CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. CRUZ VILLALÓN
van 30 mei 2013 ( 1 )
Zaak C‑85/12
Société Landsbanki Islands HF
tegen
Kepler Capital Markets SA
Frédéric Giraux
[verzoek van de Cour de cassation (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Vrijheid van vestiging — Kredietinstellingen — Richtlijn 2001/24/EG — Voorwaarden voor vaststelling van maatregelen tot sanering en liquidatie van kredietinstellingen — Autoriteiten die bevoegd zijn deze maatregelen te nemen — Bijzondere wet — Gelijke behandeling — Rechterlijke bescherming — Lex fori — Lex concursus”
1.
In de context van de instorting van het financiële stelsel in IJsland tijdens de in 2008 uitgebroken internationale financiële crisis heeft het IJslandse parlement een reeks maatregelen genomen tot sanering van verschillende in dat land gevestigde financiële instellingen, en een van die maatregelen op grond van richtlijn 2001/24/EG ( 2 ) willen tegenwerpen aan twee in Frankrijk door rechterlijke instanties van die lidstaat gelaste beslagen. De Cour de cassation wenst in wezen te vernemen of die saneringsmaatregelen, hoewel zij door een wetgevende autoriteit zijn vastgesteld, onder de richtlijn vallen, waarvan het doel de wederzijdse erkenning van door administratieve of rechterlijke instanties gelaste saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures is.
2.
De onderhavige zaak is een typisch voorbeeld van de moeilijkheden die soms kunnen voortvloeien uit het gebruik door het Unierecht van bepaalde kerncategorieën van de nationale rechtsstelsels. Zoals ik hierna zal uiteenzetten, moet in die gevallen niet alleen met de vorm en de naam rekening worden gehouden, maar ook met de inhoud en in het bijzonder het doel van die categorieën in, enerzijds, het Unierecht en, anderzijds, de rechtsstelsels van de lidstaten. In het licht van dat afgestemd zijn van de nationale categorieën op de context van de Unie moeten ook de moeilijkheden worden behandeld die in casu worden veroorzaakt door de uitlegging van een richtlijn die, zoals richtlijn 2001/24, geen rekening kon houden met een financiële crisis met de kenmerken en omvang van de financiële crisis die wij nog steeds doormaken. Aan heel deze situatie ligt absoluut de vraag ten gronde of een nationale noodwetgeving als in casu aan de orde is en de beslissingen die uit hoofde ervan worden genomen, binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/24 moeten vallen. Dat is echter niet het voorwerp van de aan het Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen.
3.
Derhalve hou ik mij aan de bewoordingen van het prejudiciële verzoek en stel ik een om zo te zeggen „functionele” uitlegging van de categorieën „administratieve instantie” en „rechterlijke instantie” in de zin van richtlijn 2001/24 voor, zodat, onder bepaalde voorwaarden, onder de verwijzing naar die instanties ook de „wetgevende instantie” kan vallen. Met andere woorden, het gebruik van de nationale wetgevingsbevoegdheid om de in de richtlijn bedoelde maatregelen vast te stellen, leidt niet ertoe dat die maatregelen van de werkingssfeer van die richtlijn worden uitgesloten.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
4.
Bij richtlijn 2001/24 zijn de regels voor de wederzijdse erkenning van saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures voor kredietinstellingen vastgesteld. Voor de onderhavige zaak zijn enkele punten van de considerans ervan relevant:
„(6)
De administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, dienen als enige bevoegd te zijn tot het vaststellen en uitvoeren van saneringsmaatregelen overeenkomstig de in deze lidstaat geldende wetgeving en praktijken. Aangezien het onbegonnen werk is de in de lidstaten geldende wetgevingen en praktijken te harmoniseren, is het dienstig over te gaan tot wederzijdse erkenning door de lidstaten van de maatregelen die elke lidstaat treft om kredietinstellingen waaraan hij vergunning heeft verleend weer levensvatbaar te maken.
(7)
Gewaarborgd moet worden dat de door de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst vastgestelde maatregelen voor de sanering van kredietinstellingen, alsmede de maatregelen, vastgesteld door de personen of organen die door deze bevoegde instanties zijn aangewezen om het beheer over deze saneringsmaatregelen te voeren, in alle lidstaten rechtswerking hebben, met inbegrip van de maatregelen die opschorting van de betalingen, opschorting van executie of verlaging van de schuldvorderingen kunnen behelzen, alsmede elke andere maatregel die de reeds bestaande rechten van derden kan aantasten.
[...]
(12)
Het beginsel van gelijke behandeling van de schuldeisers met betrekking tot hun toegang tot rechtsmiddelen vergt dat de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst het nodige doen om de schuldeisers van de lidstaat van ontvangst in staat te stellen die rechtsmiddelen binnen de daarvoor gestelde termijn in te stellen.
[...]
(16)
De gelijke behandeling van de schuldeisers vereist dat de liquidatie van de kredietinstelling plaatsvindt overeenkomstig de beginselen van eenheid en universaliteit, die de exclusieve bevoegdheid veronderstellen van de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst, alsmede de erkenning van hun beslissingen, die in de overige lidstaten zonder verdere formaliteiten de daaraan bij het recht van de lidstaat van herkomst toegekende rechtsgevolgen moeten kunnen sorteren, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.
[...]
(20)
Individuele kennisgeving aan de bekende schuldeisers is even essentieel als bekendmaking om hen zo nodig in staat te stellen hun vorderingen of opmerkingen betreffende hun vorderingen binnen de desbetreffende termijnen in te dienen. Zulks mag er niet toe leiden dat schuldeisers met woonplaats in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst op grond van hun woonplaats of de aard van hun vorderingen worden gediscrimineerd. De schuldeisers moeten gedurende de liquidatieprocedure op gezette tijden op passende wijze op de hoogte worden gehouden.
[...]
(23)
Hoewel er dient te worden vastgehouden aan het beginsel dat het recht van de lidstaat van herkomst bepalend is voor alle procesrechtelijke en materieelrechtelijke gevolgen van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures, dient te worden bedacht dat die gevolgen strijdig kunnen zijn met de regels die normaliter in het kader van de economische en financiële werkzaamheden van de kredietinstelling en haar bijkantoren in andere lidstaten van toepassing zijn. Verwijzing naar het recht van een andere lidstaat betekent in sommige gevallen een noodzakelijke nuancering van het beginsel van toepassing van het recht van de lidstaat van herkomst.
[...]
(30)
Bij wijze van uitzondering op de toepassing van de lex concursus worden de gevolgen van de saneringsmaatregelen of de liquidatieprocedures voor een aanhangig rechtsgeding beheerst door het recht van de lidstaat waar dat geding aanhangig is. De gevolgen van die maatregelen of procedures voor de afzonderlijke executiemaatregelen die uit deze rechtsvorderingen voortkomen, worden beheerst door de wetgeving van de lidstaat van herkomst, overeenkomstig de algemene regel van de richtlijn.”
5.
Artikel 2 van richtlijn 2001/24 bevat, voor zover in casu van belang, verschillende definities:
„[...]
‚administratieve of rechterlijke instanties’: de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaten die bevoegd zijn ter zake van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures;
‚saneringsmaatregelen’: maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen, en die van dien aard zijn dat zij de bestaande rechten van derden kunnen aantasten, met inbegrip van maatregelen die opschorting van de betaling, opschorting van executiemaatregelen of verlaging van de schuldvorderingen mogelijk maken;
[...]
‚liquidatieprocedure’: een collectieve procedure, die door een administratieve of rechterlijke instantie van een lidstaat wordt ingeleid en gecontroleerd, teneinde de activa onder toezicht van deze instanties te gelde te maken, ook wanneer deze procedure wordt afgesloten met een gerechtelijk akkoord of vergelijkbare maatregel;
[...]”
6.
