CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. CRUZ VILLALÓN
van 20 juni 2013 ( 1 )
Zaak C‑72/12
Gemeinde Altrip,
Gebrüder Hört GbR,
Willi Schneider
tegen
Land Rheinland-Pfalz
[verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 85/337/EEG — Artikel 10 bis — Omvang van het recht van beroep tegen vergunningbesluiten voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben — Toepasselijkheid in de tijd — Omvang van de toetsing”
1.
Het onderhavige prejudiciële verzoek van het Bundesverwaltungsgericht biedt het Hof twee jaar na zijn arrest in de zaak Trianel ( 2 ) opnieuw de gelegenheid om zich in de context van het Duitse bestuurs- en bestuursprocesrecht uit te spreken over de uitlegging van artikel 10 bis van richtlijn 85/337/EEG (hierna: „MEB-richtlijn”) ( 3 ), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG ( 4 ).
2.
Terwijl de zaak Trianel betrekking had op de toegang van niet-gouvernementele organisaties tot de rechter van een lidstaat in het kader van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn, draait de onderhavige zaak om enerzijds de toepasselijkheid in de tijd van die bepaling en anderzijds de omvang van de hierin voorgeschreven toetsing.
3.
De vragen zijn gerezen in het kader van een beroep tegen een planologisch besluit van het Land Rheinland-Pfalz op het gebied van het waterbeheer. Volgens verzoekers is de milieueffectbeoordeling ter zake niet naar behoren uitgevoerd.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Volkenrecht
4.
Het VN/ECE-Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: „Verdrag van Aarhus”) is op 25 juni 1998 door de Europese Gemeenschap ondertekend, op 30 oktober 2001 van kracht geworden en namens de Europese Gemeenschap op 17 februari 2005 goedgekeurd. ( 5 ) De Bondsrepubliek Duitsland heeft dit verdrag op 25 juni 1998 ondertekend en op 15 januari 2007 geratificeerd.
5.
De regelingen van het Verdrag van Aarhus worden over het algemeen weergegeven als drie-zuilenmodel, waarbij één zuil de toegang tot milieu-informatie, de tweede de inspraak van het publiek bij de besluitvorming en de derde de toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden betreft. ( 6 )
6.
De zesde, de zevende, de achtste, de dertiende en de achttiende overweging van de preambule van het Verdrag van Aarhus luiden als volgt:
„Erkennend dat adequate bescherming van het milieu van wezenlijk belang is voor het welzijn van de mens en het genot van de fundamentele mensenrechten, waaronder het recht op leven zelf,
[...] erkennend dat eenieder het recht heeft te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn en de plicht heeft, zowel individueel als tezamen met anderen, het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties,
Overwegende dat, om dit recht te kunnen doen gelden en deze plicht te kunnen vervullen, burgers toegang tot informatie, recht op inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden moeten hebben, en in dit verband erkennend dat burgers bijstand nodig kunnen hebben om hun rechten uit te oefenen,
[...]
Voorts het belang erkennend van de onderscheiden rollen die individuele burgers, niet-gouvernementele organisaties en de particuliere sector kunnen spelen in het beschermen van het milieu,
[...]
Geleid door de wens het publiek, met inbegrip van organisaties, toegang te geven tot doelmatige mechanismen van rechtspraak, opdat zijn rechtmatige belangen worden beschermd en het recht wordt toegepast”.
7.
Het doel van het Verdrag van Aarhus wordt in artikel 1 ervan als volgt omschreven:
„Om bij te dragen aan de bescherming van het recht van elke persoon van de huidige en toekomstige generaties om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn, waarborgt elke partij de rechten op toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden in overeenstemming met de bepalingen van dit verdrag.”
8.
Artikel 2, punt 5, definieert „betrokken publiek” als „het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij, milieubesluitvorming”. Volgens artikel 2, punt 4, wordt onder „het publiek” ook verstaan „een of meer natuurlijke of rechtspersonen”.
9.
Artikel 3, lid 1, bepaalt:
„Elke partij neemt de noodzakelijke wet‑ en regelgevende en andere maatregelen, met inbegrip van maatregelen om verenigbaarheid te bewerkstelligen tussen de bepalingen ter uitvoering van de bepalingen in dit verdrag betreffende informatie, inspraak en toegang tot de rechter, alsmede passende handhavingsmaatregelen, voor het instellen en instandhouden van een duidelijk, transparant en samenhangend kader voor het uitvoeren van de bepalingen van dit verdrag.”
10.
Artikel 9, lid 2, bepaalt:
„Elke partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek,
a)
die een voldoende belang hebben, dan wel
b)
stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende lid 3, andere relevante bepalingen van dit verdrag.
Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt, wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. [...]
De bepalingen van dit lid 2 sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.”
B – Unierecht
11.
Met het oog op de aanpassing van het Unierecht aan het Verdrag van Aarhus heeft de Gemeenschap, alvorens tot ratificatie van dat verdrag over te gaan, richtlijn 2003/35 vastgesteld. ( 7 ) Hierbij werden de MEB-richtlijn en richtlijn 96/61/EG (hierna: „IPPC-richtlijn”) ( 8 ) gewijzigd „om ervoor te zorgen dat zij volledig stroken met de bepalingen van het Verdrag van Aarhus, met name [...] artikel 9, [lid] 2 [...]” ( 9 ).
12.
In punt 9 van de considerans van richtlijn 2003/35 is het volgende vastgesteld:
„Artikel 9, leden 2 en 4, van het Verdrag van Aarhus regelt de toegang tot gerechtelijke of andere procedures voor het bestrijden van de materiële en formele rechtmatigheid van de besluiten, het handelen of het nalaten vallende onder de inspraakbepalingen van artikel 6 van het verdrag.”
13.
Artikel 6, eerste alinea, eerste volzin, van richtlijn 2003/35 bepaalt:
„De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 25 juni 2005 aan deze richtlijn te voldoen.”
14.
Artikel 3 van richtlijn 2003/35 bevat meerdere wijzigingen in de MEB-richtlijn. Zo wordt onder meer aan artikel 1, lid 2, van de MEB-richtlijn de volgende definitie van het begrip „betrokken publiek” toegevoegd: „het publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures [...]”. Onder het begrip „publiek” wordt volgens een verdere wijziging thans ook, net als in het kader van het Verdrag van Aarhus, „één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen” verstaan.
15.
Bij richtlijn 2003/35 is bovendien het volgende nieuwe artikel 10 bis aan de MEB-richtlijn toegevoegd:
„De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die:
a)
een voldoende belang hebben, dan wel
b)
stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt,
in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten.
De lidstaten bepalen in welk stadium de besluiten, handelingen of nalatigheden kunnen worden aangevochten.
Wat een voldoende belang dan wel een inbreuk op een recht vormt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen. [...]
De bepalingen van dit artikel sluiten een toetsingsprocedure in eerste instantie bij een bestuursrechtelijke instantie niet uit en doen niet af aan de eis dat de bestuursrechtelijke toetsingsprocedures doorlopen moeten zijn alvorens beroep bij een rechterlijke instantie kan worden ingesteld, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht.
[...]”
16.
De MEB-richtlijn is per 17 februari 2012 ingetrokken en gecodificeerd en vervangen door richtlijn 2011/92/EU ( 10 ). Artikel 11 van de nieuwe richtlijn komt overeen met artikel 10 bis van de MEB-richtlijn. Op de feiten in casu is ratione temporis de MEB-richtlijn van toepassing.
C – Nationaal recht
17.
§ 61 van de Verwaltungsgerichtsordnung (wetboek van bestuursprocesrecht; hierna: „VwGO”) ( 11 ) bepaalt:
„Aan de procedure kunnen deelnemen:
1.
natuurlijke en rechtspersonen,
2.
verenigingen, voor zover zij houdster van rechten kunnen zijn
[...].”
18.
§ 46 van het Verwaltungsverfahrensgesetz (wet inzake de bestuursrechtelijke procedure; hierna „VwVfG”) ( 12 ), betreffende de gevolgen van procedure- en vormfouten, bepaalt:
„De intrekking van een bestuurshandeling die niet nietig is in de zin van § 44, kan niet worden gevorderd louter op grond van het feit dat bij de totstandkoming ervan bepalingen inzake de procedure, de vorm of de territoriale bevoegdheid zijn geschonden, indien duidelijk is dat die schending niet van invloed is geweest op de beslissing over de grond van de zaak.”
19.
