning van een verblijfstitel en een arbeidsvergunning — Gevolgen voor het effectieve genot van de rechten verbonden aan de status van burger van de Unie
Dictum
In een situatie als aan de orde in het hoofdgeding moeten de artikelen 20 VWEU en 21 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een lidstaat een verblijfsrecht op zijn grondgebied weigert aan een derdelander die haar jonge kinderen, burgers van de Unie, die sedert hun geboorte met haar in deze lidstaat wonen maar die niet de nationaliteit ervan hebben en evenmin hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, alléén ten laste heeft, voor zover deze burgers van de Unie niet voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG of voor zover door deze weigering aan deze burgers niet het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten wordt ontzegd. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
(1) PB C 138 van 12.5.2012.
Full & Egal Universal Law Academy