Artikel 3 van richtlijn 2001/24, getiteld „Vaststelling van saneringsmaatregelen – toepasselijk recht”, luidt:
„1. Alleen de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst zijn bevoegd te beslissen om ten aanzien van een kredietinstelling, met inbegrip van haar in andere lidstaten gevestigde bijkantoren, een of meer saneringsmaatregelen ten uitvoer te leggen.
2. De saneringsmaatregelen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de procedures van de lidstaat van herkomst, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.
Deze maatregelen hebben overeenkomstig de wetgeving van deze lidstaat en zonder verdere formaliteiten volledige rechtswerking in de gehele Gemeenschap, ook jegens derden in de andere lidstaten en zelfs indien de op dezen toepasselijke voorschriften van de lidstaat van ontvangst niet in dergelijke maatregelen voorzien of de tenuitvoerlegging daarvan afhankelijk stellen van voorwaarden die niet zijn vervuld.
Saneringsmaatregelen hebben rechtswerking in de gehele Gemeenschap zodra zij die hebben in de lidstaat waar zij worden getroffen.”
7.
Artikel 9 van de genoemde richtlijn, getiteld „Opening van een liquidatieprocedure – kennisgeving aan andere bevoegde autoriteiten”, bepaalt in lid 1:
„Alleen de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst die verantwoordelijk zijn voor de liquidatie zijn bevoegd te beslissen om ten aanzien van een kredietinstelling, met inbegrip van haar in andere lidstaten gevestigde bijkantoren, een liquidatieprocedure te openen.
Een beslissing tot opening van een liquidatieprocedure door de administratieve of rechterlijke instantie van de lidstaat van herkomst wordt op het grondgebied van alle andere lidstaten zonder verdere formaliteiten erkend en heeft aldaar rechtswerking zodra zij rechtswerking heeft in de lidstaat waar de procedure wordt geopend.”
8.
Artikel 10 van richtlijn 2001/24, getiteld „Toepasselijk recht”, bepaalt:
„1. De kredietinstelling wordt geliquideerd overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de procedures van de lidstaat van herkomst, tenzij in deze richtlijn anders is bepaald.
2. Het recht van de lidstaat van herkomst bepaalt in het bijzonder:
[...]
e)
de gevolgen van de liquidatieprocedure voor individuele vervolgingen, met uitzondering van aanhangige rechtsgedingen als bepaald in artikel 32;
[...]
l)
de regels betreffende nietigheid, vernietigbaarheid of niet-tegenwerpbaarheid van de voor het geheel van de schuldeisers nadelige rechtshandelingen.”
9.
Volgens artikel 32 van de richtlijn worden „[d]e gevolgen van saneringsmaatregelen of liquidatieprocedures voor een aanhangig rechtsgeding betreffende een goed of recht waarover de kredietinstelling het beheer en de beschikking heeft verloren, [...] uitsluitend beheerst door het recht van de lidstaat waar het rechtsgeding aanhangig is”.
10.
Ingevolge artikel 6, lid 1, en de artikelen 7, 13 en 14 van richtlijn 2001/24 moeten beschikkingen waarbij de vaststelling van een saneringsmaatregel of de opening van een liquidatieprocedure wordt gelast, worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en ter kennis worden gebracht van de bekende schuldeisers van de betrokken instelling die in andere lidstaten woonachtig of gevestigd zijn.
B – IJslands recht
11.
De algemene faillissementsregeling wordt in IJsland geregeld door wet 21/91 van 26 maart 1991, die in artikel 138 bepaalt dat in geval van een gerechtelijke faillietverklaring het beslag op de goederen van de gefailleerde automatisch wordt opgeheven, op voorwaarde dat de betrokken goederen deel uitmaken van de faillissementsboedel. Dezelfde bepaling geldt indien in de zes maanden vóór de datum van faillietverklaring een pand is gevestigd, alsmede in geval van beslagen en executies op verzoek van een familielid van de gefailleerde tussen zes en vierentwintig maanden vóór de faillietverklaring, tenzij het familielid voor de rechter aantoont dat de gefailleerde, ondanks de betrokken maatregel, op die datum solvent was.
12.
Richtlijn 2001/24 is omgezet bij wet 161/2002 van 20 december 2002 betreffende financiële instellingen.
13.
De eerste wetgevende maatregel na het uitbreken van de banken- en financiële crisis in IJsland was blijkbaar wet 125/2008 van 6 oktober 2008 inzake betalingen van de schatkist wegens buitengewone omstandigheden, waarbij de IJslandse financiële toezichtsautoriteit (hierna: „FME”) werd gemachtigd in te grijpen in de activiteiten van financiële instellingen met maatregelen als de uitoefening van de bevoegdheden van de algemene aandeelhoudersvergadering, het ontslag van de raad van bestuur en het op zich nemen van de werkzaamheden van de instelling of de aanstelling van een interim-bestuur.
14.
Een maand later verbood wet 129/2008 van 13 november 2008, waarbij artikel 98 van wet 161/2002 werd gewijzigd, om rechtsvorderingen in te stellen tegen financiële instellingen waaraan „uitstel van betaling” was verleend, en gelastte de aanhangige procedures op te schorten, voor zover in de wet niet anders was bepaald of een strafbaar feit was gepleegd.
15.
Enkele maanden later is bij de door de verwijzende rechter in zijn eerste vraag uitdrukkelijk vermelde wet 44/2009 van 15 april 2009 een reeks overgangsbepalingen ingevoerd op grond waarvan de bepalingen van wet 161/2002 inzake de liquidatie van financiële instellingen van toepassing waren op instellingen waaraan „uitstel van betaling” was verleend op de datum van inwerkingtreding van wet 44/2009. Die toepassing moet volgens wet 44/2009 gebeuren „alsof de liquidatie van die instelling bij de inwerkingtreding van de wet door een rechter was gelast”.
16.
Tegelijkertijd is bij wet 44/2009 het bij wet 129/2008 ingevoerde verbod opgeheven.
17.
Volgens lid II.2 van de betrokken overgangsbepalingen werden instellingen waaraan „uitstel van betaling” werd verleend automatisch geacht in liquidatie te zijn, zonder een specifieke rechterlijke beslissing.
18.
Voor zover relevant in de onderhavige procedure, is wet 161/2002 uiteindelijk opnieuw gewijzigd bij wet 132/2010 van 16 november 2010, in de zin dat de liquidatieprocedure voortaan niet automatisch zou worden ingesteld na afloop van het „uitstel van betaling”, maar de liquidatie slechts gegrond zou zijn indien het interim-bestuur en de liquidatieraad de rechterlijke instantie daarom gezamenlijk verzochten vóór de afloop van het „uitstel van betaling”.
II – Feiten
19.
De vennootschap Landsbanki Islands HF (hierna: „Landsbanki”) is een IJslandse kredietinstelling waaronder op 10 november 2008 in Frankrijk twee conservatoire beslagen zijn gelegd op verzoek van een in die lidstaat wonende schuldeiser, F. Giraux.
20.
Landsbanki heeft die beslagen bij de Franse rechter aangevochten met een beroep op de door de IJslandse autoriteiten eerder genomen sanerings- en liquidatiemaatregelen. ( 3 )
21.
Aldus heeft Landsbanki in de eerste plaats voor het Tribunal de grande instance de Paris betoogd dat de in IJsland gelaste maatregelen aan haar Franse schuldeiser konden worden tegengeworpen, en dat overeenkomstig de IJslandse wettelijke regeling (wet 44/2009 en wet 21/1991) alle sinds 15 mei 2008 genomen executiemaatregelen nietig waren.
22.
Bij vonnis van 25 juni 2009 heeft het Tribunal de grande instance de vordering van Landsbanki afgewezen. Het Tribunal heeft geoordeeld dat de uit de IJslandse wet 44/2009 voortvloeiende sanerings- en liquidatiemaatregelen niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/24 vielen, zodat zij niet van toepassing waren in Frankrijk, en derhalve de op verzoek van Giraux gelegde conservatoire beslagen niet moesten worden opgeheven.