Aangaande de omzetting van de bepalingen inzake rechtsmiddelen van richtlijn 2003/35 bepaalt § 1, lid 1, van het Gesetz über ergänzende Vorschriften zu Rechtsbehelfen in Umweltangelegenheiten nach der EG-Richtlinie 2003/35/EG (wet houdende aanvullende bepalingen inzake rechtsmiddelen bij milieuaangelegenheden krachtens richtlijn 2003/35/EG; hierna: „UmwRG”) ( 13 ) het volgende:
„Deze wet is van toepassing op rechtsmiddelen tegen
1.
beschikkingen in de zin van § 2, lid 3, van de wet inzake de milieueffectbeoordeling betreffende projecten waarvoor
a)
krachtens de wet inzake de milieueffectbeoordeling,
[...]
een verplichting tot het opstellen van een milieueffectbeoordeling kan bestaan”.
20.
§ 4 van het UmwRG bepaalt:
„(1) De nietigverklaring van een beschikking inzake de toelaatbaarheid van een project volgens § 1, lid 1, eerste volzin, punt 1, kan worden gevorderd indien een volgens de bepalingen van de wet inzake de milieueffectbeoordeling [...]
1.
noodzakelijke milieueffectbeoordeling of
2.
noodzakelijk vooronderzoek van het concrete geval ter zake van de verplichting om een milieueffectbeoordeling op te stellen, niet is uitgevoerd en evenmin alsnog is uitgevoerd.
[...]
(3) De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op rechtsmiddelen van proceduredeelnemers in de zin van § 61, punten 1 en 2, van de Verwaltungsgerichtsordnung.”
21.
De overgangsbepaling § 5, lid 1, van het UmwRG stelt het volgende vast: „Deze wet is van toepassing op procedures in de zin van § 1, lid 1, eerste volzin, die na 25 juni 2005 zijn ingeleid of hadden moeten worden ingeleid [...].”
22.
§ 2 van het Gesetz über die Umweltverträglichkeitsprüfung (wet inzake de milieueffectbeoordeling; hierna: „UVPG”) ( 14 )bepaalt het volgende:
„(1) De milieueffectbeoordeling vormt een onzelfstandig deel van de bestuursrechtelijke procedures waarin wordt beslist over de toelaatbaarheid van plannen. [...]
[...]
(3) Onder beschikkingen in de zin van lid 1, eerste volzin, worden verstaan
1.
Goedkeuringen, vergunningen, [...] planologische besluiten [...]”.
II – Feiten en hoofdgeding
23.
Achtergrond van het hoofdgeding is een beroep tegen een planologisch besluit van het Land Rheinland-Pfalz op het gebied van het waterbeheer, namelijk de aanleg van een waterbergingsgebied in de bovenstroomse Rijnvlakte ten zuiden van de steden Mannheim en Ludwigshafen (Waldsee/Altrip/Neuhofen).
24.
Het geplande gebied voor hoogwaterberging beslaat een oppervlakte van ongeveer 327 hectare. Een deel daarvan zal naargelang van de waterstand van de Rijn regelmatig overstromen, een ander deel zal onder water worden gezet bij extreme hoogwaterstanden, ter voorkoming van overstromingen in benedenstroomse woon-, industrie-, en infrastructuurgebieden in de Rijnvlakte. Het project moet bescherming bieden tegen hoge waterstanden die eens in de 200 jaar zijn te verwachten. De realisering van de waterberging omvat een groot aantal bouwkundige maatregelen.
25.
Door het project worden vooral landbouwgronden en bosgebieden geraakt. Een deel van de waterberging ligt echter in het in 2004 aangemelde Fauna-Flora-Habitat-gebied (hierna: „FFH-gebied”) „Rheinniederung Speyer-Ludwigshafen”. In de omgeving van het project bevinden zich nog een FFH-gebied en twee Europese vogelbeschermingsgebieden.
26.
De voor het project verantwoordelijke lagere instantie voor waterbeheer van het Land Rheinland-Pfalz verzocht bij schrijven van 31 januari 2002 de Struktur- und Genehmigungsdirektion Süd (Directie structuren en vergunningen – Zuid) van die deelstaat om goedkeuring van het plan voor de aanleg van de waterberging. Het plan werd goedgekeurd bij besluit van 20 juni 2006.
27.
Tegen dat planologische besluit is beroep ingesteld door de gemeente Altrip, de Gebrüder Hört GbR en Schneider (hierna: „verzoekers”). Zij stellen onder meer dat de met betrekking tot de waterberging uitgevoerde milieueffectbeoordeling aanzienlijke gebreken vertoont.
28.
De waterberging zal 12 % van het grondgebied van de gemeente Altrip bestrijken. De gemeente is bovendien eigenaresse van meerdere percelen in het door het project bestreken gebied.
29.
De maatschap Gebrüder Hört GbR verbouwt fruit en groente. De maten zijn eigenaar en pachter van percelen binnen het bergingsgebied, waarvan sommige ook zullen worden gebruikt voor de aanleg van dijken.
30.
Schneider is eigenaar van verschillende percelen in de buurt van de geplande waterberging, waaronder een bouwperceel en percelen in een recreatiegebied dat als kampeerterrein worden gebruikt.
31.
Het Verwaltungsgericht (bestuursrechter) verwierp het beroep bij vonnis van 13 december 2007.
32.
Het hiertegen ingestelde hoger beroep is door het Oberverwaltungsgericht (bestuursrechter in hoger beroep) Rheinland-Pfalz bij arrest van 12 februari 2009 verworpen. Naar zijn oordeel kunnen verzoekers zich niet op het UmwRG beroepen om op te komen tegen gebreken in de milieueffectbeoordeling, aangezien die wet volgens § 5, lid 1, ervan alleen van toepassing is op procedures die na 25 juni 2005 zijn ingeleid. Derhalve kon in het midden blijven of verzoekers bij een gebrekkige uitvoering van een milieueffectbeoordeling überhaupt een aanspraak op nietigverklaring van het planologische besluit zouden kunnen afleiden uit § 4, lid 1, UmwRG, die naar de letter alleen van toepassing is als geheel geen milieueffectbeoordeling is uitgevoerd. Ook betwijfelde hij of verzoekers voldoen aan het in de rechtspraak van het Bundesverwaltungsgericht gestelde causaliteitsvereiste.
33.
Verzoekers hebben bij het Bundesverwaltungsgericht beroep tot „Revision” ingesteld.
III – Prejudicieel verzoek en procesverloop voor het Hof
34.
Het Bundesverwaltungsgericht is, net als reeds het Oberverwaltungsgericht Rheinland-Pfalz, van mening dat het het UmwRG in het licht van § 5, lid 1, ervan, dat bepaalt dat die wet slechts geldt voor procedures die na 25 juni 2005 zijn ingeleid, reeds in temporeel opzicht niet kan toepassen. Het betwijfelt echter of dit verenigbaar is met het Unierecht.
35.
Zelfs indien het UmwRG ratione temporis toepasselijk zou zijn, zouden verzoekers volgens het Bundesverwaltungsgericht in het licht van de Duitse wetgeving tot omzetting van richtlijn 2003/35 niet kunnen opkomen tegen onregelmatigheden in de milieueffectbeoordeling. Volgens § 4, lid 1, UmwRG, die krachtens § 4, lid 3, UmwRG en § 61, punt 1, VwGO van toepassing is, kan nietigverklaring van een besluit slechts worden gevorderd indien de noodzakelijke milieueffectbeoordeling of het noodzakelijke vooronderzoek van het concrete geval ter vaststelling van een MEB-verplichting, geheel achterwege is gebleven en ook naderhand niet is uitgevoerd. Een andere uitlegging van § 4, lid 1, UmwRG acht het Bundesverwaltungsgericht gezien de tekst en de ontstaansgeschiedenis van die bepaling niet mogelijk. Tegen de achtergrond van het arrest Wells ( 15 ) bestond namelijk in het ontwerp van het UmwRG ( 16 ) oorspronkelijk het streven procedurefouten een grotere betekenis toe te kennen, maar in de loop van de wetgevingsprocedure is hiervan afstand genomen. Ook van die bepaling vraagt het Bundesverwaltungsgericht zich af of zij verenigbaar is met de richtlijn.
36.
Mocht deze inperking van de mogelijkheden om tegen een besluit in beroep te gaan, niet rechtmatig zijn, rijst volgens het Bundesverwaltungsgericht de vraag of de in de Duitse vaste rechtspraak gehanteerde criteria die de kansen om de formele rechtmatigheid van besluiten voor de rechter te kunnen aanvechten, beperken, verenigbaar zijn met de Europese wetgeving.
37.
Tegen de achtergrond van die overwegingen heeft het Bundesverwaltungsgericht de procedure bij beslissing van 10 januari 2012 geschorst en het Hof volgens artikel 267 VWEU verzocht om een antwoord op de volgende prejudiciële vragen:
„1)
Moet artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten dienden te bepalen dat de ter omzetting van artikel 10 bis van richtlijn 85/337 vastgestelde voorschriften van nationaal recht ook golden voor vergunningprocedures die vóór 25 juni 2005 waren ingeleid, maar waarin de vergunningen pas na deze datum werden afgegeven?
