14.12.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 367/9
Arrest van het Hof (Tiende kamer) van 24 oktober 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht München — Duitsland) — Sandler AG/Hauptzollamt Regensburg
(Zaak C-175/12) (1)
(Douane-unie en gemeenschappelijk douanetarief - Preferentiële behandeling van invoer van producten van oorsprong uit staten in Afrika, Caribisch gebied en Stille Oceaan (ACS) - Artikelen 16 en 32 van Protocol nr. 1 bij bijlage V bij overeenkomst van Cotonou - Invoer van synthetische vezels uit Nigeria in Europese Unie - Onregelmatigheden in door bevoegde autoriteiten van land van uitvoer opgesteld certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 - Stempel die niet overeenstemt met aan Commissie toegezonden voorbeeld - Certificaten achteraf en ter vervanging - Communautair douanewetboek - Artikelen 220 en 236 - Mogelijkheid om achteraf preferentieel douanetarief toe te passen dat niet meer gold op ogenblik van verzoek om terugbetaling - Voorwaarden)
2013/C 367/15
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht München
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Sandler AG
Verwerende partij: Hauptzollamt Regensburg
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht München — Uitlegging van artikel 236, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), van artikel 889, lid 1, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 214/2007 van de Commissie van 28 februari 2007 (PB L 62, blz. 6), en van de artikelen 16 en 32 van Protocol nr. 1 bij bijlage V bij de partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 317, blz. 3) — Invoer van synthetische vezels vanuit Nigeria in de Europese Unie — Mogelijkheid om achteraf een preferentieel douanetarief toe te passen dat niet meer geldt op de datum waarop om terugbetaling wordt verzocht — Situatie waarin de goederen zijn ingevoerd op een datum waarop dat preferentieel tarief nog gold, maar de toepassing ervan werd geweigerd wegens een stempel op het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 die niet met het aan de Commissie toegezonden voorbeeld overeenstemde
Dictum
1)
Artikel 889, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 214/2007 van de Commissie van 28 februari 2007, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een verzoek om terugbetaling van rechten wanneer bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen een preferentieel tariefstelsel was gevraagd en toegekend en de autoriteiten van het land van invoer pas later, in het kader van een verificatie achteraf die is verricht na het aflopen van het preferentiële tariefstelsel en het opnieuw van kracht worden van het normaal verschuldigde recht, het verschil ten opzichte van het voor goederen uit derde landen geldende douanerecht hebben nagevorderd.
2)
De artikelen 16, lid 1, sub b, en 32 van Protocol nr. 1 bij bijlage V bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2003/159/EG van de Raad van 19 december 2002, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer tijdens een controle achteraf blijkt dat op het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 een stempel is aangebracht die niet overeenstemt met het door de autoriteiten van het land van uitvoer verstrekte voorbeeld, de douaneautoriteiten van het land van invoer, in plaats van de in artikel 32 van dat protocol neergelegde procedure te starten, dat certificaat mogen weigeren en teruggeven aan de importeur, opdat hij zich op grond van artikel 16, lid 1, sub b, van dat protocol een certificaat achteraf kan doen afgeven.
3)
De artikelen 16, leden 4 en 5, en 32 van voornoemd Protocol nr. 1 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de autoriteiten van het land van invoer als certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat achteraf is afgegeven in de zin van artikel 16, lid 1, van dat protocol een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 weigeren dat, ofschoon het in overeenstemming is met de vereisten van de bepalingen van dat protocol betreffende alle andere onderdelen, in het vak „Opmerkingen” niet de in lid 4 van die bepaling neergelegde vermelding bevat, maar een vermelding die uiteindelijk zo moet worden begrepen dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is afgegeven op grond van artikel 16, lid 1, van dat protocol. Indien die autoriteiten twijfelen aan de echtheid van dat document of de oorsprong van de betrokken goederen, moeten zij de controleprocedure van artikel 32 van dat protocol starten.
(1) PB C 194 van 30.6.2012.
Full & Egal Universal Law Academy