3.8.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 225/36
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 27 juni 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Højesteret — Denemarken) — Malaysia Dairy Industries Pte. Ltd/Ankenævnet for Patenter og Varemærker
(Zaak C-320/12) (1)
(Harmonisatie van wetgevingen - Richtlijn 2008/95/EG - Artikel 4, lid 4, sub g - Merken - Voorwaarden voor verkrijging en behoud van merk - Weigering van inschrijving of nietigheid - Begrip „kwade trouw” van aanvrager - Kennis door aanvrager van bestaan van buitenlands merk)
2013/C 225/62
Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Højesteret
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Malaysia Dairy Industries Pte. Ltd
Verwerende partij: Ankenævnet for Patenter og Varemærker
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Højesteret — Uitlegging van artikel 4, lid 4, sub g, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 299, blz. 25) — Weigering van inschrijving of nietigheid van een merk — Begrip kwade trouw — Aanvrager die een buitenlands merk op het tijdstip van de merkaanvraag kent of moet kennen — Nietigverklaring van de merkinschrijving van een plastic melkfles op grond dat de aanvrager op het tijdstip van de indiening van zijn merkaanvraag het in het buitenland door een concurrerende onderneming gebruikte oudere overeenstemmende merk kende
Dictum
1)
Artikel 4, lid 4, sub g, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „kwade trouw” in de zin van deze bepaling een autonoom begrip van Unierecht is dat eenvormig moet worden uitgelegd in de Europese Unie.
2)
Artikel 4, lid 4, sub g, van richtlijn 2008/95 moet aldus worden uitgelegd dat om de kwade trouw van de aanvrager van een merk in de zin van deze bepaling vast te stellen, rekening moet worden gehouden met alle relevante factoren van het concrete geval die bestaan op het tijdstip van indiening van de merkaanvraag. De omstandigheid dat de aanvrager weet of behoort te weten dat een derde in het buitenland op het tijdstip van indiening van zijn aanvraag een merk gebruikt dat kan worden verward met het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, volstaat op zich niet om vast te stellen dat de aanvrager te kwader trouw is in de zin van deze bepaling.
3)
Artikel 4, lid 4, sub g, van richtlijn 2008/95 moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet de ruimte laat om een bijzondere beschermingsregeling voor buitenlandse merken in te voeren die afwijkt van de regeling waarin deze bepaling voorziet, en berust op het feit dat de merkaanvrager een buitenlands merk kende of behoorde te kennen.
(1) PB C 258 van 25.08.2012
Full & Egal Universal Law Academy