29.3.2014
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 93/15
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 6 februari 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf — Duitsland) — Helm Düngemittel GmbH/Hauptzollamt Krefeld
(Zaak C-613/12) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Douane-Unie en gemeenschappelijk douanetarief - Europees-mediterrane overeenkomst met Egypte - Artikel 20 van protocol nr. 4 - Bewijs van oorsprong - Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 - Vervangend certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, afgegeven terwijl goed niet meer onder toezicht van douaneautoriteit van afgifte staat - Weigering om preferentiële regeling toe te passen)
2014/C 93/23
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Helm Düngemittel GmbH
Verwerende partij: Hauptzollamt Krefeld
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht Düsseldorf — Uitlegging van artikel 20 van Protocol nr. 4 bij de Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds (PB 2004, L 304, blz. 39), zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/2006 van de Associatieraad EU-Egypte van 17 februari 2006 (PB L 73, blz. 1) — Certificaat ter vervanging van het certificaat inzake goederenverkeer, dat achteraf wordt uitgereikt, te weten wanneer de goederen niet meer onder toezicht staan van de douaneautoriteit die het certificaat heeft afgegeven
Dictum
1)
De Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Egypte, anderzijds, ondertekend op 25 juni 2001 te Luxemburg en goedgekeurd bij besluit 2004/635/EG van de Raad van 21 april 2004, moet in die zin worden uitgelegd dat de Egyptische oorsprong van goederen, als bedoeld in de bij die overeenkomst ingevoerde regeling inzake het preferentieel douanetarief, zelfs kan worden bewezen wanneer de partij goederen bij aankomst in een eerste lidstaat is gesplitst teneinde een gedeelte daarvan te verzenden naar een tweede lidstaat, en het vervangend certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat door de douaneautoriteiten van de eerste lidstaat is afgegeven voor het gedeelte van die goederen dat naar de tweede lidstaat is verzonden, niet voldoet aan de in artikel 20 van protocol nr. 4 bij deze overeenkomst, betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en administratieve samenwerking, zoals gewijzigd bij besluit nr. 1/2006 van de Associatieraad EU-Egypte van 17 februari 2006, neergelegde voorwaarden voor afgifte van een dergelijk certificaat.
2)
Het leveren van dit bewijs vereist evenwel (i) dat de preferentiële herkomst van de — oorspronkelijk vanuit Egypte ingevoerde — goederen wordt vastgesteld door middel van een door de Egyptische douaneautoriteiten overeenkomstig dit protocol afgegeven certificaat inzake goederenverkeer en (ii) dat de importeur bewijst dat de partij goederen die is gesplitst in deze eerste lidstaat en verzonden naar de tweede lidstaat, overeenkomt met een gedeelte van de vanuit Egypte in de eerste lidstaat ingevoerde partij goederen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of die voorwaarden in het hoofdgeding zijn vervuld.
(1) PB C 101 van 6.4.2003.
Full & Egal Universal Law Academy