23.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 344/26
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 september 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Pensionsversicherungsanstalt/Peter Brey
(Zaak C-140/12) (1)
(Vrij verkeer van personen - Burgerschap van Unie - Richtlijn 2004/38/EG - Verblijfsrecht van meer dan drie maanden - Artikel 7, lid 1, sub b - Persoon die niet langer status van werknemer heeft - Rechthebbende op ouderdomspensioen - Voorwaarde over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om niet ten laste te komen van „socialebijstandsstelsel” van gastlidstaat - Aanvraag van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkering - Compenserende toeslag ter aanvulling van ouderdomspensioen - Verordening (EG) nr. 883/2004 - Artikelen 3, lid 3, en 70 - Bevoegdheid van lidstaat van woonplaats - Voorwaarden voor toekenning - Recht om legaal op nationaal grondgebied te verblijven - Verenigbaarheid met Unierecht)
2013/C 344/43
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberster Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Pensionsversicherungsanstalt
Verwerende partij: Peter Brey
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberster Gerichtshof — Uitlegging van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77), zoals gerectificeerd — Recht van burger van de Unie die zijn beroepswerkzaamheid heeft beëindigd, om meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven — Situatie waarin die burger een ouderdomspensioen ontvangt dat lager is dan de miminumlevensstandaard van de gastlidstaat, en daarom heeft verzocht om de toekenning van een compenserende toeslag („Ausgleichszulage”), een bijzondere niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkering
Dictum
Het Unierecht, zoals dat met name volgt uit de artikelen 7, lid 1, sub b, 8, lid 4, en 24, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die — zelfs voor het tijdvak volgend op de eerste drie maanden van verblijf — in alle gevallen en automatisch uitsluit dat een uitkering, als de compenserende toeslag van § 292, lid 1, van het Allgemeine Sozialversicherungsgesetz (algemene wat betreffende de sociale zekerheid), zoals gewijzigd sinds 1 januari 2011 bij het Budgetbegleitgesetz 2011 (begeleidende wet op de begroting van 2011) wordt toegekend aan een economisch niet-actieve staatsburger van een andere lidstaat op grond dat hij, niettegenstaande het feit dat hem een verklaring van inschrijving is afgegeven, niet voldoet aan de voorwaarden voor een recht om meer dan drie maanden legaal op het grondgebied van eerstbedoelde staat te verblijven, aangezien een dergelijk verblijfsrecht afhankelijk is van de voorwaarde dat die staatsburger over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij die uitkering moet aanvragen.
(1) PB C 165 van 9.6.2012.
Full & Egal Universal Law Academy