7.9.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 260/14
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 18 juli 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing van het Hovrätt för Nedre Norrland — Zweden) — ÖFAB, Östergötlands Fastigheter AB/Frank Koot, Evergreen Investments BV
(Zaak C-147/12) (1)
(Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Bevoegde gerecht - Bijzondere bevoegdheden „ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst” en „ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad”)
2013/C 260/23
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Hovrätten för Nedre Norrland
Partijen in de procedure in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ÖFAB, Östergötlands Fastigheter AB
Verwerende partijen: Frank Koot, Evergreen Investments BV
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hovrätten för Nedre Norrland Sundsvall — Uitlegging van artikel 5, leden 1 en 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1). — Vraag of alle geschillen betreffende schadevergoeding al dan niet onder bijzondere bevoegdheden ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst of ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad vallen — Gerechtelijke procedure in lidstaat A tegen natuurlijke persoon die in lidstaat B woont en bestuurslid was van een in lidstaat A gevestigde besloten vennootschap, alsmede tegen een in lidstaat B gevestigde besloten vennootschap die een meerderheidsaandeel had in de in lidstaat A gevestigde vennootschap — Vordering strekkende tot vaststelling dat een bestuurslid van een besloten vennootschap aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap die het gevolg zijn van het verzuim van het bestuurslid om formele maatregelen te treffen in verband met het toezicht op de financiële situatie van de vennootschap — Vordering strekkende tot vaststelling dat de eigenaar van een besloten vennootschap aansprakelijk is voor een ander in geval van voortzetting van de werkzaamheid van de vennootschap ook al was er sprake van onderkapitalisatie en was de vennootschap wettelijk verplicht om in vereffening te gaan
Dictum
1)
Het begrip „verbintenissen uit onrechtmatige daad” in artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat het betrekking heeft op door een schuldeiser van een vennootschap ingediende vorderingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, die erop gericht zijn om, enerzijds, een bestuurslid en, anderzijds, een aandeelhouder van de vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van de vennootschap, op grond dat zij het mogelijk hebben gemaakt dat die vennootschap haar werkzaamheden voortzette ofschoon er sprake was van onderkapitalisatie en de vennootschap in vereffening diende te gaan.
2)
Het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat voor vorderingen die ertoe strekken, een bestuurslid en een aandeelhouder van een vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schulden van die vennootschap, die plaats zich bevindt in de plaats waarmee de door die vennootschap verrichte werkzaamheden en de financiële situatie met betrekking tot die werkzaamheden verband houden.
3)
De omstandigheid dat de betrokken vordering door de oorspronkelijke schuldeiser is overgedragen aan een andere schuldeiser is in omstandigheden als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, niet van invloed op de bepaling van het bevoegde gerecht op grond van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.
(1) PB C 151 van 26.05.2012
Full & Egal Universal Law Academy