2)
Bij een bevestigend antwoord op de eerste vraag:
Moet artikel 10 bis van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten de toepasselijkheid van de voorschriften van nationaal recht die ter omzetting van artikel 10 bis van richtlijn 85/337 waren vastgesteld teneinde de formele rechtmatigheid van een besluit te kunnen aanvechten, eveneens dienden uit te breiden tot gevallen waarin weliswaar een milieueffectbeoordeling was verricht, maar daarbij onregelmatigheden waren begaan?
3)
Bij een bevestigend antwoord op de tweede vraag:
Moet, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat in overeenstemming met artikel 10 bis, eerste alinea, sub b, van richtlijn 85/337 in beginsel bepaalt dat de leden van het betrokken publiek slechts in beroep kunnen komen bij de rechter indien zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, artikel 10 bis van richtlijn 85/337 aldus worden uitgelegd,
a)
dat een beroep bij de rechter om de formele rechtmatigheid aan te vechten van besluiten waarop de bepalingen van deze richtlijn betreffende de inspraak van het publiek van toepassing zijn, slechts kan slagen en resulteren in de nietigverklaring van het besluit, wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, de concrete mogelijkheid bestaat dat het bestreden besluit zonder de procedurefout anders zou hebben geluid, en de procedurefout bovendien gevolgen heeft voor een materiële rechtspositie van de verzoekende partij, dan wel
b)
dat in het kader van een beroep bij de rechter om de formele rechtmatigheid aan te vechten van besluiten waarop de bepalingen van deze richtlijn betreffende de inspraak van het publiek van toepassing zijn, in ruimere mate rekening moet worden gehouden met procedurefouten?
Indien deze vraag in de sub b voorgestelde zin dient te worden beantwoord:
Aan welke inhoudelijke eisen moeten procedurefouten voldoen om in een beroep bij de rechter gericht tegen de formele rechtmatigheid van het besluit, in aanmerking te kunnen worden genomen ten gunste van een verzoekende partij?”
38.
Verzoekers in het hoofdgeding, het Land Rheinland-Pfalz, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
39.
Dezelfde deelnemers aan de procedure zijn vervolgens verschenen ter terechtzitting van 16 januari 2013.
IV – Juridische beoordeling
40.
Het Bundesverwaltungsgericht stelt het Hof drie vragen die alle betrekking hebben op de door artikel 10 bis van de MEB-richtlijn verleende toegang tot de rechter, waarbij de tweede en de derde vraag afhangen van een bevestigend antwoord op de respectievelijke voorgaande vraag. De eerste vraag betreft de toepasselijkheid in de tijd van de betrokken bepaling. Indien het Hof de bepaling ratione temporis toepasselijk acht, dient het in het kader van de tweede en de derde vraag in te gaan op de omvang van een dergelijk beroep. Met de tweede vraag wenst het te vernemen of de nationale wetgever in de bepalingen tot omzetting van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn de bestrijding van de formele rechtmatigheid van een besluit mocht beperken tot het geval dat geheel geen milieueffectbeoordeling is uitgevoerd. Indien een dergelijke beperking niet rechtmatig is, moet in het kader van de derde vraag de omvang van de toetsing worden behandeld. Daarbij gaat het met name erom of de voorwaarden van causaliteit en schending van een subjectief recht die de nationale rechtspraak stelt voor het slagen van een beroep betreffende de formele rechtmatigheid van een besluit, verenigbaar zijn met het Unierecht.
A – Ontvankelijkheid
41.
Ierland is van mening dat de tweede en de derde prejudiciële vraag niet ontvankelijk zijn. Uit de beslissing van het Bundesverwaltungsgericht blijkt niet welke onregelmatigheden in de milieueffectbeoordeling door verzoekers worden aangevochten. Volgens Ierland betekent dit dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over vragen van hypothetische aard waarvan de beantwoording geen gevolgen heeft voor het geding.
42.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in beginsel uitsluitend een zaak van de nationale rechters aan wie een geschil is voorgelegd om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing alsmede over de relevantie van de vragen die zij het Hof voorleggen. ( 17 )
43.
Van dat beginsel kan het Hof slechts afwijken wanneer „duidelijk” ( 18 ) blijkt dat de uitlegging van het Unierecht niet relevant is voor de beslechting van de aanhangige zaak. Het Hof is tot dusver slechts in een paar gevallen, in het licht van de opmerkingen van de verwijzende rechter over het nationale recht en de feiten, tot de conclusie gekomen dat de gestelde vragen puur hypothetisch ( 19 ) waren of zelfs dat het geding een kunstmatig karakter ( 20 ) had.
44.
Uit de beslissing van het Bundesverwaltungsgericht volgt dat de voor het litigieuze project vereiste milieueffectbeoordeling is uitgevoerd en dat deze door verzoekers gebrekkig wordt geacht. Maar tegen welke onregelmatigheden verzoekers bezwaar maken, blijkt er niet uit.
45.
Dit betekent evenwel niet dat de tweede en de derde prejudiciële vraag niet-ontvankelijk zijn. Met betrekking tot de tweede vraag volgt dit reeds uit de opmerking van het Bundesverwaltungsgericht dat volgens het vigerende Duitse recht, indien een milieueffectbeoordeling is uitgevoerd, geen aanspraak bestaat op nietigverklaring van het besluit, wat de aard van de gestelde formele onregelmatigheid ook is. Reeds wanneer de loutere mogelijkheid zou bestaan om de milieueffectbeoordeling op gebreken te toetsen, zou dit volgens het Bundesverwaltungsgericht verwijzing van de zaak naar het Oberverwaltungsgericht tot gevolg hebben. In dat geval rijst de in de derde vraag omschreven kwestie van de verenigbaarheid met het Europese recht van de in de Duitse rechtspraak tot dusver toegepaste of andere criteria die het Bundesverwaltungsgericht volgens eigen zeggen moet aangeven voor de beoordeling door het Oberverwaltungsgericht. Ook al kan door het ontbreken van gegevens over de aard van de formele gebreken in de onderhavige procedure geen definitief, gedetailleerd antwoord op de derde vraag worden gegeven, zoals door de Commissie terecht wordt opgemerkt, het Hof beschikt toch over voldoende informatie om in het kader van de samenwerking tussen het Hof en de verwijzende rechter een zinvol antwoord op die vraag te kunnen geven.
46.
Bijgevolg zijn de tweede en de derde prejudiciële vraag ontvankelijk.
B – De eerste prejudiciële vraag
47.
De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de toepasselijkheid in de tijd van het bij richtlijn 2003/35 ingevoerde artikel 10 bis van de MEB-richtlijn in het licht van het bepaalde in § 5, lid 1, van het UmwRG, de nationale wet tot omzetting van richtlijn 2003/35. Artikel 6, eerste alinea, eerste volzin, van die richtlijn geeft aan dat de lidstaten uiterlijk op 25 juni 2005 aan de richtlijn dienen te voldoen. Niet duidelijk is echter of dit betekent dat de lidstaten in de volgens artikel 10 bis van de MEB-richtlijn te verlenen toegang tot de rechter moeten voorzien voor administratieve vergunningprocedures die na die datum zijn ingeleid of ook al voor procedures die reeds vóór de omzettingsdatum waren ingeleid, maar waarin de vergunningen pas op een later tijdstip zijn afgegeven.
48.
Duitsland en Ierland zijn van opvatting dat richtlijn 2003/35 de lidstaten niet verplicht om de toetsingsmogelijkheid van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn uit te breiden tot vergunningprocedures die vóór het einde van de omzettingstermijn van richtlijn 2003/35 waren ingeleid, ook al is de vergunning pas na het einde van die termijn afgegeven. Zij gaan dan ook slechts subsidiair in op de twee andere prejudiciële vragen. Het Land Rheinland-Pfalz schaart zich achter de opvatting van Duitsland.
49.
Verzoekers stellen daarentegen dat de lidstaten volgens artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 2003/35 verplicht zijn de nationale bepalingen tot omzetting van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn ook toe te passen op administratieve vergunningprocedures waarin de vergunning na 25 juni 2005 is afgegeven, los van de vraag wanneer die procedures zijn ingeleid. Ook de Commissie is van mening dat artikel 10 bis van de MEB-richtlijn van toepassing is op vergunningprocedures die op 25 juni 2005 reeds waren ingeleid.
50.
Mijns inziens is artikel 10 bis van de MEB-richtlijn op gevallen als het onderhavige van toepassing.
51.
De lidstaten moeten richtlijnen binnen de per geval vastgelegde termijn in nationaal recht omzetten. ( 21 ) Door een richtlijn verleende rechten dienen binnen die termijn te worden toegekend voor zover de richtlijn niet uitdrukkelijk in uitzonderingen voorziet. Indien een lidstaat niet aan die verplichting voldoet, kunnen daarvoor in aanmerking komende richtlijnbepalingen rechtstreekse werking verkrijgen onder de bekende voorwaarden. ( 22 )
52.
