22.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 85/7
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 16 januari 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Kammarrätt i Stockholm — Migrationsöverdomstolen — Zweden) — Flora May Reyes/Migrationsverket
(Zaak C-423/12) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 2004/38/EG - Recht van vrij verkeer en verblijf op grondgebied van lidstaten voor burgers van Unie en hun familieleden - Verblijfsrecht in lidstaat van derdelander die rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn is van persoon met verblijfsrecht in die lidstaat - Begrip persoon „ten laste”)
2014/C 85/12
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Kammarrätten i Stockholm — Migrationsöverdomstolen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Flora May Reyes
Verwerende partij: Migrationsverket
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Kammarrätten i Stockholm — Migrationsöverdomstolen — Uitlegging van artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77) — Verblijfsrecht in een lidstaat van een derdelander die ouder is dan 21 jaar en de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn is van een persoon met een verblijfsrecht in die lidstaat — Begrip „ten laste” — Verplichting voor rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn om te bewijzen dat hij heeft geprobeerd werk te vinden, steun voor zijn levensonderhoud van de autoriteiten van zijn land van herkomst te krijgen en/of anderszins in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, maar zulks niet mogelijk was
Dictum
1)
Artikel 2, punt 2, sub c, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG moet in die zin worden uitgelegd dat het een lidstaat niet toestaat om in omstandigheden als die van het hoofdgeding te vereisen dat de rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn van 21 jaar of ouder, om als ten laste te kunnen worden beschouwd en aldus onder de definitie van „familielid” in die bepaling te vallen, aantoont tevergeefs te hebben getracht werk te vinden of steun voor zijn levensonderhoud van de autoriteiten van zijn land van herkomst te verkrijgen en/of anderszins te hebben getracht in zijn levensonderhoud te voorzien.
2)
Artikel 2, punt 2, sub c, van richtlijn 2004/38 moet in die zin worden uitgelegd dat het feit dat een familielid wegens persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd, beroepsopleiding en gezondheid wordt geacht goede vooruitzichten te hebben om werk te vinden en bovendien voornemens is om in het gastland te werken, niet van invloed is op de uitlegging van de in die bepaling genoemde voorwaarde dat hij „ten laste” is.
(1) PB C 355 van 17.11.2012.
Full & Egal Universal Law Academy