24.11.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 421/5
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 17 september 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tartu Ringkonnakohus — Estland) — MTÜ Liivimaa Lihaveis/Eesti-Läti programmi 2007-2013 Seirekomitee
(Zaak C-562/12) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Structuurfondsen - Verordeningen (EG) nrs. 1083/2006 en 1080/2006 - Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) - Operationeel programma ter bevordering van de Europese territoriale samenwerking tussen de Republiek Estland en de Republiek Letland - Besluit van het Comité van toezicht tot weigering van subsidie - Bepaling krachtens welke besluiten van dit Comité niet vatbaar voor beroep zijn - Artikel 267 VWEU - Handeling van een Unie-instelling, -orgaan of -organisatie - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Uitvoering van het Unierecht - Artikel 47 - Recht op effectieve rechterlijke bescherming - Recht op toegang tot de rechter - Vaststelling van de lidstaat waarvan de rechters bevoegd zijn uitspraak te doen op een beroep])
2014/C 421/07
Procestaal: Ests
Verwijzende rechter
Tartu Ringkonnakohus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: MTÜ Liivimaa Lihaveis
Verwerende partij: Eesti-Läti programmi 2007-2013 Seirekomitee
in tegenwoordigheid van: Eesti Vabariigi Siseministeerium
Dictum
1)
Artikel 263 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het Gerecht van de Europese Unie onbevoegd is om uitspraak te doen op een beroep tegen een besluit van een Comité van toezicht tot afwijzing van een subsidieaanvraag in het kader van een operationeel programma ter bevordering van de Europese territoriale samenwerking in de zin van de verordeningen (EG) nrs. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999, en 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1783/1999.
2)
Artikel 267, eerste alinea, sub b, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat een in het kader van een operationeel programma van de verordeningen nrs. 1083/2006 en 1080/2006 ter bevordering van de Europese territoriale samenwerking tussen twee lidstaten door een Comité van toezicht vastgestelde programmagids als in het hoofdgeding geen handeling van een Unie-instelling, -orgaan of -organisatie vormt en het Hof van Justitie van de Europese Unie dus onbevoegd is om de geldigheid van een dergelijke gids te toetsen.
3)
Verordening nr. 1083/2006 juncto artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een door een Comité van toezicht in het kader van een tussen twee lidstaten overeengekomen operationeel programma ter bevordering van de Europese territoriale samenwerking vastgestelde bepaling van een programmagids, voor zover deze bepaling niet voorschrijft dat een besluit van dit Comité van toezicht tot afwijzing van een subsidieaanvraag vatbaar is voor beroep bij een rechter van een lidstaat.
(1) PB C 38 van 9.2.2013.
Full & Egal Universal Law Academy