30.6.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 194/5
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 26 april 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Ireland — Ierland) — Health Service Executive/SC, AC
(Zaak C-92/12 PPU) (1)
(Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake ouderlijke verantwoordelijkheid - Verordening (EG) nr. 2201/2003 - Minderjarige die gewoonlijk in Ierland verblijft, waar kind meermaals is geplaatst - Agressief en voor zichzelf gevaarlijk gedrag van kind - Beslissing tot plaatsing van kind in gesloten instelling in Engeland - Materieel toepassingsgebied van verordening - Artikel 56 - Raadplegings- en instemmingsprocedure - Verplichting om beslissing tot plaatsing van kind in gesloten instelling te erkennen of uitvoerbaar te verklaren - Voorlopige maatregelen - Prejudiciële spoedprocedure)
2012/C 194/08
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Ireland
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Health Service Executive
Verwerende partij: SC, AC
in tegenwoordigheid van: Attorney General
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Ireland — Uitlegging van artikel 56 van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1) — Materieel toepassingsgebied — Beslissing van een Iers gerecht om een kind met gewone verblijfplaats te Ierland onder beschermend toezicht te plaatsen in een instelling voor therapeutische en opvoedkundige hulpverlening in het Verenigd Koninkrijk — Wijze van raadpleging en instemming om de daadwerkelijke bescherming van het kind te waarborgen — Verplichting dat de beslissing tot plaatsing van het kind onder beschermend toezicht vóór de plaatsing wordt erkend en/of uitvoerbaar verklaard?
Dictum
1)
Een beslissing van een gerecht van een lidstaat waarbij een kind in een gesloten instelling voor therapeutische en opvoedkundige hulpverlening in een andere lidstaat wordt geplaatst, waarbij het kind voor zijn eigen bescherming voor bepaalde tijd zijn vrijheid wordt ontnomen, valt onder het materiële toepassingsgebied van verordening (EG) nr.2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000.
2)
De in artikel 56, lid 2, van verordening nr. 2201/2003 bedoelde instemming moet vóór de beslissing tot plaatsing van een kind worden gegeven door een onder het publiekrecht vallende bevoegde autoriteit. Het volstaat niet dat de instelling waar het kind moet worden geplaatst, haar instemming verleent. In omstandigheden zoals die in het hoofdgeding, waarin het gerecht van een lidstaat dat de plaatsingsbeslissing heeft genomen onzeker is of in de aangezochte lidstaat geldig instemming is verleend omdat het niet mogelijk was met zekerheid te bepalen welke autoriteit de bevoegde autoriteit in laatstbedoelde lidstaat was, kan een onregelmatigheid worden rechtgezet om zich ervan te verzekeren dat het instemmingsvereiste van artikel 56 van verordening nr. 2201/2003 ten volle is nageleefd.
3)
Verordening nr. 2201/2003 moet aldus worden uitgelegd dat een beslissing van een gerecht van een lidstaat waarbij de gedwongen plaatsing van een kind in een gesloten instelling in een andere lidstaat wordt gelast, vóór haar tenuitvoerlegging in de aangezochte lidstaat daar uitvoerbaar moet worden verklaard. Om geen afbreuk te doen aan het nuttig effect van de verordening, moet de beslissing van het gerecht van de aangezochte lidstaat over het verzoek om uitvoerbaarverklaring met gepaste spoed worden genomen, zonder dat de tegen een dergelijke beslissing van het gerecht van de aangezochte lidstaat ingestelde rechtsmiddelen schorsende werking kunnen hebben.
4)
Wanneer de in artikel 56, lid 2, van verordening nr. 2201/2003 bedoelde instemming met plaatsing is gegeven voor bepaalde tijd, strekt zij zich niet uit tot beslissingen waarbij de duur van de plaatsing wordt verlengd. In dergelijke omstandigheden moet om een nieuwe instemming worden verzocht. Een in een lidstaat gegeven plaatsingsbeslissing die in een andere lidstaat uitvoerbaar is verklaard, kan in laatstbedoelde lidstaat slechts ten uitvoer worden gelegd voor de in de plaatsingsbeslissing aangegeven periode.
(1) PB C 133 van 05.05.2012.
Full & Egal Universal Law Academy