14.4.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 112/5
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 27 februari 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský soud v Plzni — Tsjechië) — Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním o. s. (OSA)/Léčebné lázně Mariánské Lázně a.s.
(Zaak C-351/12) (1)
((Richtlijn 2001/29/EG - Auteursrecht en naburige rechten in informatiemaatschappij - Begrip „mededeling aan publiek” - Uitzending van werken in kamers van kuurinrichting - Rechtstreekse werking van bepalingen van richtlijn - Artikel 56 VWEU en artikel 102 VWEU - Richtlijn 2006/123/EG - Vrij verrichten van diensten - Mededinging - Exclusief recht om auteursrechten collectief te beheren))
2014/C 112/06
Procestaal: Tsjechisch
Verwijzende rechter
Krajský soud v Plzni
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním o. s. (OSA)
Verwerende partij: Léčebné lázně Mariánské Lázně a.s.
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Krajský soud v Plzni — Uitlegging van de artikelen 3 en 5 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10), van de artikelen 56, 101 en 102 VWEU, en van de artikelen 14 en 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376, blz. 36) — Beperkingen en restricties op het reproductierecht en het recht van mededeling — Uitzending van werken door middel van televisie- en radioapparatuur in de kamers van patiënten van een kuurinrichting — Rechtstreekse werking van de bepalingen van de richtlijn — Nationale wetgeving die de aanvrager een uitsluitend recht verleent auteursrechten op het nationale grondgebied collectief te beheren
Dictum
1)
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die het recht van auteurs uitsluit om de mededeling, door een kuurinrichting die handelt als commerciële onderneming, van hun werken middels het bewust verspreiden van een signaal via radio of-televisieontvangers in de kamers van de patiënten van die inrichting, toe te staan of te verbieden. Artikel 5, leden 2, sub e, 3, sub b, en 5, van deze richtlijn kan niet afdoen aan deze uitlegging.
2)
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 moet aldus worden uitgelegd dat een beheersorganisatie zich niet in een geding tussen particulieren op deze bepaling kan beroepen voor het buiten toepassing laten van een daarmee strijdige regeling van een lidstaat. De rechter aan wie een dergelijk geschil is voorgelegd, moet deze regeling evenwel zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en doelstelling van diezelfde bepaling, om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met het daarmee beoogde doel.
3)
Artikel 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt en de artikelen 56 VWEU en 102 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan de toepassing van een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, die het collectieve beheer van auteursrechten met betrekking tot bepaalde beschermde werken op het grondgebied van deze lidstaat voorbehoudt aan één collectieve beheersorganisatie en daardoor een gebruiker van beschermde werken, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kuurinrichting, verhindert gebruik te maken van diensten van een beheersorganisatie die is gevestigd in een andere lidstaat.
Artikel 102 VWEU dient evenwel in die zin te worden uitgelegd dat het feit dat eerstgenoemde organisatie voor collectief beheer van auteursrechten voor de door haar geleverde diensten tarieven oplegt die — bij een vergelijking van de tariefniveaus op homogene grondslag — aanzienlijk hoger zijn dan die welke worden gehanteerd in de andere lidstaten, dan wel prijzen hanteert die te hoog zijn en niet in een redelijke verhouding staan tot de economische waarde van de geleverde prestatie, een aanwijzing voor een misbruik van een machtspositie vormt.
(1) PB C 295 van 29.9.2012.
Full & Egal Universal Law Academy