23.
Het vonnis van het Tribunal de grande instance is op 4 november 2010 bevestigd door de Cour d’appel de Paris. Deze rechter heeft geoordeeld dat de toepassing van de IJslandse regeling niet de door Landsbanki aangevoerde nietigheid van de executiemaatregelen impliceerde, en voorts dat, ook al waren de executiemaatregelen nietig, de aan die nietigheid ten grondslag liggende wettelijke bepalingen geen door „de administratieve en rechterlijke instanties” in de zin van richtlijn 2001/24 vastgestelde sanerings- en liquidatiemaatregelen waren.
24.
De Cour d’appel preciseerde dat de IJslandse bepaling die verbood om rechtsvorderingen in te stellen tegen kredietinstellingen waaraan uitstel van betaling was verleend (wet 161/2002), op 15 april 2009 bij wet 44/2009 was ingetrokken.
25.
In het kader van een cassatieberoep stelt de Cour de cassation de onderhavige prejudiciële vragen.
III – Prejudiciële vragen
26.
De prejudiciële vragen luiden als volgt:
„1) Moeten de artikelen 3 en 9 van richtlijn 2001/24/EG betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen aldus worden uitgelegd dat maatregelen tot sanering of liquidatie van een financiële instelling, zoals de maatregelen die voortvloeien uit de IJslandse wet 44/2009 van 15 april 2009, moeten worden beschouwd als door een administratieve of rechterlijke instantie vastgestelde maatregelen in de zin van deze artikelen?
2) Moet artikel 32 van richtlijn 2001/24 aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale bepaling, zoals artikel 98 van de IJslandse wet [161/2002] van 20 december 2002, dat elke rechtsvordering tegen een financiële instelling verbood of opschortte zodra een uitstel van betaling van kracht was, gevolgen sorteert ten aanzien van conservatoire maatregelen die in een andere lidstaat zijn vastgesteld vóór het verlenen van uitstel van betaling?”
27.
De Cour de cassation herinnert eraan dat volgens richtlijn 2001/24 alleen de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst bevoegd zijn om te beslissen tot toepassing van sanerings- of liquidatiemaatregelen op een kredietinstelling, met inbegrip van haar bijkantoren in andere lidstaten.
IV – Procesverloop voor het Hof
28.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is bij de griffie van het Hof ingekomen op 20 februari 2012.
29.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoeksters in het hoofdgeding, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (hierna: „EVA”), de Franse, de IJslandse en de Portugese regering, alsmede de Commissie.
30.
Ter terechtzitting van 7 maart 2013 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoeksters in het hoofdgeding, de EVA, de Franse regering en de Commissie.
V – Argumenten
A – Eerste prejudiciële vraag
31.
Landsbanki betoogt dat de in haar overgangsbepalingen specifiek vastgestelde liquidatieprocedure een rechtsgevolg is dat door wet 44/2009 is verbonden aan de rechterlijke beslissing waarbij uitstel van betaling wordt verleend, in casu de beslissing van de rechtbank te Reykjavik van 5 december 2008. Derhalve moeten de in IJsland opgelegde sanerings‑ en liquidatiemaatregelen worden geacht te zijn gelast door de bevoegde administratieve en rechterlijke instanties in de zin van richtlijn 2001/24, zodat zij in Frankrijk moeten worden erkend. Anders zou afbreuk worden gedaan aan de bescherming en de gelijke behandeling van de schuldeisers. Voorts is zij van mening dat doorslaggevend moet zijn dat de door de IJslandse wetgever genomen maatregelen niet wezenlijk verschillen van een administratieve of rechterlijke handeling, aangezien zij betrekking hebben op bijzondere situaties en belangen en voorts, net als administratieve en rechterlijke handelingen, vatbaar zijn voor beroep. De Franse regering onderschrijft deze laatste twee opmerkingen.
32.
Giraux voert aan dat sanerings- en/of liquidatiemaatregelen alleen door administratieve of rechterlijke instanties kunnen worden gelast, aangezien het feit dat een wettelijke bepaling niet vatbaar is voor beroep betekent dat alleen administratieve en rechterlijke beslissingen schuldeisers kunnen verzekeren dat de maatregelen in het licht van de bijzondere financiële positie van elk geval worden genomen en vatbaar zijn voor beroep. Voorts benadrukt Giraux dat de richtlijn een heel duidelijk onderscheid maakt tussen saneringsmaatregelen en liquidatieprocedures, die beide aan een eigen regeling zijn onderworpen die is aangepast aan hun respectieve doeleinden. Daarom vereisen beide een autonome administratieve of rechterlijke beslissing, waarbij volgens richtlijn 2001/24 de vaststelling van een saneringsmaatregel niet de gevolgen van een liquidatieprocedure kan hebben.
33.
De Franse, de IJslandse en de Portugese regering stellen dat de artikelen 2, 3 en 9 van de richtlijn geacht moeten worden van toepassing te zijn op de uit wet 44/2009 voortvloeiende maatregelen. Volgens hen kan alleen zo de doelstelling van de richtlijn, de wederzijdse en automatische erkenning van door de autoriteiten van een lidstaat vastgestelde sanerings- en liquidatiemaatregelen, worden verwezenlijkt.
34.
De Franse regering wijst erop dat het tegenstrijdig zou zijn om de erkenning van de uit wet 44/2009 voortvloeiende maatregelen te weigeren, maar de administratieve of rechterlijke beslissingen waarbij diezelfde maatregelen worden toegepast wel te erkennen. De Franse regering voert aan dat de artikelen 3, lid 1, en 9, lid 1, van de richtlijn niet zozeer tot doel hebben te verplichten dat de maatregelen door een administratieve of rechterlijke instantie worden genomen, als wel te verzekeren dat die maatregelen alleen door de autoriteiten van de lidstaat van herkomst, met uitsluiting van andere lidstaten, kunnen worden gelast. Volgens de Portugese regering moet de wettelijke regeling die alle gevolgen van de vaststelling van saneringsmaatregelen bepaalt, administratieve of rechterlijke maatregelen bevatten.
35.
De Commissie voert aan dat, aangezien de nationale insolventieregels niet zijn geharmoniseerd, richtlijn 2001/24 enkel de wederzijdse erkenning vastlegt van maatregelen die worden genomen om de levensvatbaarheid van de kredietinstellingen mogelijk te maken. Bijgevolg staat het aan de staat van herkomst om, met inachtneming van de in de richtlijn vastgestelde minimumcriteria, de instanties aan te wijzen die bevoegd zijn voor de vaststelling van die maatregelen. Die vrijheid mag niet worden beperkt door de constitutionele en rechtscultuur van elke lidstaat en de betekenis die de begrippen administratieve handeling en wetgevingshandeling telkens kunnen hebben.
36.
De Commissie is van mening dat niet doorslaggevend is of de betrokken maatregel door een parlement dan wel door een rechter is genomen. Volgens de richtlijn is van belang dat de maatregelen hun rechtvaardiging vinden in de financiële positie van een bepaalde instelling, zodat algemene maatregelen die zonder onderscheid en onpersoonlijk van toepassing zijn op de gehele financiële sector, niet onder de richtlijn vallen. Volgens haar moet in casu een onderscheid worden gemaakt tussen de bepalingen van wet 161/2002, in de op de feiten toepasselijke versie, die wegens hun algemene en onpersoonlijke aard niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/24 kunnen vallen, en de beslissingen die door de FME en de lokale rechtbank te Reykjavik zijn vastgesteld in de uitoefening van de hun door wet 161/2002 toegekende bevoegdheden. Volgens de Commissie kunnen laatstgenoemde beslissingen, die op grond van die wet zijn vastgesteld, duidelijk aan een administratieve of rechterlijke instantie in de zin van richtlijn 2001/24 worden toegerekend.
37.
