29.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/6
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 januari 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg — Duitsland) — DMC Beteiligungsgesellschaft mbH/Finanzamt Hamburg-Mitte
(Zaak C-164/12) (1)
(Fiscale bepalingen - Vennootschapsbelasting - Overdracht van aandelen van personenvennootschap naar kapitaalvennootschap - Boekwaarde - Actuele waarde - Overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting - Onmiddellijke belasting van latente meerwaarden - Verschil in behandeling - Beperking van vrij verkeer van kapitaal - Behoud van verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten - Evenredigheid)
2014/C 93/08
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: DMC Beteiligungsgesellschaft mbH
Verwerende partij: Finanzamt Hamburg-Mitte
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht Hamburg — Uitlegging van artikel 43 EG (thans artikel 49 VWEU) — In een andere lidstaat gevestigde vennootschappen die medeondernemersaandelen in natura inbrengen in een binnenlandse kapitaalvennootschap in ruil voor deelbewijzen in deze vennootschap — Regeling volgens welke in een dergelijk geval het ingebrachte kapitaal aan de werkelijke waarde en niet aan boekwaarde in de balans van de kapitaalvennootschap moet worden opgevoerd en aldus wordt vooruitgelopen op de belastingheffing over niet gerealiseerde roerende waarden — Mogelijkheid om betrokken belasting in vijf jaarlijkse termijnen te betalen op voorwaarde dat zekerheid voor betaling is gesteld
Dictum
1)
Artikel 63 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de doelstelling die erin bestaat, de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren, een rechtvaardiging kan zijn voor een regeling van een lidstaat, volgens welke de activa die een gewone commanditaire vennootschap inbrengt in een kapitaalvennootschap met zetel op het grondgebied van die lidstaat, tegen de actuele waarde moeten worden gewaardeerd, waardoor de op dat grondgebied aangegroeide latente meerwaarden op deze activa belastbaar worden voordat zij zich daadwerkelijk realiseren, wanneer deze lidstaat zich daadwerkelijk in de onmogelijkheid bevindt zijn heffingsbevoegdheid voor deze meerwaarden uit te oefenen op het tijdstip waarop zij zich daadwerkelijk realiseren, hetgeen de nationale rechter moet uitmaken.
2)
Een regeling van een lidstaat die bepaalt dat de op zijn grondgebied aangegroeide meerwaarden onmiddellijk worden belast, gaat niet verder dan noodzakelijk is ter verwezenlijking van de doelstelling die erin bestaat, de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te vrijwaren, voor zover de verplichting om een bankgarantie te stellen ingeval de belastingplichtige kiest voor uitstel van betaling, afhangt van het werkelijke risico van niet-invordering van de belasting.
(1) PB C 217 van 21.7.2012.
Full & Egal Universal Law Academy