Dit beginsel kan tot problemen leiden wanneer daardoor een nieuwe bepaling van toepassing wordt op reeds ingeleide of zelfs afgeronde procedures. Indien een handeling van de Unie niet voorziet in een uitdrukkelijke overgangsbepaling voor een dergelijke situatie, stelt het Hof de toepasselijkheid in de tijd door middel van uitlegging vast, waarbij de beginselen van rechtszekerheid (verbod van terugwerkende kracht), bescherming van gewettigd vertrouwen en behoud van de nuttige werking van de handeling in aanmerking worden genomen. ( 23 )
53.
Het Hof heeft dit beginsel al verscheidene malen moeten toepassen. Zo stelde het vast dat procedurele bepalingen ook van toepassing zijn op bij hun inwerkingtreding aanhangige geschillen, materieelrechtelijke bepalingen van Unierecht daarentegen alleen op situaties die na hun inwerkingtreding zijn ontstaan. ( 24 ) Een nieuwe regeling is daarentegen in beginsel onmiddellijk van toepassing op de toekomstige gevolgen van een situatie. ( 25 ) Ten aanzien van de verplichting tot uitvoering van een milieueffectbeoordeling stelde het Hof vast dat die verplichting niet geldt in gevallen waarin de formele vergunningaanvraag voor een project is ingediend vóór het verstrijken van de termijn tot omzetting van de MEB-richtlijn. ( 26 )
54.
In het onderhavige geval gaat het erom of de door artikel 10 bis van de MEB-richtlijn gegarandeerde nieuwe beroepsmogelijkheid vanaf het einde van de omzettingstermijn toepasselijk is op vergunningprocedures die op dat tijdstip reeds waren ingeleid. Richtlijn 2003/35 voorziet niet in een overgangsregeling voor een dergelijke situatie.
55.
Een uitlegging van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn in het licht van de beginselen van rechtszekerheid (verbod van terugwerkende kracht), bescherming van het gewettigd vertrouwen en behoud van de nuttige werking van de handeling leidt ertoe dat de bepaling moet worden toegepast op administratieve vergunningprocedures die vóór de afloop van de omzettingstermijn van richtlijn 2003/35 reeds waren ingeleid, maar nog niet definitief waren afgerond.
56.
Gezien het belang van een doeltreffende en tijdige omzetting van de richtlijn dient artikel 10 bis van de MEB-richtlijn bij de afloop van de omzettingstermijn van toepassing te zijn. Zelfs indien men – zoals Duitsland en Ierland – in de toepassing van nieuwe beroepsmogelijkheden op procedures die reeds waren ingeleid op het tijdstip waarop die mogelijkheden werden geschapen, een zwakke vorm van terugwerkende kracht ( 27 ) ziet, verzetten het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel zich in dergelijke gevallen niet tegen toepassing van voornoemde bepalingen. Die beginselen en niet een in gevallen als het onderhavige weinig doelmatige indeling in procedurele en materieelrechtelijke bepalingen, zijn doorslaggevend voor de uitlegging van de richtlijn met betrekking tot de toepasselijkheid in de tijd ervan.
57.
Ook uit de rechtspraak van het Hof betreffende de toepasselijkheid in de tijd van de verplichting tot uitvoering van een milieueffectbeoordeling kan, anders dan Duitsland en Ierland menen, niets anders worden afgeleid.
58.
Het Hof heeft er in die rechtspraak op gewezen dat de MEB-richtlijn in toenemende mate projecten van een zekere omvang betreft, waarvan de uitvoering dikwijls veel tijd vergt. Een bijkomende vertraging van reeds ingeleide procedures als gevolg van de specifieke eisen die door de richtlijn worden voorgeschreven, raakt reeds ontstane situaties. ( 28 ) De opdrachtgever van een project kan in zoverre vertrouwen op zijn verwachtingen omtrent het verloop van de procedure op het tijdstip van indiening van de aanvraag en behoeft geen verdere verzwaring van de procedure te vrezen.
59.
Het Bundesverwaltungsgericht stelt terecht vast dat in het onderhavige geval geen nieuwe voorwaarden aangaande administratieve of lopende gerechtelijke procedures worden geschapen. Het gaat veeleer om de verbetering van de toegang tot de rechter met betrekking tot de naleving van rechtsregels die reeds bindend waren. Het vertrouwensbeginsel houdt niet in dat de betrokkene erop kan vertrouwen dat de naleving van het vigerende recht niet wordt gecontroleerd. Zonder twijfel moet bij een uitbreiding van de beroepsmogelijkheden bij projecten van zekere omvang in de praktijk met vertragingen worden gerekend. Deze moeten echter worden beschouwd als een reflex van de rechterlijke toetsing van reeds bestaande bindende voorschriften, en moeten door de opdrachtgever worden aanvaard. Het nuttig effect van de richtlijn dient in dit opzicht zwaarder te wegen.
60.
Het belang van een doeltreffende en tijdige omzetting van de richtlijn is in het onderhavige geval des te groter aangezien de richtlijn de bepalingen van het Verdrag van Aarhus omzet, dat op 17 februari 2005 voor de Gemeenschap van kracht werd en volgens artikel 216, lid 2, VWEU bindend is voor de instellingen van de Unie en de lidstaten. ( 29 ) Indien artikel 10 bis van de MEB-richtlijn alleen maar van toepassing was op procedures die zijn ingeleid na afloop van de omzettingstermijn, zou de volgens artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus te waarborgen toegang tot de rechter nog jaren op zich laten wachten, gelet op de aanzienlijke duur van de betrokken vergunningprocedures.
61.
Ik meen derhalve dat artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 2003/35 aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn de bepalingen van het nationale recht die strekken tot omzetting van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn, ook van toepassing te verklaren op administratieve vergunningprocedures die vóór 25 juni 2005 waren ingeleid en op dat tijdstip nog niet definitief waren afgerond. Dit betekent dat de tweede vraag, die is gesteld voor het geval dat het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, moet worden beantwoord.
C – De tweede prejudiciële vraag
62.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst het Bundesverwaltungsgericht te vernemen of de lidstaten krachtens artikel 10 bis van de MEB-richtlijn verplicht zijn de toepasselijkheid van de met het oog op de bestrijding van de formele rechtmatigheid van een besluit vastgestelde nationale omzettingsmaatregelen van dat artikel ook uit te breiden tot gevallen waarin weliswaar een milieueffectbeoordeling is verricht, maar deze gebreken vertoont.
63.
Alle partijen bij de procedure, met uitzondering van Ierland, zijn van mening dat artikel 10 bis van de MEB-richtlijn de lidstaten ertoe verplicht de toegang tot de rechter ook mogelijk te maken in gevallen waarin de milieueffectbeoordeling niet naar behoren is uitgevoerd. Volgens Duitsland is dit in het Duitse recht reeds gewaarborgd, aangezien volgens de naast § 4, lid 1, UmwRG toepasselijke § 46 VwVfG ook bij een gebrekkige uitvoering van een milieueffectbeoordeling nietigverklaring van een vergunningbesluit kan worden gevorderd. Ierland legt, gezien de ontbrekende informatie over de in casu aangevochten gebreken, de nadruk op de procedurele autonomie van de lidstaten, die in overeenstemming met de doelstellingen van de richtlijn moet worden uitgeoefend.
64.
Met betrekking tot het standpunt van Duitsland wil ik om te beginnen erop wijzen dat het Hof niet bevoegd is het nationale recht uit te leggen. In het kader van de samenwerking met de nationale rechters dient het in dat opzicht uit te gaan van de vaststellingen van die rechters omtrent het nationale recht.
65.
Reeds de tekst van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn laat geen ruimte voor twijfel over de principiële omvang van de toetsing in het kader van de door die bepaling geschapen beroepsmogelijkheid. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de leden van het betrokken publiek die voldoen aan één van de twee in de bepaling genoemde voorwaarden „in beroep kunnen gaan bij een rechtbank [...] om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit [...] vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten”. ( 30 ) De gecursiveerde passage is een vrijwel letterlijke omzetting van artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus. ( 31 )
66.
Het Hof heeft in de zaak Trianel dan ook logischerwijs vastgesteld dat de bepaling de middelen die ter ondersteuning van het betrokken beroep kunnen worden aangevoerd, op geen enkele wijze beperkt. ( 32 )
67.
Wanneer de mogelijkheden om een MEB-plichtige vergunningprocedure aan te vechten worden beperkt tot het geval dat geheel geen milieueffectbeoordeling is uitgevoerd, wordt niet aan de vermelde voorwaarden voldaan. Beroep tegen gebreken van een milieueffectbeoordeling mag niet principieel worden uitgesloten.