De EVA voert aan dat in casu alle maatregelen door de FME of de bevoegde rechterlijke instantie zijn genomen. Het stelsel van „automatische” opening van een liquidatieprocedure, dat is ingesteld bij wet 44/2009 en later is ingetrokken bij wet 132/2010, is volgens haar niet toegepast.
B – Tweede prejudiciële vraag
38.
Landsbanki stelt dat artikel 32 van richtlijn 2001/24 zich niet verzet tegen de toepassing van artikel 98 van wet 161/2002, op grond waarvan het uitstel van betaling is verleend dat zich ertegen verzet dat de in Frankrijk gelaste beslagen effect sorteren. Landsbanki is van mening dat het begrip „aanhangig rechtsgeding” in artikel 32 alleen op gerechtelijke bodemprocedures betrekking heeft. Voorts wordt volgens haar in punt 30 van de considerans van de richtlijn erkend dat de wettelijke regeling van de lidstaat van herkomst de gevolgen bepaalt van maatregelen zoals uitstel van betaling „voor de afzonderlijke executiemaatregelen”, die voortvloeien uit aanhangige gedingen, waarbij het geen twijfel lijdt dat een beslag een dergelijke maatregel is.
39.
Giraux is van mening dat de vraag niet‑ontvankelijk is, omdat artikel 98 van wet 161/2002 niet van toepassing is op het onderhavige geval. Aangezien dat artikel er enkel aan in de weg staat dat rechtsvorderingen worden ingesteld tegen een instelling waaraan uitstel van betaling is verleend, is het niet van toepassing op een beslag dat dateert van vóór dat uitstel van betaling. Voorts voert hij aan dat het artikel ongrondwettig is verklaard en is vervangen bij wet 44/2009.
40.
De Franse en de IJslandse regering, de Commissie en de EVA betogen dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen „aanhangige rechtsgedingen”, die onder het recht van de staat vallen waarin zij zijn ingeleid (lex fori), en „afzonderlijke maatregelen”, die onder het recht van de staat van herkomst (lex concursus) vallen. Dit volgt uit de uitlegging van artikel 32 van richtlijn 2001/24 in het licht van punt 30 van de considerans en artikel 10, lid 2, sub e, van dezelfde richtlijn. Artikel 32 heeft enkel op bodemprocedures betrekking en niet op bijkomende executiemaatregelen. Beslagen zijn, gelet op de doelstellingen van de richtlijn (in het bijzonder de universaliteit en de gelijkheid van schuldeisers), afzonderlijke maatregelen die onder het recht van de staat van herkomst vallen.
41.
De Commissie voert in het bijzonder aan dat executiemaatregelen, waaronder beslagen die langdurige gevolgen hebben, aan het recht van de staat van herkomst moeten worden onderworpen vanaf de datum waarop sanerings- en liquidatiemaatregelen worden genomen, ook indien de executiemaatregelen vóór die datum zijn vastgesteld. Sanerings- en liquidatiemaatregelen hebben terugwerkende kracht voor executiemaatregelen wanneer daarin wordt voorzien in het in de staat van herkomst geldende recht.
42.
Meer in het algemeen stelt de Commissie dat richtlijn 2001/24 niet tot gevolg heeft dat alle in andere lidstaten genomen maatregelen met betrekking tot een instelling automatisch worden verboden of opgeschort zodra die instelling in een andere lidstaat aan sanerings- of liquidatiemaatregelen wordt onderworpen. Weliswaar kan alleen laatstgenoemde lidstaat sanerings- of liquidatiemaatregelen vaststellen ten aanzien van een op zijn grondgebied gevestigde instelling (maatregelen die slechts doeltreffend kunnen zijn indien zij in alle lidstaten gevolgen kunnen sorteren), maar niets in de richtlijn verzet zich ertegen dat de overige lidstaten maatregelen vaststellen of procedures instellen van andere aard, zoals vorderingen wegens contractuele aansprakelijkheid of strafvorderingen.
VI – Beoordeling
43.
De Cour de cassation stelt twee vragen waarvan de complexiteit sterk verschilt. Dat blijkt uit het feit dat de discussie tussen de deelnemers aan deze procedure zich heeft toegespitst op de eerste vraag, aangezien nagenoeg alle deelnemers het eens zijn over het antwoord dat op de tweede vraag moet worden gegeven.
44.
Ik zal het Hof weliswaar ook een antwoord op de tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter in overweging geven, maar ik zal mij vooral op de eerste vraag concentreren. Bovendien zal ik trachten mij hierbij strikt te beperken tot het voorwerp van de vraag.
A – Eerste vraag
1. Afbakening van het voorwerp ervan
45.
De eerste vraag kan zeer eenvoudig worden geformuleerd: kan een parlement, in het bijzonder via de wetgevingsprocedure, de maatregelen vaststellen die richtlijn 2001/24 steevast aan de nationale „administratieve of rechterlijke instanties” van de lidstaat van herkomst toevertrouwt? De Cour de cassation noemt de wetgevingsmaatregelen waarop haar vraag betrekking heeft niet op uitputtende wijze, maar verwijst op algemene wijze naar „sanerings- of liquidatiemaatregelen van een financiële instelling [...] zoals deze die uit de IJslandse wet 44/2009 van 15 april 2009 voortvloeien”.
46.
Niettemin volgt uit zowel de verwijzingsbeslissing als het debat tussen partijen dat de maatregelen van wet 44/2009 die hier van belang zijn, voornamelijk de overgangsbepalingen zijn op grond waarvan de instellingen waaraan op de datum van inwerkingtreding van wet 44/2009 uitstel van betaling was verleend – zoals in casu op 5 december 2008 aan Landsbanki – automatisch worden geacht zich in een liquidatieprocedure te bevinden, zonder dat hiertoe een rechterlijke beslissing is vereist.
47.
Die concrete wettelijke bepaling heeft volgens Landsbanki tot gevolg dat de IJslandse regeling inzake liquidatieprocedures van toepassing is op het onderhavige geval, en in het bijzonder dat het beslag op haar goederen wordt opgeheven. De vraag of dat al dan niet het gevolg van die maatregel moet zijn, behoeft echter niet in de onderhavige procedure te worden beantwoord.
48.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt immers dat de uitlegging van het in het hoofdgeding relevante IJslandse recht tussen partijen in geschil is, zodat de Cour de cassation in het hoofdgeding uitspraak moet doen over het oordeel van de Cour d’appel dat niet is aangetoond dat artikel 138 van wet 21/91, die de algemene faillissementsregeling bevat, van toepassing is op Landsbanki, wat tot gevolg zou hebben dat de beslagen op haar goederen worden opgeheven.
49.
Niettemin was het doorslaggevende argument voor de beslissing van de Cour d’appel niet dat niet was aangetoond dat de door Landsbanki aangevoerde IJslandse regeling van toepassing was – welke vraag zoals gezegd nog open is –, maar wel het feit dat die regeling hoe dan ook niet in een administratieve of rechterlijke beslissing in de zin van de richtlijn, maar in een bepaling met rang van wet was neergelegd, en derhalve niet onder richtlijn 2001/24 viel, zodat de vraag of wet 21/91 van toepassing is op het onderhavige geval irrelevant is.
50.
Het betreft derhalve een voorafgaande vraag, van de beantwoording waarvan afhangt of de verwijzende rechter al dan niet op het probleem van de vaststelling van het in het hoofdgeding relevante en toepasselijke IJslandse recht ten gronde moet ingaan. De reden hiervoor is natuurlijk dat, indien het Hof zou concluderen dat de maatregelen van wet 44/2009 niet kunnen worden gelijkgesteld met de in richtlijn 2001/24 bedoelde administratieve of rechterlijke beslissingen, Landsbanki’s vordering voor de Franse rechter – namelijk tot erkenning in Frankrijk van de gevolgen van die maatregelen – niet zou voldoen aan de noodzakelijke voorwaarde om rechtens gegrond te zijn, aangezien deze lidstaat die gevolgen slechts moet erkennen indien de betrokken maatregelen binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen.
