29.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/11
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 6 februari 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Curtea de Apel Oradea — Roemenië) — SC Fatorie SRL/Direcția Generală a Finanțelor Publice Bihor
(Zaak C-424/12) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Btw - Richtlijn 2006/112/EG - Verleggingsregeling - Recht op aftrek - Betaling van belasting aan dienstverrichter - Ontbreken van verplichte vermeldingen - Betaling van onverschuldigde btw - Verlies van recht op aftrek - Beginsel van fiscale neutraliteit - Rechtszekerheidsbeginsel)
2014/C 93/17
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Oradea
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SC Fatorie SRL
Verwerende partij: Direcția Generală a Finanțelor Publice Bihor
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Curtea de Apel Oradea — Uitlegging van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Verlies van recht op btw-aftrek op grond dat op de factuur niet is vermeld dat toepassing wordt gegeven aan de verleggingsregeling — Rechtszekerheidsbeginsel — Besluit waarbij de betaling wordt gelast van de ten onrechte afgetrokken btw alsook van de interesten en de boetes wegens vertraging na een onherroepelijk besluit waarbij het recht op aftrek is erkend — Beginsel van belastingneutraliteit — Betaling van de ten onrechte door een derde op een factuur vermelde btw — Geen optreden van de belastingautoriteiten om de factuur te corrigeren en geen mogelijkheid van herziening a posteriori
Dictum
1)
In het kader van een aan de verleggingsregeling onderworpen verrichting in omstandigheden als die van het hoofdgeding verzetten richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en het beginsel van fiscale neutraliteit zich er niet tegen dat de dienstontvanger het recht wordt ontzegd op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde die hij onverschuldigd aan de dienstverrichter heeft betaald op basis van een verkeerd opgestelde factuur, ook wanneer die fout wegens het faillissement van die dienstverrichter niet kan worden verholpen.
2)
Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich niet tegen een bestuurspraktijk van de nationale belastingautoriteiten die erin bestaat om binnen een vervaltermijn een besluit waarbij zij aan de belastingplichtige een recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde hebben toegekend, te herroepen door na een nieuwe controle die belasting en vertragingsrente van hem te vorderen.
(1) PB C 379 van 8.12.2012.
Full & Egal Universal Law Academy