68.
Op de tweede prejudiciële vraag moet derhalve worden geantwoord dat artikel 10 bis van de MEB-richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het in het kader van de in de bepaling vastgelegde toetsingsprocedure mogelijk moet zijn, de formele rechtmatigheid van een besluit ook aan te vechten wanneer een milieueffectbeoordeling weliswaar is uitgevoerd, maar gebreken vertoont. Dat betekent dat ook de derde en laatste prejudiciële vraag moet worden beantwoord, die is gesteld voor het geval dat in het kader van de toetsingsprocedure ook de gebrekkigheid van een milieueffectbeoordeling kan worden onderzocht.
D – De derde prejudiciële vraag
69.
Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen in welke omvang beroep moet openstaan ter zake van procedurefouten in besluiten waarop de bepalingen inzake inspraak van het publiek van de MEB-richtlijn van toepassing zijn, en moet kunnen leiden tot nietigverklaring van het besluit in gevallen waarin het bestuursprocesrecht van een lidstaat de leden van het betrokken publiek slechts toegang biedt tot de rechter wanneer zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, zoals in artikel 10 bis, lid 1, sub b, van de MEB-richtlijn is bepaald. In dat verband wenst de verwijzende rechter met name te vernemen of twee door de nationale rechtspraak gestelde cumulatieve beperkingen aan de relevantie van procedurefouten rechtmatig zijn, namelijk het causaliteitsvereiste en het vereiste dat de fout gevolgen heeft voor een materiële rechtspositie van de verzoekende partij.
1. De in de nationale rechtspraak gehanteerde criteria
70.
Voor een beter begrip is het zinvol de in de nationale rechtspraak gehanteerde criteria kort toe te lichten aan de hand van de argumenten van de partijen en het prejudiciële verzoek.
71.
Het zogenoemde „causaliteitsvereiste” houdt in dat een op een procedurefout gebaseerd beroep tegen een besluit slechts kan slagen wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, de concrete mogelijkheid bestaat dat het bestreden besluit zonder de procedurefout anders zou hebben geluid. ( 33 )
72.
Bovendien moet de procedurefout gevolgen hebben voor een „materiële rechtspositie” van de verzoekende partij. Het Bundesverwaltungsgericht wijst evenwel erop dat volgens de nationale rechtspraak de Duitse wet inzake de milieueffectbeoordeling (UVPG) en de procedurele bepalingen van andere specifieke wetten, personen die door een MEB-plichtig project worden geraakt, geen zelfstandig afdwingbare procedurele rechten verlenen. ( 34 ) Uit de opmerkingen van de betrokken partijen valt op te maken dat het criterium van de materiële rechtspositie van de verzoekende partij ook voor de gegrondheid van het beroep relevant is. Dat zou betekenen dat dat criterium de toetsingsomvang beperkt in beroepen die met betrekking tot de ontvankelijkheid voldoen aan het vereiste van de procesbevoegdheid – een typisch voorbeeld zou zijn dat de verzoeker zich beroept op een aantasting van zijn eigendomsrecht. ( 35 )
2. Standpunten van partijen
73.
Ten aanzien van de derde prejudiciële vraag verschillen partijen duidelijk met elkaar van mening. Volgens verzoekers zijn de vermelde criteria in strijd met de Europese wetgeving en dienen procedurefouten veeleer in ruimere mate in aanmerking te worden genomen. Naar analogie van artikel 263, tweede alinea, VWEU zouden schendingen van wezenlijke procedurele bepalingen in ieder geval in aanmerking moeten worden genomen in beroepen betreffende de formele rechtmatigheid van het besluit, tenzij in het concrete geval zonder meer kan worden uitgesloten dat de fout de uitkomst ten gronde heeft beïnvloed. Wettelijke voorschriften inzake de inspraak van het publiek en artikel 3 van de MEB-richtlijn moeten in dat opzicht worden beschouwd als wezenlijke procedurele bepalingen.
74.
Duitsland is van mening dat het in de Duitse rechtspraak ontwikkelde causaliteitsvereiste, gezien de procedurele autonomie van de lidstaten, verenigbaar is met de Europese wetgeving. Het Land Rheinland-Pfalz sluit zich aan bij dit standpunt.
75.
Ierland is van opvatting dat, gezien de procedurele autonomie van de lidstaten, deze zelf moeten bepalen welk besluit, handelen of nalaten onderhevig is aan de controle in de zin van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn en wat als schending van het recht moet worden beschouwd, met dien verstande dat hierbij het doel van de richtlijn, namelijk waarborgen dat het betrokken publiek toegang heeft tot de rechter, in acht wordt genomen.
76.
De Commissie ten slotte stelt dat de nationale rechter in het kader van het onderzoek ten gronde ten minste aan alle formele en materieelrechtelijke bepalingen moet toetsen die voortvloeien uit het Unierecht en de nationale bepalingen tot omzetting ervan, zonder zijn onderzoek te beperken tot de naleving van de bepalingen inzake procesbevoegdheid of tot een eventuele schending van een materiële rechtspositie.
77.
Voor ernstige procedurefouten mag geen causaliteitsvereiste gelden, aldus de Commissie. Minder ernstige procedurefouten resulteren echter niet in nietigverklaring van een besluit wanneer de instantie op overtuigende wijze aantoont dat, gelet op de omstandigheden van het geval, niet de concrete mogelijkheid bestond dat het bestreden besluit zonder de procedurefout anders had geluid.
78.
Procedurefouten bij besluiten waarop de bepalingen van de richtlijn inzake inspraak van het publiek van toepassing zijn, moeten haars inziens in het kader van beroepen bij de rechter in aanmerking worden genomen, tenzij zij voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de MEB-richtlijn van ondergeschikt belang zijn.
3. Uitlegging van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn
79.
Het is niet voor het eerst dat het Hof zich over de uitlegging van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn dient uit te spreken. Reeds aan het begin van mijn uiteenzetting heb ik erop gewezen dat met name de zaak Trianel aanleiding bood om nader op die bepaling in te gaan.
80.
In die zaak heeft het Hof zich in wezen gebogen over de omvang van de toegang van niet-gouvernementele organisaties als vermeld in artikel 1, lid 2, van de MEB-richtlijn tot een herzieningsprocedure in de zin van artikel 10 bis van diezelfde richtlijn. Het Hof stelde in die zaak vast dat dergelijke organisaties niet de mogelijkheid mag worden ontzegd, zich voor de rechter in het kader van een beroep tegen een vergunningbesluit te beroepen op schending van een uit het Unierecht voortvloeiend voorschrift van milieubescherming, op grond dat het voorschrift alleen de belangen van het algemene publiek beschermt en niet die van individuele personen. Uit het arrest volgt dat een dergelijke beperking noch op het niveau van de ontvankelijkheid van het beroep, noch op het niveau van de gegrondheid ervan rechtmatig is. ( 36 ) Duitsland, waarvan het nationale recht aanleiding was voor het prejudiciële verzoek in de zaak Trianel, heeft de consequenties uit dat arrest getrokken. ( 37 )
81.
De onderhavige procedure heeft in tegenstelling tot de zaak Trianel betrekking op natuurlijke en rechtspersonen die allen volgens artikel 1, lid 2, van de MEB-richtlijn zijn te beschouwen als leden van het betrokken publiek, zonder echter een niet-gouvernementele organisatie in de zin van die bepaling te zijn.
82.
In mijn antwoord op de tweede prejudiciële vraag heb ik reeds benadrukt dat artikel 10 bis van de MEB-richtlijn niet toestaat dat de mogelijkheden van deze personen om relevante besluiten aan te vechten, worden beperkt tot het geval dat de vereiste milieueffectbeoordeling geheel niet is uitgevoerd.
83.
Dit betekent echter niet dat het Unierecht in het kader van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn gedetailleerde eisen stelt aan de omvang van de toetsing van de rechter. De lidstaten beschikken volgens de rechtspraak van het Hof veeleer principieel op grond van hun procedurele autonomie over armslag bij de uitvoering van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn (en het hierdoor geïmplementeerde artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus). Zij kunnen derhalve zelf bepalen op welke wijze toegang tot de rechter wordt geboden. In dat verband gelden echter twee voorwaarden: de betrokken regelingen mogen niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke regelingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij mogen de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). ( 38 )
84.
Vooral het doeltreffendheidsbeginsel brengt Unierechtelijke voorwaarden met zich betreffende de omvang van de toetsing in het kader van de procedure van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn. Niets duidt echter erop dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van een schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel.
85.
Zoals ik reeds in mijn voorstel van antwoord op de tweede prejudiciële vraag heb uiteengezet, laat de tekst van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn geen ruimte voor twijfel met betrekking tot de toetsing van de formele rechtmatigheid van besluiten in het kader van de hierin neergelegde procedure. Het voorziet in geen enkele beperking van de middelen die ter ondersteuning van het betrokken beroep kunnen worden aangevoerd.
