20.4.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 114/20
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 21 februari 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Finanzamt Köln-Nord/Wolfram Becker
(Zaak C-104/12) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Artikel 17, lid 2, sub a - Recht op aftrek van voorbelasting - Noodzaak van bestaan van rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen in eerder stadium verrichte handeling en in later stadium belaste handeling - Criterium voor bepaling van dat verband - Diensten van advocaat in kader van strafprocedure wegens corruptie die is ingesteld tegen persoon van zaakvoerder en hoofdvennoot van vennootschap met beperkte aansprakelijkheid)
2013/C 114/29
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Finanzamt Köln-Nord
Verwerende partij: Wolfram Becker
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van de artikelen 17, lid 2, sub a, en 22, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Ontstaan en omvang van het recht op aftrek — Noodzaak van bestaan van rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de economische activiteit van de belastingplichtige en een dienstverrichting — Diensten die een advocaat heeft verricht in het kader van een strafrechtelijke procedure die wegens corruptie tegen de zaakvoerder en meerderheidsaandeelhouder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is ingeleid
Dictum
Het bestaan van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen een gegeven handeling en de gehele activiteit van de belastingplichtige aan de hand waarvan moet worden bepaald of hij de goederen en diensten heeft gebruikt „voor zijn belaste handelingen”, in de zin van artikel 17, lid 2, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001, hangt af van de objectieve inhoud van het door de belastingplichtige verkregen goed of van de door hem ontvangen dienst.
In casu geven de diensten van een advocaat, waarmee wordt beoogd strafsancties af te weren voor de zaakvoerders van een belastingplichtige onderneming die natuurlijke personen zijn, deze onderneming niet het recht de voorbelasting over de verrichte diensten af te trekken.
(1) PB C 138 van 12.5.2012.
Full & Egal Universal Law Academy