51.
Ten slotte moet worden gepreciseerd dat mijns inziens in casu evenmin van belang is dat de districtsrechtbank te Reykjavik bij vonnis van 22 november 2010 tegen Landsbanki een liquidatieprocedure heeft ingeleid. Dat vonnis valt als rechterlijke beslissing natuurlijk binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/24, zodat de vraag over de in wet 44/2009 bedoelde automatische liquidatie derhalve hypothetisch zou zijn.
52.
Het is echter een feit dat Landsbanki zich reeds in een liquidatieprocedure bevond sinds op 29 april 2009 – dat wil zeggen enkele dagen na de inwerkingtreding van wet 44/2009 – door een rechterlijke instantie een liquidatieraad was benoemd. Door die benoeming heeft de in wet 44/2009 bedoelde automatische liquidatie in zekere zin van meet af aan gevolgen gehad voor Landsbanki, waardoor die instelling zich voor de Franse rechter op de IJslandse faillissementswetgeving kon beroepen om het beslag op haar goederen te doen opheffen. In feite heeft de districtsrechtbank te Reykjavik bij vonnis van 22 november 2010 de procedure tot liquidatie van Landsbanki niet echt ingeleid, maar, zoals in punt 5 ervan wordt gesteld, heeft zij beslist om de overeenkomstig wet 44/2009 reeds ingeleide procedure voort te zetten. Die beslissing was noodzakelijk aangezien de automatische liquidatie net was opgeheven bij wet 132/10, die vijf dagen voor die beslissing van de districtsrechtbank in werking was getreden.
53.
Kort samengevat zal ik hieronder de vragen beantwoorden die specifiek over wet 44/2009 gaan.
2. Onderzoek van de vraag ten gronde
54.
Hieronder deel ik mijn betoog in door de premisse en de twee voorwaarden die mijns inziens kunnen rechtvaardigen dat bepaalde wetgevingsmaatregelen binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/24 worden gebracht, in drie punten uiteen te zetten.
a) „Saneringsmaatregelen” vallen niet buiten de werkingssfeer van richtlijn 2001/24 op de enkele grond dat zij door de nationale wetgever zijn vastgesteld
55.
Om meteen over te gaan tot de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag van de Cour de cassation, kan als uitgangspunt worden vastgesteld dat, gelet op de formulering van de artikelen 3, lid 1, en 9, lid 1, van richtlijn 2001/24, „wetgevende autoriteiten” geenszins onder die bepalingen kunnen vallen, aangezien enkel „administratieve of rechterlijke instanties” uitdrukkelijk worden genoemd, en wel als „alleen bevoegd” voor de vaststelling van die maatregelen. ( 4 ) Niettemin zou een dergelijke uitlegging mijns inziens niet alleen met de geest en het doel, maar vooral met de opzet zelf van richtlijn 2001/24 in strijd zijn. ( 5 )
56.
Uit de tekst van die bepalingen als geheel blijkt dat in die bepalingen, eerder dan de identiteit van de concrete instanties die bevoegd zijn om de in richtlijn 2001/24 bedoelde saneringsmaatregelen vast te stellen, doorslaggevend is dat die instanties tot de lidstaat „van herkomst” in de zin van de richtlijn behoren. In die bepalingen lijken mij de aard van de betrokken maatregelen en de centrale plaats ervan in de opzet van de richtlijn evenzeer doorslaggevend.
57.
De gehele richtlijn 2001/24 beoogt immers „wederzijdse erkenning door de lidstaten van de maatregelen die elke lidstaat treft om kredietinstellingen waaraan hij vergunning heeft verleend weer levensvatbaar te maken” ( 6 ), door te waarborgen dat zij „in alle lidstaten rechtswerking hebben”. ( 7 )
58.
Voorts zijn „saneringsmaatregelen” volgens artikel 2 van de richtlijn maatregelen „die bestemd zijn om de financiële positie van een kredietinstelling in stand te houden of te herstellen”. ( 8 ) Het gaat dus om concrete en bijzondere maatregelen met betrekking tot individuele kredietinstellingen, die derhalve niet bedoeld zijn om op alle kredietinstellingen te worden toegepast of de financiële sector wettelijk te regelen. Dit wordt bevestigd door de formulering van de artikelen 3 en 9 van de richtlijn, die telkens maatregelen met betrekking tot „een kredietinstelling” betreffen.
59.
De individuele of bijzondere aard van de saneringsmaatregelen wat de adressaten ervan betreft, leidt zonder twijfel spontaan tot de gedachte dat de administratieve of rechterlijke instanties bevoegd zijn voor de vaststelling ervan. Ondanks alle verschillen die kunnen bestaan tussen de grondwettelijke structuren van de lidstaten, is het een beginsel dat de grondwettelijke tradities gemeen hebben dat een wet per definitie een regeling van algemene en abstracte aard is, in tegenstelling tot de bijzondere en concrete aard van administratieve en rechterlijke beslissingen als handelingen ter uitvoering van, juist, de algemene bepalingen van de wet. Dienaangaande blijkt uit de tekst van de richtlijn in haar geheel duidelijk het belang dat aan het wettigheidsbeginsel wordt gehecht.
60.
Onverminderd het voorgaande blijkt uit een vergelijkend onderzoek van de nationale constitutionele stelsels dat in sommige van die stelsels af en toe sprake is van zogenoemde „bijzondere wetten”, dat wil zeggen wetten die wegens de inhoud of adressaten ervan individueel of bijzonder zijn. ( 9 ) Voor zover dat soort wetten in de rechtsstelsels van de lidstaten zijn toegestaan ( 10 ), staat uit het oogpunt van het Unierecht in principe niets eraan in de weg dat zij als regelgevende instrumenten voor de uitoefening van het nationale openbaar gezag worden gebruikt. Zoals wij zullen zien, gelden in het concrete geval van richtlijn 2001/24 echter bepaalde voorwaarden.
61.
Hoe dan ook komen de herhaalde verwijzingen in de richtlijn naar administratieve of rechterlijke instanties mijns inziens in wezen overeen met de onbetwistbare premisse dat dit doorgaans de instanties zijn die bevoegd zijn voor de vaststelling van de saneringsmaatregelen waarvan de richtlijn de erkenning door de lidstaten beoogt. Ik ben daarentegen van mening dat die verwijzingen niet mogen worden begrepen als uiting van een uitdrukkelijke wil om de „wetgevende autoriteit” van de lidstaat in ieder geval uit te sluiten van de nationale instanties die bevoegd zijn voor de vaststelling van de maatregelen waarvan de richtlijn de algemene erkenning beoogt.
62.
Mijn tussenconclusie is dat de door de IJslandse wetgever in de onderhavige context vastgestelde maatregelen, in het bijzonder de maatregelen van wet 44/2009, onder voorbehoud van het onderstaande, niet buiten de werkingssfeer van richtlijn 2001/24 vallen op de enkele grond dat zij bij wettelijke bepalingen zijn vastgesteld.
b) Door de wetgever vastgestelde maatregelen vallen echter slechts binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/24, indien zij daadwerkelijk dergelijke maatregelen zijn
63.
Om te beginnen kan de wetgevende autoriteit mijns inziens slechts worden geacht niet onder richtlijn 2001/24 te vallen, voor zover zij algemene en abstracte maatregelen neemt, dat wil zeggen bepalingen die niet overeenkomen met het begrip „saneringsmaatregelen” van richtlijn 2001/24. Indien de wetgevende autoriteit naar nationaal recht daarentegen ook maatregelen kan nemen die, omdat zij individueel en concreet zijn, onder het in richtlijn 2001/24 bedoelde begrip vallen, staat volgens mij niets eraan in de weg dat die maatregelen worden gelijkgesteld met maatregelen van administratieve of rechterlijke instanties, en derhalve in aanmerking komen voor de door de richtlijn in heel de Unie gewaarborgde erkenning van door een lidstaat vastgestelde saneringsmaatregelen.