86.
Artikel 10 bis van de MEB-richtlijn staat de lidstaten echter wel toe, de toegang tot de rechter van leden van het betrokken publiek aan een voorwaarde te verbinden. Daarbij kunnen zij in de uitoefening van hun procedurele autonomie een keuze maken tussen twee alternatieven. Het eerste bestaat erin dat als voorwaarde wordt gesteld dat de leden van het betrokken publiek „een voldoende belang” hebben, het tweede, door Duitsland gekozen alternatief, dat de betrokkenen moeten „stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt”. De lidstaten bepalen krachtens artikel 10 bis van de MEB-richtlijn bovendien zelf wat als inbreuk op een recht wordt beschouwd. Wel moet die bepaling in overeenstemming zijn met de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen.
87.
Hebben deze twee door artikel 10 bis genoemde alternatieven gevolgen voor de omvang van de toetsing in het kader van de herzieningsprocedure van deze bepaling?
88.
De tekst van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn pleit ervoor dat de twee hierin genoemde alternatieven moeten worden beschouwd als ontvankelijkheidsvoorwaarden voor het betrokken beroep. Wanneer hieraan is voldaan, wordt de „materiële of formele rechtmatigheid” van het betrokken besluit inhoudelijk onderzocht. Ook het Hof heeft het met betrekking tot de alternatieven uitdrukkelijk over „de voorwaarden voor ontvankelijkheid van beroepen”. ( 39 )
89.
Een volkenrechtvriendelijke uitlegging van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn tegen de achtergrond van artikel 9, lid 2, van het Verdrag van Aarhus ( 40 ) bevestigt dat de twee in artikel 10 bis genoemde alternatieven zijn bedoeld om de ontvankelijkheid van het beroep te beperken, maar niet de omvang van het in het kader daarvan verrichte onderzoek. De als richtsnoer voor de uitlegging van het Verdrag van Aarhus dienende Implementation Guide ( 41 ) verwijst namelijk naar dezelfde criteria in de context van de standing, dat wil zeggen de procesbevoegdheid. ( 42 )
90.
Ik schaar mij in dit opzicht achter het standpunt van advocaat-generaal Sharpston, die eveneens van mening is dat de partijen bij het Verdrag van Aarhus voor de twee alternatieven hebben gekozen om rekening te houden met de uiteenlopende nationale voorwaarden betreffende de procesbevoegdheid. ( 43 )
91.
Aangaande de omvang van de toetsing wat de procedure betreft stel ik dus nogmaals vast dat de MEB-richtlijn voorziet in onderzoek van de formele rechtmatigheid van besluiten en dat zij de middelen die ter ondersteuning van het betrokken beroep kunnen worden aangevoerd, op geen enkele wijze beperkt. Overeenkomstig het doeltreffendheidsbeginsel mag die mogelijkheid van rechterlijke bescherming met betrekking tot de door de rechtsorde van de Unie verleende en tot bescherming van het milieu strekkende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt. Een op die beginselen gebaseerde nationale rechterlijke bescherming voldoet ook aan artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, dat bepaalt dat het de taak van de lidstaten is te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om een daadwerkelijke rechterlijke bescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren. Met betrekking tot de omvang van de toetsing kan verder niets worden gezegd, aangezien de verwijzende rechter niet heeft aangegeven welke procedurefouten concreet worden aangevochten.
4. Toetsing van de nationale criteria
92.
Thans zal ik om te beginnen nagaan of het door de verwijzende rechter beschreven criterium, dat een materiële rechtspositie van de verzoekende partij in het geding moet zijn, met betrekking tot artikel 10 bis van de MEB-richtlijn verenigbaar is met de strekking van die richtlijn. De Duitse rechtsleer op het vlak van het bestuursrecht heeft zich de afgelopen jaren intensief met dit onderwerp beziggehouden en ook in het licht van de rechtspraak Trianel controversieel gediscussieerd over de vraag in hoeverre het vereiste van schending van een subjectief recht op het vlak van het milieurecht, met name ook ten aanzien van procedurefouten, bij milieueffectbeoordelingen kan worden gehandhaafd. ( 44 )
93.
Een zorgvuldige uitlegging van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn, waarbij met name de strekking ervan vooropstaat, toont aan dat het criterium in de door het Bundesverwaltungsgericht beschreven vorm niet aan de richtlijn voldoet.
94.
Zoals ik reeds heb vastgesteld, voorziet de tekst van artikel 10 bis in toetsing van (onder meer) de formele rechtmatigheid van besluiten, zonder dat er ook maar enige aanwijzing is dat de middelen die ter ondersteuning van het betrokken beroep kunnen worden aangevoerd, zouden zijn beperkt. Wel is het krachtens die bepaling toegestaan dat de toegang tot de rechter wordt beperkt tot leden van het betrokken publiek die een inbreuk op een recht stellen. Dat concept wordt door de lidstaten zelf ingevuld, met uitdrukkelijke inachtneming van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen. De genoemde voorwaarde vormt echter – ook hierop heb ik reeds gewezen – een legitiem ontvankelijkheidscriterium en geen mogelijke beperking van de omvang van de toetsing. Een dergelijke beperking kan hierdoor dus niet worden gerechtvaardigd.
95.
Voorts is relevant dat het Verdrag van Aarhus, waaraan artikel 10 bis van de MEB-richtlijn uitvoering beoogt te geven, belangrijke aanwijzingen bevat over de strekking van die bepaling. Volgens artikel 1 van dat verdrag wordt gestreefd naar bescherming van het recht van elke persoon om te leven in een milieu dat passend is voor haar of zijn welzijn. Te dien einde wordt voorzien in bepaalde procedurele bepalingen (toegang tot informatie, inspraak in de besluitvorming) en doeltreffende toegang tot de rechter.
96.
De zevende en de achtste overweging van de preambule van het Verdrag van Aarhus geven een nadere toelichting op de achtergrond van het recht op toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Hierdoor dient de burgers de mogelijkheid te worden geboden hun recht op een gezond milieu te doen gelden en te voldoen aan hun plicht om het milieu te beschermen en te verbeteren in het belang van de huidige en toekomstige generaties.
97.
Dit houdt in mijn ogen twee dingen in. Enerzijds zijn procedurele bepalingen en de naleving daarvan juist ook op het vlak van het milieurecht essentieel voor de bescherming van de verleende rechten. Dit verklaart ook het groeiende belang van participatierechten binnen het milieurecht; deze worden tegenwoordig niet meer alleen van belang geacht voor de legitimatie van beslissingen, maar ook beschouwd als bijdrage tot de bescherming van het milieu. ( 45 ) Deze kijk op de procedure onderstreept bovendien het belang van een juiste uitvoering van een milieueffectbeoordeling. ( 46 ) Tegen deze achtergrond wordt duidelijk waarom artikel 10 bis van de MEB-richtlijn de toetsing van de materieelrechtelijke en de formele rechtmatigheid in één adem noemt.
98.
Anderzijds beschouwt het Verdrag van Aarhus de bescherming van het milieu niet als taak van specifiek daarvoor in het leven geroepen niet-gouvernementele organisaties, maar stelt het dat de individu het recht heeft – en zelfs verplicht is – milieubelangen na te streven. ( 47 ) Een beperking van de omvang van de toetsing bij beroepen die door individuele verzoekers worden ingediend, kan derhalve niet worden gerechtvaardigd met het argument dat er immers milieuorganisaties bestaan die zich kunnen inzetten voor milieubelangen in het algemeen. Aangaande de procesbevoegdheid worden de milieuorganisaties weliswaar volgens artikel 10 bis, lid 3, tweede en derde volzin, in zoverre geprivilegieerd als zij volgens die bepaling rechten hebben die kunnen worden geschonden. ( 48 ) Wat de gegrondheid betreft, duidt niets evenwel erop dat leden van het betrokken publiek een mindere positie hebben dan milieuorganisaties. De burger verwordt in dat opzicht, zoals volgt uit de vermelde bepalingen van het Verdrag van Aarhus, zelf tot instantie die zich inzet voor de bescherming van het milieu ( 49 ), een taak die – zoals de verzoekers uiteenzetten – milieuorganisaties op grond van ontbrekende financiële middelen slechts in beperkte mate op zich kunnen nemen.
99.
Gezien het voorgaande mag het nationale recht vraagstukken betreffende de formele rechtmatigheid in het (milieurechtelijke) kader van de MEB-richtlijn bij beroepen die zijn ingesteld door leden van het betrokken publiek, niet uitsluiten van toetsing door de rechter. Dit zou in strijd zijn met het doeltreffendheidsbeginsel en niet kunnen worden beschouwd als met het Europees recht verenigbare omzetting van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn. Een vereiste van schending van een subjectief recht, waardoor uit het Unierecht volgende milieubepalingen worden uitgesloten van toetsing in het kader van de procedure van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn, hetgeen volgens het Bundesverwaltungsgericht bij het criterium in casu het geval is, valt mijns inziens niet te handhaven.
