29.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/4
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 13 februari 2014 — Europese Commissie/Republiek Bulgarije
(Zaak C-152/12) (1)
(Niet-nakoming - Vervoer - Richtlijn 2001/14/EG - Ontwikkeling van de spoorwegen in de Unie - Heffing van rechten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur - Artikelen 7, lid 3, en 8, lid 1 - Mogelijkheid om extra rechten te heffen - Rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeiende kosten)
2014/C 93/06
Procestaal: Bulgaars
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Vasileva en H. Støvlbæk, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Bulgarije (vertegenwoordigers: T. Ivanov, D. Drambozova en E. Petranova, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van de verwerende partij: Republiek Polen (vertegenwoordigers: B. Majczyna en M. Szpunar, gemachtigden)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van de artikelen 7, lid 3, en 8, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PB L 75, blz. 29) — Heffingsregeling voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur — Begrip „kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien” — Heffingen die hoger zijn dan de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien — Toepassingsvoorwaarden van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG
Dictum
1)
De Republiek Bulgarije heeft niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 7, lid 3, van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007, door toe te laten dat bij de berekening van de rechten die worden geheven voor alle minimumprestaties en voor de toegang via het spoor tot voorzieningen, kosten in aanmerking worden genomen, namelijk de bezoldiging van het personeel en de betaling van socialeverzekeringsbijdragen, die niet kunnen worden beschouwd als rechtstreeks voortvloeiend uit de exploitatie van de treindienst.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
De Europese Commissie, de Republiek Bulgarije en de Republiek Polen dragen hun eigen kosten.
(1) PB C 174 van 16.6.2012.
Full & Egal Universal Law Academy