64.
In principe vertoont wet 44/2009 alle kenmerken van een wet in de formele en traditionele zin van het woord. Zij wijzigt immers een dergelijke wet, namelijk wet 161/2002 betreffende financiële instellingen. Niettemin ziet wet 44/2009 op grond van haar overgangsbepalingen specifiek op financiële instellingen waaraan uitstel van betaling is verleend. Bij de inwerkingtreding ervan in april 2009 bevond Landsbanki zich in die situatie ingevolge een rechterlijke beslissing van 5 december 2008. Zoals de IJslandse regering betoogt ( 11 ), bevonden vier andere financiële instellingen zich ook in die situatie.
65.
In de context van de in 2008 in IJsland begonnen financiële crisis kon de IJslandse wetgever niet onwetend zijn van de bijzondere situatie van Landsbanki. Juist de situatie van onder meer die financiële instelling ligt aan de basis van alle wetgevingsmaatregelen die met spoed zijn getroffen vanaf 6 oktober 2008, de datum van wet 125/2008, die de FME toestond om bepaalde maatregelen te nemen. ( 12 ) Het gaat hier dus om een pakket wetgevingsmaatregelen die alleen al wegens hun inhoud op het eerste gezicht van toepassing zijn op een zeer beperkte en gemakkelijk herkenbare groep individuele adressaten.
66.
Voorts mag niet buiten beschouwing worden gelaten dat de voor de sanering van Landsbanki noodzakelijke maatregelen mogelijk moesten worden vastgesteld bij voorschriften met kracht van wet, die derhalve buiten de bevoegdheid van de administratieve en rechterlijke instanties vallen. Dienaangaande moet, zoals ik aan het begin van deze conclusie heb gezegd, rekening worden gehouden met de ernst van de crisis waaraan de IJslandse autoriteiten het hoofd wilden bieden. De nationale autoriteiten waren van mening dat de financiële crisis door de omvang en de draagwijdte ervan, alleen kon worden bestreden door maatregelen vast te stellen tot verbetering van het wettelijke kader door af te wijken van een aantal bepalingen van de algemene regeling inzake financiële instellingen. Voor zover van belang, zijn die maatregelen – blijkens de opeenvolgende wijzigingen in de onderhavige context – bijzondere en voorlopige maatregelen, die dus niet bedoeld zijn om op algemene wijze of blijvend te worden toegepast.
67.
Wanneer de saneringsmaatregelen die noodzakelijk zijn om de positie van een financiële instelling aan te pakken – wegens de rang van wet van de bepalingen voor de toepassing waarvan zij gevolgen hebben – noodzakelijkerwijs eveneens van wetgevende aard zijn, zou het bijgevolg geen steek houden om de door een parlement genomen saneringsmaatregelen van de werkingssfeer van richtlijn 2001/24 uit te sluiten enkel omdat het niet gaat om een administratieve of rechterlijke instantie, dat wil zeggen omdat zij niet afkomstig zijn van een instantie die ze niet kan nemen. Vanuit dat concreet oogpunt moet volgens mij integendeel slechts van belang zijn dat de betrokken maatregelen gepast zijn om de bijzondere en concrete positie van een bepaalde instelling aan te pakken, aangezien het doorslaggevende – maar, zoals verderop zal blijken, niet het enige – criterium voor de toepasselijkheid van richtlijn 2001/24 is dat de maatregelen bijzonder en concreet zijn. ( 13 )
68.
Incidenteel lijkt het mij gepast om op dit punt erop te wijzen dat de gestelde vraag niet „vervalt” door het argument van de Commissie dat, aangezien de litigieuze wettelijke bepalingen op het concrete geval van Landsbanki zijn toegepast via bepaalde administratieve en rechterlijke beslissingen, die beslissingen in feite de „maatregelen” zijn die van belang zijn voor de toepassing van de richtlijn, en niet wet 44/2009 zelf, die enkel voorzag in de rechtsgrondslag van die bijzondere uitvoeringshandelingen.
69.
Dat argument kan niet worden aanvaard, omdat de litigieuze bepalingen van wet 44/2009 zelf een „maatregel” in de zin van richtlijn 2001/24 vormen, aangezien zij aan het door de rechter aan Landsbanki verleende uitstel van betaling gevolgen verbinden die op het tijdstip van de verlening ervan buiten de bevoegdheid van de rechterlijke instantie vielen. Het gaat hier derhalve niet om een wettelijke bepaling die nadien door een rechter is geconcretiseerd, maar om een wettelijke bepaling die de wetgever zelf toepast als bijkomend en automatisch gevolg van een voorafgaande rechterlijke beslissing.
70.
Ten slotte is het andere uiterste, de stelling van Portugal dat richtlijn 2001/24 naast maatregelen van administratieve en rechterlijke instanties, ook de op die maatregelen toepasselijke wettelijke regels bevat, mijns inziens evenmin aanvaardbaar. Anders zou het verschil tussen, enerzijds, administratieve en rechterlijke maatregelen – die per definitie bijzonder en concreet zijn – en, anderzijds, de algemene en abstracte wettelijke regeling die de voorwaarde voor die maatregelen vormt, verdwijnen, en derhalve ook de zin zelf van richtlijn 2001/24.
71.
Hoe dan ook staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan in hoeverre de betrokken IJslandse wettelijke bepalingen, in het bijzonder wet 44/2009, die eventueel van toepassing zijn op het geval dat in het hoofdgeding aan hem voorligt, kunnen worden aangemerkt als „maatregelen die bestemd zijn om de financiële positie van een ( 14 ) kredietinstelling in stand te houden of te herstellen”, in casu van Landsbanki, in de zin van artikel 2 van richtlijn 2001/24. Daartoe moet hij een beoordeling maken van de omstandigheden van de totstandkoming en de vaststelling van die maatregelen, de omvang van de kring van werkelijke adressaten ervan en de eventuele overeenstemming tussen, enerzijds, de evolutie van de concrete kredietinstellingen waarover het gaat en, anderzijds, de vaststelling van nieuwe wetgevingsmaatregelen om het antwoord van de wetgever aan te passen aan de nieuwe omstandigheden. Kortom, hij moet nagaan of wet 44/2009, afgezien van de vorm en de opsteller ervan, volgens de werking ervan is aan te merken als een administratieve of rechterlijke beslissing in de zin van richtlijn 2001/24, dat wil zeggen als een bepaling die niet bedoeld is om op algemene wijze of herhaaldelijk te worden toegepast, maar bedoeld is voor een bijzondere en concrete feitelijke situatie.
72.
Op dit punt is een precisering noodzakelijk, aangezien de Cour de cassation, indien zij de betekenis en de strekking van wet 44/2009 moet vaststellen, zich duidelijk niet over een eigen nationale regel moet uitspreken, maar over een in het hoofdgeding aan de orde zijnde buitenlandse bepaling die door een van de partijen is aangevoerd. Derhalve kan de Cour de cassation de betekenis van die IJslandse wet niet op dezelfde wijze vaststellen als in het geval van een Franse bepaling, waarvan de authentieke uitlegging alleen door de Franse rechter kan worden gegeven, die hij op grond van het beginsel iura novit curia moet kennen.
73.
Bijgevolg is de vraag naar de betekenis en de strekking van wet 44/2009 voor de Cour de cassation een bewijsvraag, die in zoverre afhangt van de bewijsvoering door partijen. In feite moeten dus de partijen in het hoofdgeding de details aantonen van de voor de Franse rechter aangevoerde IJslandse wettelijke regeling, hoewel het natuurlijk die rechter is die moet vaststellen of dit is gebeurd, overeenkomstig de in het Franse recht geldende bewijsregeling.
74.