100.
Tegen deze achtergrond moet ook de vaststelling van het Hof in de zaak Trianel worden gezien dat „het de nationale wetgever [...] [vrij]staat, de rechten waarvan schending door een individueel persoon kan worden aangevoerd in het kader van een beroep in rechte tegen een besluit, handelen of nalaten als bedoeld in artikel 10 bis van richtlijn 85/337, te beperken tot enkel subjectieve publiekrechtelijke rechten”. ( 50 ) Het begrip van de subjectieve publiekrechtelijke rechten moet aldus worden geïnterpreteerd dat individuen zich in het kader van de inhoudelijke beoordeling kunnen beroepen op uit het Unierecht voortvloeiende milieubepalingen. In zoverre vallen objectieve en subjectieve rechterlijke bescherming samen – hetgeen ook wordt aangeduid door het in artikel 1 van het Verdrag van Aarhus vastgestelde recht van iedere persoon om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn.
101.
Ook het Compliance Committee van het Verdrag van Aarhus is van mening dat het ontbreken van de mogelijkheid om in beroepen milieurechtelijke vorderingen op te nemen op grond van de beperking van burenrechtzaken tot eigen rechten en het feit dat het milieurecht buiten dat concept valt, als schending van artikel 9, lid 2, moet worden beoordeeld. Ook al is die uitspraak voor het Hof niet bindend ( 51 ), die zienswijze bevestigt toch mijn uitlegging van het Verdrag van Aarhus. ( 52 )
102.
Met betrekking tot het causaliteitsbeginsel gelden soortgelijke voorwaarden. Ook op dit vlak genieten de lidstaten zonder enige twijfel procedurele autonomie. Toepassing van een causaliteitsvereiste bij de beoordeling van de relevantie van procedurefouten is derhalve niet principieel uitgesloten. Wel moeten in dat verband het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel worden geëerbiedigd. Ook ten aanzien van het causaliteitsvereiste is derhalve met name het doeltreffendheidsbeginsel relevant. ( 53 ) Ook hier duidt niets op een schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel.
103.
Het causaliteitsvereiste mag de uitoefening van de uit artikel 10 bis van de MEB-richtlijn voortvloeiende rechten derhalve niet belemmeren.
104.
Juist op het in casu relevante gebied is – zoals ik reeds heb benadrukt – de procedure van bijzonder belang voor een doeltreffende bescherming van het milieu. Een doeltreffende toegang tot de rechter met het oog op de aanvechting van procedurefouten is echter slechts dan gewaarborgd, wanneer niet bij voorbaat is uitgesloten dat het beroep kan slagen. Het causaliteitsvereiste moet in een zodanige vorm worden gegoten dat het strookt met het bijzondere belang van de procedure, juist ook in het kader van het Europese milieurecht, en mag procedurefouten niet feitelijk van toetsing uitsluiten.
105.
Dit betekent echter niet dat iedere procedurefout automatisch moet leiden tot nietigverklaring van een besluit. Dit blijkt al uit de benadering van de gevolgen van gebreken in handelingen van de Unie. Artikel 263, tweede alinea, VWEU bepaalt in zoverre dat het Hof bevoegd is „uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens [...] schending van wezenlijke vormvoorschriften”. In de rechtspraak wordt dit – eenvoudig gezegd – aldus toegepast dat een handeling bij schending van een wezenlijk vormvoorschrift zonder meer nietig is ( 54 ), en dat bij schending van minder wezenlijke voorschriften sprake moet zijn van een gevolg. ( 55 ) De in het kader van die bepaling ontwikkelde criteria zijn vanwege de procedurele autonomie van de lidstaten niet zonder meer toepasbaar op artikel 10 bis van de MEB-richtlijn.
106.
Veeleer dient bij de toepassing van het causaliteitsvereiste het doeltreffendheidsbeginsel in aanmerking te worden genomen. Dat betekent dat dat vereiste, en in het bijzonder de wijze waarop de bewijs- en stelplicht in de context ervan wordt geregeld, niet feitelijk mag uitsluiten dat beroep kan worden gedaan op uit het Unierecht voortvloeiende procedurele bepalingen die strekken tot bescherming van het milieu. Bij bijzonder belangrijke procedurele bepalingen moet in zoverre volledig worden afgezien van het eisen van een causaliteit met betrekking tot de uitkomst van de administratieve procedure.
V – Conclusie
107.
Om de hierboven uiteengezette redenen stel ik het Hof voor de door het Bundesverwaltungsgericht gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 6, eerste alinea, van richtlijn 2003/35 moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn de nationale wettelijke bepalingen tot omzetting van artikel 10 bis van de MEB-richtlijn ook van toepassing te verklaren op administratieve vergunningprocedures die reeds vóór 25 juni 2005 waren ingeleid, maar op dat tijdstip nog niet definitief waren afgerond.
2)
Artikel 10 bis van de MEB-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat in het kader van de daarin geregelde toetsingsprocedure de formele rechtmatigheid van een besluit ook moet kunnen worden bestreden in gevallen waarin een milieueffectbeoordeling weliswaar is verricht, maar deze gebreken vertoont.
3)
Artikel 10 bis van de MEB-richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat in overeenstemming met artikel 10 bis, eerste alinea, sub b, van de MEB-richtlijn bepaalt dat de leden van het betrokken publiek slechts in beroep kunnen komen bij de rechter indien zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht,
—
de kans van slagen van een beroep bij de rechter betreffende de formele rechtmatigheid van besluiten waarop de bepalingen van de voornoemde richtlijn betreffende de inspraak van het publiek van toepassing zijn, niet mag worden beperkt tot gevallen waarin de procedurefout tevens gevolgen heeft voor een materiële rechtspositie van de verzoekende partij, voor zover daardoor uit het Unierecht voortvloeiende bepalingen die strekken tot bescherming van het milieu, van de toetsing worden uitgesloten;
—
de kans van slagen van een beroep bij de rechter betreffende de formele rechtmatigheid van besluiten waarop de bepalingen van deze richtlijn betreffende de inspraak van het publiek van toepassing zijn, niet mag worden beperkt tot gevallen waarin, gelet op de omstandigheden van het geval, de concrete mogelijkheid bestaat dat het bestreden besluit zonder de procedurefout anders zou hebben geluid, voor zover daardoor feitelijk wordt uitgesloten dat een beroep kan worden gedaan op uit het Unierecht voortvloeiende bepalingen die strekken tot bescherming van het milieu en voor zover dat criterium ook betrekking heeft op wezenlijke procedurele bepalingen.
Aan welke inhoudelijke eisen procedurefouten moeten voldoen om in een beroep bij de rechter betreffende de formele rechtmatigheid van een besluit, in aanmerking te kunnen worden genomen ten gunste van een verzoekende partij, dient door de lidstaten in het kader van hun procedurele autonomie te worden beoordeeld; de lidstaten mogen echter de toegang tot de rechter met betrekking tot uit het Unierecht voortvloeiende en tot bescherming van het milieu strekkende bepalingen in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken, en de regelingen te dien aanzien mogen niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke regelingen van nationaal recht.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Arrest van 12 mei 2011, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, Landesverband Nordrhein-Westfalen, Trianel (C-115/09, Jurispr. blz. I-3673).
( 3 ) Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40).
( 4 ) Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 156, blz. 17).
( 5 ) Besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (PB L 124, blz. 1). De tekst van het Verdrag van Aarhus is afgedrukt in hetzelfde nummer van het Publicatieblad, blz. 4 e.v.
( 6 ) United Nations Economic Commission for Europe, The Aarhus Convention: An Implementation Guide, 2e ed., 2013, blz. 6; Beyerlin, U., en Grote Stoutenburg, J., Environment, International Protection, in: Wolfrum, R. (uitg.), Max Planck Encyclopedia of Public International Law, punt 73.
( 7 ) Zie punt 5 van de considerans van richtlijn 2003/35.
( 8 ) Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PB L 257, blz. 26).
( 9 ) Punt 11 van de considerans van richtlijn 2003/35.
( 10 ) Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26, blz. 1).
( 11 ) Zoals bekendgemaakt op 19 maart 1991 (BGBl I, blz. 686).
( 12 ) Zoals bekendgemaakt op 23 januari 2003 (BGBl I, blz. 102).
( 13 ) Van 7 december 2006 (BGBl I, blz. 2816). De wijziging van die wet door het Gesetz zur Änderung des Umwelt-Rechtsbehelfsgesetzes und andererer umweltrechtlicher Vorschriften (wet tot wijziging van de wet inzake rechtsmiddelen bij milieuaangelegenheden en andere milieurechtelijke bepalingen) van 21 januari 2013 (BGBl I, blz. 95) is in de onderhavige procedure niet aan de orde.
