8.2.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 39/7
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 21 november 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Verenigd Koninkrijk) — Dixons Retail plc/Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
(Zaak C-494/12) (1)
(Richtlijn 2006/112/EG - Belasting over toegevoegde waarde - Goederenlevering - Begrip - Frauduleus gebruik van betaalkaart)
2014/C 39/11
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
First-tier Tribunal (Tax Chamber)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Dixons Retail plc
Verwerende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Uitlegging van de artikelen 14, lid 1, en 73 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Begrip „levering van goederen” — Levering in het kader van een aankoop waarbij op ongeoorloofde en bedrieglijke wijze is gebruikgemaakt van een kredietkaart
Dictum
De artikelen 2, punt 1, 5, lid 1, en 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, en de artikelen 2, lid 1, sub a, 14, lid 1, en 73 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat de fysieke overdracht van een goed aan een koper die op bedrieglijke wijze gebruikmaakt van een betaalkaart om de verkoopprijs te betalen, in omstandigheden als die in het hoofdgeding een „levering van goederen” in de zin van de voornoemde artikelen 2, punt 1, 5, lid 1, 2, lid 1, sub a, en 14, lid 1, uitmaakt, en dat de betaling die een derde in het kader van een dergelijke overdracht op grond van een overeenkomst tussen hem en de leverancier van het goed heeft verricht, waarin deze derde zich ertoe heeft verbonden aan die leverancier de prijs te betalen van de goederen die deze laatste heeft verkocht aan kopers die de verkoopprijs met een dergelijke kaart hebben voldaan, een „tegenprestatie” in de zin van de voornoemde artikelen 11, A, lid 1, sub a, en 73 vormt.
(1) PB C 26 van 26.1.2013.
Full & Egal Universal Law Academy