Derhalve is mijn tweede tussenconclusie dat, indien op die wijze is aangetoond dat wet 44/2009 voor de toepassing van richtlijn 2001/24 functioneel als een administratieve en rechterlijke beslissing kan worden beschouwd, de hierin vermelde maatregelen in principe gelijkwaardig zijn aan maatregelen van „administratieve of rechterlijke instanties” in de zin van die richtlijn. Niettemin is dit slechts definitief zo indien aan een tweede voorwaarde is voldaan.
c) De gelijke behandeling van schuldeisers, in het bijzonder wat rechterlijke bescherming betreft, moet worden gewaarborgd
75.
Het belang dat mijns inziens moet worden gehecht aan het doel van richtlijn 2001/24, te weten waarborgen dat door een lidstaat vastgestelde saneringsmaatregelen in heel de Unie worden erkend, vereist immers dat, zoals ik zojuist heb uiteengezet, eerder aandacht wordt geschonken aan de inhoud van de maatregelen dan aan de persoon die ze heeft vastgesteld. Dienaangaande moet volgens mij de grootste eerbied worden betoond voor de autonomie van de lidstaten bij de toewijzing van de openbare functies.
76.
Dit is echter niet het enige doel van richtlijn 2001/24. Die richtlijn beoogt ook bepaalde rechten van schuldeisers van aan sanering onderworpen financiële instellingen te verdedigen. In de richtlijn wordt meer in het bijzonder benadrukt dat „[h]et beginsel van gelijke behandeling van de schuldeisers met betrekking tot hun toegang tot rechtsmiddelen [ ( 15 ) ] vergt dat de administratieve of rechterlijke instanties van de lidstaat van herkomst het nodige doen om de schuldeisers van de lidstaat van ontvangst in staat te stellen die rechtsmiddelen binnen de daarvoor gestelde termijn in te stellen.” ( 16 ) De richtlijn voorziet derhalve ook in het recht van schuldeisers om beroep in te stellen tegen saneringsmaatregelen, zodat tegemoet wordt gekomen aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, dat thans formeel is vastgelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. ( 17 )
77.
Op dit punt is het onvermijdelijk van belang door wie een saneringsmaatregel wordt vastgesteld. Ook hier echter slechts voor zover in veel lidstaten particulieren tegen wetgevingshandelingen geen rechtstreeks beroep in rechte kunnen instellen. ( 18 )
78.
Zoals vermeld, zou een van de doelstellingen van richtlijn 2001/24 (de erkenning van saneringsmaatregelen in alle lidstaten) in het gedrang komen indien bepaalde maatregelen van de werkingssfeer ervan zouden worden uitgesloten op de enkele grond dat zij door de wetgever zijn genomen, ongeacht of zij inhoudelijk onder het in de richtlijn gebruikte begrip „saneringsmaatregel” vallen. Nog een andere doelstelling van die richtlijn (de gelijkheid van schuldeisers inzake de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de maatregelen die op hen betrekking hebben) zou evenwel in het gedrang komen indien maatregelen van een wetgever waartegen geen individueel beroep openstaat, onder de richtlijn vielen.
79.
De gelijkheid van schuldeisers inzake de uitoefening van het recht van beroep vereist derhalve dat saneringsmaatregelen worden vastgesteld bij beslissingen waartegen werkelijk een individueel beroep in rechte openstaat. Dat het om een wettelijke bepaling gaat, kan andermaal duiden op een probleem op dit gebied. Dat is echter niet steeds noch in ieder geval zo, aangezien er naast lidstaten waar tegen bepalingen met rang van wet geen individueel rechtstreeks beroep kan worden ingesteld, lidstaten zijn waar dat wel mogelijk is.
80.
Bijgevolg is mijn derde tussenconclusie dat de maatregelen van wet 44/2009 slechts kunnen worden aangemerkt als „saneringsmaatregelen” in de zin van voornoemde richtlijn (dat wil zeggen maatregelen die betrekking hebben op een bepaalde financiële instelling waarbij de gelijkheid van alle schuldeisers inzake de uitoefening van hun recht op toegang tot de rechter is gewaarborgd), indien de juridische vorm van die maatregelen niet eraan in de weg staat dat de belanghebbenden hiertegen op doeltreffende wijze bij de IJslandse rechter kunnen opkomen, hetgeen overeenkomstig de punten 72 en 73 van deze conclusie door de verwijzende rechter dient te worden nagegaan.
B – Tweede vraag
81.
Zoals ik reeds eerder heb aangegeven, is de tweede prejudiciële vraag mijns inziens gemakkelijker.
82.
De Cour de cassation vraagt of artikel 32 van richtlijn 2001/24 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale bepaling die elke rechtsvordering tegen een financiële instelling verbiedt of opschort zodra een uitstel van betaling van kracht is, gevolgen sorteert ten aanzien van door een andere lidstaat eerder genomen conservatoire maatregelen.
83.
Giraux heeft betoogd dat die tweede vraag niet-ontvankelijk is, aangezien de IJslandse bepaling waarop zij betrekking heeft (artikel 98 van wet 161/2002) niet van toepassing is op de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is. Aangezien die bepaling enkel belet om rechtsvorderingen in te stellen tegen een instelling waaraan uitstel van betaling is verleend, is zij volgens hem niet van toepassing op een beslag dat dateert van voor dat uitstel van betaling. Voorts voert hij aan dat de betrokken bepaling ongrondwettig is verklaard en is vervangen bij wet 44/2009.
84.
Volgens mij is de vraag ontvankelijk, aangezien de aanleiding ervoor duidelijk te maken heeft met de kern van het door de Cour de cassation opgeworpen probleem, namelijk of beslagen die dateren van voor het uitstel van betaling kunnen worden geraakt door een bepaling die in principe slechts verbiedt om conservatoire maatregelen te nemen tegen instellingen waaraan reeds uitstel van betaling is verleend. Voorts moet de verwijzende rechter vaststellen welke gevolgen de ongrondwettigverklaring en de vervanging van de aangevoerde nationale bepaling door een latere wet sorteren voor de vaststelling van het op het hoofdgeding daadwerkelijk van toepassing zijnde recht. Het Hof heeft enkel als taak de verwijzende rechter te helpen zijn twijfels over de verenigbaarheid van artikel 98 van wet 161/2002 met het Unierecht weg te nemen, dat wil zeggen zijn twijfels over een van de aspecten waarmee hij rekening moet houden bij zijn beoordeling van de samenloop van alle bepalingen die in principe van belang kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak.
85.
Wat de grond van de vraag betreft, ben ik van mening dat het antwoord moet worden gebaseerd op de inhoud van punt 30 van de considerans van richtlijn 2001/24, volgens hetwelk „[bij] wijze van uitzondering op de toepassing van de lex concursus [...] de gevolgen van de saneringsmaatregelen of de liquidatieprocedures voor een aanhangig rechtsgeding [worden] beheerst door het recht van de lidstaat waar dat geding aanhangig is. De gevolgen van die maatregelen of procedures voor de afzonderlijke executiemaatregelen die uit deze rechtsvorderingen voortkomen, worden beheerst door de wetgeving van de lidstaat van herkomst, overeenkomstig de algemene regel van de richtlijn.”
86.
Ingevolge die bepaling en overeenkomstig artikel 32 van richtlijn 2001/24 heeft het door IJsland verleende uitstel van betaling voor de in Frankrijk ingeleide procedures de gevolgen waarin de Franse wettelijke regeling voorziet. Wat specifiek de gevolgen van het uitstel van betaling betreft voor executiemaatregelen die uit die procedures voortvloeien na afloop ervan, is evenwel overeenkomstig artikel 10, lid 2, sub e, van richtlijn 2001/24 de IJslandse wettelijke regeling van toepassing. Zoals de Commissie opmerkt, sluit dit voor de Franse rechter niet de mogelijkheid uit om executiemaatregelen vast te stellen, maar vereist dit enkel dat bij de vaststelling van die maatregelen de op de sanerings- of liquidatiemaatregelen toepasselijke bepalingen van de staat van herkomst worden nageleefd.