( 14 ) Zoals bekendgemaakt op 24 februari 2010 (BGBl I, blz. 94).
( 15 ) Arrest van 7 januari 2004, Wells (C-201/02, Jurispr. blz. I-723).
( 16 ) – BT-Drucks. 16/2495.
( 17 ) Arresten van 29 november 1978, Redmond (83/78, Jurispr. blz. 2347, punt 25), en 30 november 1995, Esso Española (C-134/94, Jurispr. blz. I-4223, punt 9).
( 18 ) Arrest van 16 juni 1981, Salonia (126/80, Jurispr. blz. 1563, punt 6).
( 19 ) Arrest van 16 juli 1992, Meilicke (C-83/91, Jurispr. blz. I-4871, punten 31‑34).
( 20 ) Arrest van 11 maart 1980, Foglia (104/79, Jurispr. blz. 745, punten 10‑11).
( 21 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 19 december 2012, Commissie/Italië (C‑68/11, punt 60).
( 22 ) Arrest van 19 november 1991, Francovich e.a. (C-6/90 en C-9/90, Jurispr. blz. I-5357, punt 11).
( 23 ) Zie arrest van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a. (212/80-217/80, Jurispr. blz. 2735, punt 10).
( 24 ) Arrest Meridionale Industria Salumi e.a. (aangehaald in voetnoot 23, punt 10), en conclusies van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Budějovický Budvar, arrest van 22 september 2011 (C-482/09, Jurispr. blz. I-8701, punt 106 van de conclusie), en van advocaat-generaal Kokott in de zaak Toshiba Corporation e.a., arrest van 14 februari 2012 (C‑17/10, punten 42‑46 van de conclusie).
( 25 ) Arresten van 14 april 1970, Brock (68/69, Jurispr. blz. 171, punt 7); 10 juli 1986, Licata/CES (270/84, Jurispr. blz. 2305, punt 31); 11 december 2008, Commissie/Freistaat Sachsen (C-334/07 P, Jurispr. blz. I-9465, punt 43), en 6 juli 2010, Monsanto Technology (C-428/08, Jurispr. blz. I-6765, punt 66).
( 26 ) Arrest van 18 juni 1998, Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (C-81/96, Jurispr. blz. I-3923, punt 23); arrest Wells (aangehaald in voetnoot 15, punt 43), en arrest van 15 januari 2013, Križan e.a. (C‑416/10, punt 94).
( 27 ) Aangaande de problematiek van de terugwerkende kracht, zie, naast de in de vorige voetnoten aangehaalde rechtspraak, Tridimas, T., The General Principles of EU Law, OUP, Oxford, 2e ed., 2006, blz. 252‑273.
( 28 ) Arrest Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (aangehaald in voetnoot 26, punt 24).
( 29 ) Aangaande de positie van het Verdrag van Aarhus in het Unierecht, zie arrest van 8 maart 2011, Lesoochranárske zoskupenie (C-240/09, Jurispr. blz. I-1255, punten 29‑31).
( 30 ) Cursivering van mij.
( 31 ) In de Engelse en de Franse versie staat tussen „materiële” en „formele” rechtmatigheid het voegwoord „en”, in de MEB-richtlijn daarentegen het voegwoord „of”. Deze wijziging is zuiver redactioneel.
( 32 ) Arrest Trianel (aangehaald in voetnoot 2, punt 37).
( 33 ) Zie bijvoorbeeld vonnissen van het BVerwG van 8 juni 1995, 4 C 4.94, en 13 december 2007, 4 C 9.06.
( 34 ) Zie ook conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Trianel (aangehaald in voetnoot 2, punt 34).
( 35 ) Zie Winter, G., Individualrechtsschutz im deutschen Umweltrecht unter dem Einfluss des Gemeinschaftsrechts, NVwZ, 1999, blz. 467.
( 36 ) Arrest Trianel (aangehaald in voetnoot 2, punt 60).
( 37 ) In eerste instantie is het nationale recht in het kader van de rechtspraak aangepast, zie BVerwG, arrest van 29 september 2011, 7 C 21.09. Vervolgens is de relevante wetgeving gewijzigd door het Gesetz zur Änderung des Umwelt-Rechtsbehelfsgesetzes und anderer umweltrechtlicher Vorschriften vom 21 januari 2013 (wet tot wijziging van de wet inzake rechtsmiddelen bij milieuaangelegenheden en andere milieurechtelijke bepalingen; BGBl I, blz. 95), zie BT-Drucks. 17/10957.
( 38 ) Arrest Wells (aangehaald in voetnoot 15, punt 67); arrest van 18 oktober 2011, Boxus en Roua e.a. (C-128/09-C-131/09, C-134/09 en C-135/09, Jurispr. blz. I-9711, punt 52), en arrest Trianel (aangehaald in voetnoot 2, punt 43).
( 39 ) Arrest Trianel (aangehaald in voetnoot 2, punt 38).
( 40 ) Zie punt 9 van de considerans van richtlijn 2003/35.
( 41 ) Arrest van 16 februari 2012, Solvay e.a. (C‑182/10, punt 28).
( 42 ) United Nations Economic Commission for Europe, The Aarhus Convention: An Implementation Guide, 2e ed., 2013, blz. 202‑204.
( 43 ) Conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Trianel (aangehaald in voetnoot 2, punt 44).
( 44 ) Zie bijvoorbeeld Kment, M., Europarechtswidrigkeit des § 4 I UmwRG?, NVwZ, 2012, blz. 481; Siegel, T., Zur Einklagbarkeit der Umweltverträglichkeit, DÖV, 2012, blz. 709, en Ziekow, J., Das Umwelt-Rechtsbehelfsgesetz im System des deutschen Rechtsschutzes, NVwZ, 2007, blz. 259. Daarvoor reeds fundamenteel: Calliess, C., Feinstaub im Rechtsschutz deutscher Verwaltungsgerichte, NVwZ, 2006, blz. 1; Schoch, F., „Die europäische Perspektive des Verwaltungsverfahrens- und Verwaltungsprozessrechts”, in: Schmidt-Assmann, E., en Hoffmann-Riem, W., (uitg.), Strukturen des Europäischen Verwaltungsrechts, Nomos, Baden-Baden, 1999, blz. 279, en Kokott, J., Europäisierung des Verwaltungsprozessrechts, Die Verwaltung 31, 1998, blz. 335.
( 45 ) Ebbesson, J., „Public Participation”, in: Bodansky, D., e.a. (uitg.), The Oxford Handbook of International Environmental Law, Oxford, OUP, 2007, blz. 681.
( 46 ) Clément, M., Droit Européen de l’Environnement, Brussel, Larcier, 2e ed., 2012, blz. 119.
( 47 ) Zevende en achtste overweging van de preambule van het Verdrag van Aarhus.
( 48 ) Arrest Trianel (aangehaald in voetnoot 2, punten 40 en 42).
( 49 ) De idee dat de burger toeziet op de naleving van het recht, is in het Europees recht geen zeldzaamheid. Arrest van 5 februari 1963, Van Gend & Loos (26/62, Jurispr. blz. 3). Zie Weiler, J. H. H., The Transformation of Europe, in: The Constitution of Europe, CUP, Cambridge, 1999, blz. 10 en 20.
( 50 ) Arrest Trianel (aangehaald in voetnoot 2, punt 45).
( 51 ) Zie artikel 15 van het Verdrag van Aarhus, dat met betrekking tot de toetsing van de naleving van de bepalingen ervan voorziet in de vaststelling van regelingen van niet-confronterende, niet-rechterlijke en raadplegende aard, alsmede Meeting of the Parties, Decision I/7, Review of Compliance, UN Doc. ECE/MP.PP/2/Add.8 van 2 april 2004.
( 52 ) Economic Commission for Europe, Findings and recommendations with regard to communication ACCC/C/2010/48 concerning compliance by Austria. Adopted by the Compliance Committee on 16 December 2011, UN Doc. ECE/MP.PP/C.1/2012/4 van 17 april 2012, blz. 14. Aangezien onvoldoende informatie was overgelegd, stelde het Committee geen schending vast en argumenteerde het hypothetisch.
( 53 ) Zie in dat opzicht Von Danwitz, T., Europäisches Verwaltungsrecht, Springer, Berlijn, 2008, blz. 541.
( 54 ) Arrest van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad (138/79, Jurispr. blz. 3333, punt 33).
( 55 ) Ten aanzien van de vraag hoe die gevolgen er concreet moeten uitzien, bestaan er verschillen tussen het arrest van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie (209/78-215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 47), en het arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie (C-194/99 P, Jurispr. blz. I-10821, punt 31).
Full & Egal Universal Law Academy