3.8.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 225/34
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 20 juni 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Plovdiv — Bulgarije) — Teritorialna direktsia na NAP — Plovdiv/RODOPI-M 91 OOD
(Zaak C-259/12) (1)
(Fiscale bepalingen - Btw - Richtlijn 2006/112/EG - Beginsel van fiscale neutraliteit en evenredigheidsbeginsel - Te late boeking en aangifte van annulering van factuur - Herstel van verzuim - Betaling van belasting - Staatsbegroting - Geen schade - Administratieve sanctie)
2013/C 225/58
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Plovdiv
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Teritorialna direktsia na NAP — Plovdiv
Verwerende partij: RODOPI-M 91 OOD
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Plovdiv — Uitlegging van de artikelen 242 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Administratieve sanctie wegens te late aangifte van annulering van een factuur hoewel de annulering later is geboekt en de betrokkene de belasting heeft betaald die voortvloeit uit de geannuleerde factuur die niet in het crediteurenboek en de belastingaangifte over het belastingtijdvak is ingeschreven — Geldboete gelijk aan het totaalbedrag van de niet tijdig betaalde belasting — Beginsel van fiscale neutraliteit
Dictum
Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich niet ertegen dat de belastingdienst van een lidstaat een belastingplichtige die niet binnen de door de nationale wetgeving gestelde termijn zijn plicht is nagekomen om gegevens te boeken en aan te geven die de berekening van de door hem verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde beïnvloeden, een geldboete ten belope van deze niet binnen deze termijn betaalde belasting oplegt, wanneer deze belastingplichtige het verzuim vervolgens heeft hersteld en de verschuldigde belasting met rente volledig heeft voldaan. Het staat aan de nationale rechter om in het licht van de artikelen 242 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, te beoordelen of het bedrag van de opgelegde geldboete, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, met name de termijn waarin de onregelmatigheid is rechtgezet, de ernst van deze onregelmatigheid en eventueel aan de belastingplichtige toerekenbare fraude of omzeiling van de toepasselijke wetgeving, niet verder gaat dan nodig is tot waarborging van de juiste inning van de belasting en voorkoming van fraude.
(1) PB C 243 van 11.8.2012.
Full & Egal Universal Law Academy