87.
Zoals ten slotte blijkt uit de artikelen 3, lid 2, 9, lid 1, en 10 van richtlijn 2001/24, moet in casu de toepasselijkheid van het IJslandse recht op de regeling van de gevolgen van het uitstel van betaling voor de maatregelen die voortvloeien uit in een andere lidstaat afgesloten procedures worden geacht de bepaling van de draagwijdte ratione temporis van die gevolgen te omvatten.
88.
Kortom, mijn laatste tussenconclusie is dat artikel 32 van richtlijn 2001/24 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een nationale bepaling als artikel 98 van de IJslandse wet van 20 december 2002 gevolgen sorteert ten aanzien van maatregelen zoals die welke in casu door een andere lidstaat zijn vastgesteld vóór de verlening van uitstel van betaling als bedoeld in dat artikel.
VII – Conclusie
89.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„1)
De artikelen 3 en 9 van richtlijn 2001/24/EG betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen moeten aldus worden uitgelegd dat bij wet vastgestelde maatregelen als die in de IJslandse wet 44/2009 van 15 april 2009, niet mogen worden uitgesloten van de werkingssfeer van richtlijn 2001/24 op de enkele grond dat zij rechtstreeks door de nationale wetgever zijn vastgesteld.
2)
In ieder geval moeten de door de wetgever genomen maatregelen werkelijk ‚maatregelen’ in de zin van richtlijn 2001/24 zijn, en derhalve specifiek betrekking hebben op financiële instellingen die door hun individuele situatie gekenmerkt worden, zonder dat de algemene wetgeving ter zake voor de toekomst dient te worden gewijzigd.
3)
De maatregelen van de IJslandse wet 44/2009 kunnen slechts als ‚saneringsmaatregelen’ in de zin van richtlijn 2001/24 worden aangemerkt, indien de juridische vorm ervan niet eraan in de weg staat dat de belanghebbenden hiertegen op doeltreffende wijze bij de rechter kunnen opkomen.
4)
Het staat aan de verwijzende rechter om, bij zijn onderzoek van het IJslandse recht in het kader van de op hem rustende taak de feiten vast te stellen, te beoordelen of is voldaan aan de in de voorgaande twee punten genoemde voorwaarden.
5)
Artikel 32 van richtlijn 2001/24 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een nationale bepaling als artikel 98 van de IJslandse wet van 20 december 2002 gevolgen sorteert ten aanzien van maatregelen zoals die welke in casu door een andere lidstaat zijn vastgesteld vóór de verlening van uitstel van betaling als bedoeld in dat artikel.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB L 125, blz. 15; hierna: „richtlijn 2001/24” of „richtlijn”).
( 3 ) Op 7 oktober 2008 had de FME op grond van wet 125/2008 bij Landsbanki ingegrepen. Op 5 december 2008 had de lokale rechtbank te Reykjavik aan Landsbanki op haar verzoek krachtens wet 161/2002 uitstel van betaling verleend. Dat (verschillende malen verlengde) uitstel van betaling is op 9 januari 2009 in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C 4, blz. 3) bekendgemaakt als saneringsmaatregel krachtens artikel 6 van richtlijn 2001/24. De mededeling bepaalde dat tijdens het uitstel van betaling geen rechtsvorderingen tegen Landsbanki konden worden ingesteld.
Op 29 december 2008 heeft de lokale rechtbank een liquidatieraad aangesteld. Op 22 april 2009 is de schuldeisers verzocht hun vorderingen bij de liquidatieraad in te dienen vóór 30 oktober 2009. Dat verzoek is op 5 juni 2009 in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C 125, blz. 22) bekendgemaakt.
Op 22 november 2010 heeft de lokale rechtbank gelast tegen Landsbanki een liquidatieprocedure te openen overeenkomstig de algemene regels van wet 161/2002. Die beslissing is op 16 december 2010 ook bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB C 341, blz. 12).
( 4 ) De situatie is derhalve erg verschillend van de situatie in het arrest van 6 oktober 2010, Base e.a. (C-389/08, Jurispr. blz. I-9073), betreffende richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PB L 108, blz. 33) en richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (PB L 108, blz. 51). Geen van beide richtlijnen noemt uitdrukkelijk de autoriteiten van de lidstaten waaraan die lidstaten bepaalde regelgevingstaken moeten toevertrouwen. De door het Hof in punt 30 gekozen oplossing, die is gebaseerd op de inachtneming van de doelstellingen van de betrokken richtlijnen, komt niettemin overeen met de hier voorgestelde oplossing, die ook op die inachtneming is gebaseerd.
( 5 ) Zie met betrekking tot richtlijn 2001/24 in het algemeen, Wessels, B., „Commentary on Directive 2001/24/EC on the reorganisation and winding-up of credit institutions” in EU banking and insurance insolvency, 2006, blz. 47‑103, en Deguée, J.‑P., „La directive 2001/24/CE sur l’assainissement et la liquidation des établissements de crédit: enfin un droit international privé uniforme des procédures d’insolvabilité en matière bancaire!” in Sûretés bancaires et financières, 2004, blz. 183‑226.
( 6 ) Punt 6 van de considerans van richtlijn 2001/24.
( 7 ) Punt 7 van de considerans van richtlijn 2001/24.
( 8 ) Cursivering van mij.
( 9 ) Zie voor een uiteenzetting van de theoretische grondslagen van die figuur in de constitutionele geschiedenis, Muñoz Machado, S., Tratado de Derecho Administrativo y Derecho Público General I, Iustel, 3e druk, Madrid, 2011, blz. 682‑707. Zie ook Santamaría Pastor, J.A., Fundamentos de Derecho Administrativo I, Centro de Estudios Ramón Areces, Madrid, 1988, blz. 513‑554.
( 10 ) Het is immers in die rechtsstelsels dat een oplossing moet worden gevonden voor de vraag naar de toelaatbaarheid van de bijzondere wettelijke bepalingen, uit het oogpunt van zowel de nationale bevoegdheidsregeling als de subjectieve rechten, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel.
( 11 ) Punt 10 van haar schriftelijke opmerkingen.
( 12 ) Zie voor een uiteenzetting van de antwoorden van de IJslandse autoriteiten op de financiële crisis, Gunnarsson, E.G., „The Icelandic Regulatory Responses to the Financial Crisis” in European Business Organization Law Review, 12, 2011, blz. 1‑39.
( 13 ) In die zin komt de voorgestelde oplossing naar de geest overeen met de oplossing die het Hof heeft gekozen in het arrest van 18 oktober 2011, Boxus e.a. (C-128/09-C-131/09, C-134/09 en C-135/09, Jurispr. blz. I-9711, punten 35‑48), waarin eerder aandacht is besteed aan de concrete procedure van vaststelling van een wettelijke bepaling en aan de informatie waarover de wetgever beschikt, dan aan de juridische vorm van de uiteindelijk gegeven beslissing.
( 14 ) Cursivering van mij.
( 15 ) Cursivering van mij.
( 16 ) Punt 12 van de considerans. Een ander recht van de in de richtlijn genoemde schuldeisers is het recht op informatie en bekendmaking om vorderingen te kunnen indienen, zonder discriminatie op grond van hun woonplaats (punt 20 van de considerans).
( 17 ) Op dit punt komt richtlijn 2001/24 overeen met richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), die evenmin geldt voor beslissingen die zijn genomen bij wetgevingshandelingen waartegen particulieren geen beroep in rechte kunnen instellen. Zie in dit verband arrest van 16 februari 2012, Solvay e.a. (C‑182/10, punten 44‑52).
( 18 ) Zie met betrekking tot de verschillen tussen de Europese modellen van constitutionele rechtspraak, onder meer Rubio Llorente, F., „Seis tesis sobre la jurisdicción constitucional en Europa” in Revista Española de Derecho Constitucional, nr. 35, 1992, blz. 9‑39.
Full & Egal Universal Law Academy