CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 21 maart 2013 ( 1 )
Zaak C‑86/12
Adzo Domenyo Alokpa,
Jarel Moudoulou,
Eja Moudoulou
tegen
Ministre du Travail, de l’Emploi et de l’Immigration
[verzoek van de Cour administrative (Luxemburg) om een prejudiciële beslissing]
„Burgerschap van de Unie — Artikelen 20 VWEU en 21 VWEU — Richtlijn 2004/38/EG — Verblijfsrecht — Minderjarige kinderen met nationaliteit van lidstaat, ten laste van bloedverwant in opgaande lijn die derdelander is — Weigering van lidstaat om verblijf toe te staan en verblijfstitel en arbeidsvergunning te verlenen — Gevolgen voor effectief genot van aan status van burger van Unie verbonden rechten”
I – Inleiding
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Cour administrative (Luxemburg), betreft de uitlegging, in voorkomend geval in het licht van de grondrechten, van artikel 20 VWEU, ofschoon het in wezen gaat om de vervulling van de voorwaarden van richtlijn 2004/38/EG. ( 2 )
2.
De vraag die ter prejudiciële beslissing aan het Hof is voorgelegd, is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Alokpa, Togolees onderdaan, en haar twee kinderen die in Luxemburg zijn geboren en de Franse nationaliteit hebben, en anderzijds de Luxemburgse Ministre du Travail, de l’Emploi et de l’Immigration (minister van Arbeid, Werkgelegenheid en Immigratie), over diens besluit waarbij Alokpa een verblijfsrecht in Luxemburg is geweigerd en haar is bevolen het Luxemburgse grondgebied te verlaten.
3.
Meer bepaald heeft Alokpa, na afwijzing door de Luxemburgse autoriteiten en rechterlijke instanties van haar verzoek om internationale bescherming, de gedoogstatus aangevraagd, wat haar aanvankelijk eveneens is geweigerd. Wegens de vroegtijdige geboorte van haar tweeling te Luxemburg (Luxemburg) op 17 augustus 2008 is haar echter deze status tot 31 december 2008 toegekend. Enkele dagen na de geboorte van de tweeling heeft Moudoulou, Frans onderdaan, het vaderschap erkend. De kinderen hebben op respectievelijk 15 mei en 4 juni 2009 een paspoort en een Franse identiteitskaart ontvangen.
4.
Ter legalisering van haar status heeft verzoekster in het hoofdgeding op 6 mei 2010 bij de Luxemburgse autoriteiten een verblijfstitel als familielid van burgers van de Europese Unie aangevraagd. Nadat deze autoriteiten van Alokpa bijkomende informatie hadden ontvangen over de redenen waarom zij zich niet met haar kinderen op het Franse grondgebied, waar de vader van haar kinderen woont, kon vestigen, hebben zij deze aanvraag bij besluit van 14 oktober 2010 afgewezen en daarbij benadrukt dat noch Alokpa, noch haar kinderen aan de voorwaarden van de Luxemburgse wet ter uitvoering van richtlijn 2004/38 voldeden. Overigens werd in dit besluit erop gewezen dat de medische controle van de kinderen zeer goed in Frankrijk kon worden gewaarborgd.
5.
Bij beslissing van 21 september 2011 heeft het tribunal administratif het door Alokpa namens zichzelf en namens haar kinderen ingestelde beroep tot nietigverklaring van voornoemde besluiten ongegrond verklaard, waarna verzoekers in het hoofdgeding tegen deze beslissing hoger beroep hebben ingesteld bij de Cour administrative.
6.
De verwijzende rechter stelt in de eerste plaats vast dat Alokpa en haar kinderen een gemeenschappelijk gezinsleven hebben geleid in een Luxemburgs opvangcentrum en dus ten laste zijn van de Staat en dat er met de vader geen enkel contact is onderhouden. Hij wijst er echter op dat Alokpa in Luxemburg een betrekking voor onbepaalde tijd is aangeboden en dat enkel het feit dat zij geen verblijfstitel en arbeidsvergunning heeft, haar verhindert op dit aanbod in te gaan.
7.
In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat de situatie van de twee kinderen gelijkenissen vertoont met de zaak die tot het arrest Ruiz Zambrano heeft geleid ( 3 ), met dit verschil dat de kinderen van Alokpa niet op het grondgebied van de lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit hebben.
8.
In deze context heeft de Cour administrative de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 20 VWEU, in voorkomend geval gelezen in samenhang met één of meerdere van de hierna genoemde artikelen, afzonderlijk of tezamen beschouwd, namelijk de artikelen 20, 21, 24, 33 en 34 van het [Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”)], aldus worden uitgelegd dat die bepaling zich ertegen verzet dat een lidstaat, enerzijds, aan een derdelander die zijn jonge kinderen, burgers van de Unie, alleen ten laste heeft, het verblijf weigert in de woonstaat van die kinderen, waar zij sedert hun geboorte met die derdelander leven zonder dat zij de nationaliteit van die lidstaat hebben, en, anderzijds, weigert die derdelander een verblijfstitel en later zelfs een arbeidsvergunning toe te kennen?
