23.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 344/35
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 3 oktober 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Sofiyski gradski sad — Bulgarije) — procedure ingeleid door Siegfried János Schneider
(Zaak C-386/12) (1)
(Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Werkingssfeer - Bevoegdheid van natuurlijke personen - Exclusieve bevoegdheid betreffende zakelijke rechten op onroerende goederen - Omvang - Procedure van oneigenlijke rechtspraak inzake recht van onder curatele gestelde persoon die in een lidstaat woont om te beschikken over zijn in andere lidstaat gelegen onroerende goederen)
2013/C 344/61
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Sofiyski gradski sad
Partijen in het hoofdgeding
Siegfried János Schneider
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Sofiyski gradski sad — Uitlegging van artikel 22, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) — Natuurlijke persoon die gedeeltelijk handelingsonbekwaam is verklaard overeenkomstig de wettelijke regeling van zijn lidstaat — Verzoek dat deze persoon, met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger, heeft ingediend in een andere lidstaat om een onroerend goed te mogen verkopen dat hij in deze staat heeft geërfd — Bevoegdheid van de rechterlijke instantie van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen — Toepasselijkheid van artikel 22, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 in procedures van oneigenlijke rechtspraak
Dictum
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, en met name artikel 22, punt 1, daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat zij geen toepassing vindt op een procedure van oneigenlijke rechtspraak die door een onderdaan van een lidstaat, die overeenkomstig het recht van die lidstaat ten gevolge van zijn ondercuratelestelling gedeeltelijk handelingsonbekwaam is verklaard, is ingeleid bij een rechterlijke instantie van een andere lidstaat teneinde toestemming te krijgen om zijn aandeel in een op het grondgebied van die andere lidstaat gelegen onroerend goed te verkopen, daar een dergelijke procedure betrekking heeft op „de bevoegdheid van natuurlijke personen” in de zin van artikel 1, lid 2, sub a, van deze verordening en dus van de materiële werkingssfeer van deze laatste is uitgesloten.
(1) PB C 311 van 13.10.2012.
Full & Egal Universal Law Academy