Moeten dergelijke besluiten worden geacht die kinderen in hun woonstaat waar zij sedert hun geboorte hebben geleefd, het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie verbonden rechten ook te ontzeggen wanneer hun andere rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn, met wie zij nooit een gemeenschappelijk gezinsleven hebben geleid, in een andere staat van de Unie verblijft, waarvan hij onderdaan is?”
9.
Alokpa, de Luxemburgse, de Belgische, de Tsjechische, de Duitse, de Griekse, de Litouwse, de Nederlandse en de Poolse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Deze partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 17 januari 2013, met uitzondering van de Belgische, de Tsjechische, de Griekse, de Litouwse en de Poolse regering, die zich niet hebben laten vertegenwoordigen.
II – Juridische beoordeling
A – Inleidende opmerkingen
10.
De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of een derdelander die zijn jonge kinderen, burgers van de Unie die zijn geboren in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit hebben en die nooit hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, alleen ten laste heeft, aan dat recht van vrij verkeer een afgeleid verblijfsrecht in de zin van artikel 20 VWEU kan ontlenen en of een besluit waarbij dit verblijf wordt geweigerd en haar wordt bevolen het Luxemburgse grondgebied te verlaten, de kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie verbonden rechten ontzegt.
11.
Voor een nuttig antwoord op het eerste onderdeel van de door de verwijzende rechter gestelde vraag dient volgens mij allereerst zijn – door de Belgische en Duitse regering in hun schriftelijke opmerkingen ondersteunde – bewering te worden afgewezen dat het hier, zoals in de situatie die tot het reeds aangehaalde arrest Ruiz Zambrano heeft geleid, om een „zuiver interne” situatie gaat.
12.
Uit het voornoemde arrest Ruiz Zambrano en uit de arresten McCarthy en Dereci e.a. ( 4 ) blijkt immers dat het in de prejudiciële vraag vermelde artikel 20 VWEU bij het ontbreken van ieder huidig grensoverschrijdend element in aanmerking moet worden genomen in het geval burgers van de Unie in een lidstaat verblijven waarvan zij de nationaliteit bezitten en nog nooit van hun recht van vrij verkeer gebruik hebben gemaakt.
13.
In het hoofdgeding verblijven de kinderen van Alokpa, die beide burgers van de Unie zijn, echter in een lidstaat waarvan zij niet de nationaliteit hebben.
14.
Een dergelijke situatie kan dus worden gelijkgesteld met de situatie die tot het arrest Zhu en Chen ( 5 ) heeft geleid, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de situatie van een jong kind, burger van de Unie, dat in een andere lidstaat verbleef dan die waarvan het de nationaliteit had en dat geen gebruik had gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, toch onder de werkingssfeer van de Unierechtelijke bepalingen inzake de vrijheid van verkeer van personen viel ( 6 ) en in het bijzonder van de bepalingen van de bij richtlijn 2004/38 ingetrokken en vervangen richtlijn 90/364/EEG. ( 7 )
15.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 bepaalt overigens dat zij met name van toepassing is ten aanzien van iedere burger van de Unie die verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, wat overeenstemt met de situatie van de kinderen van Alokpa.
16.
Bijgevolg moet eerst worden onderzocht of, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, kinderen van jonge leeftijd die burger van de Unie zijn en verblijven in een lidstaat waarvan zij niet de nationaliteit bezitten, voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38 en met name aan die van artikel 7, lid 1, sub b, ervan. Vervolgens moet worden nagegaan of hun moeder, als rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn en derdelander, zich op een afgeleid verblijfsrecht kan beroepen. ( 8 )
17.
Zoals de rechtspraak toestaat, moet dus het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag, teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, aldus worden geherformuleerd dat het betrekking heeft op een verzoek om uitlegging van richtlijn 2004/38, die overigens in het verzoek om een prejudiciële beslissing is genoemd en waarop de opmerkingen van de Luxemburgse, de Tsjechische, de Griekse, de Litouwse, de Nederlandse en de Poolse regering en van de Commissie in wezen betrekking hebben. ( 9 )
B – Eerste onderdeel van de prejudiciële vraag: de voorwaarden van richtlijn 2004/38
18.
Om de geherformuleerde vraag te kunnen beantwoorden, moet in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 iedere burger van de Unie het recht heeft om gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven op voorwaarde dat hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandstelsel van het gastland en hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt.
19.
Zoals het Hof in het arrest Zhu en Chen met betrekking tot de bepaling van richtlijn 90/364 – die in wezen identiek is aan artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 – heeft geoordeeld, volstaat het dat onderdanen van lidstaten over toereikende bestaansmiddelen „beschikken” en stelt het niet het minste vereiste met betrekking tot de herkomst van deze middelen. ( 10 )
20.
Bijgevolg hoeft de burger van de Unie, om aan de voorwaarde van „voldoende bestaansmiddelen” van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 te voldoen, niet zelf over dergelijke middelen te beschikken, aangezien hij ook aanspraak kan maken op een verblijfsrecht indien de betrokken bestaansmiddelen afkomstig zijn van een familielid dat rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn is en de zorg voor deze burger draagt.
21.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat, anders dan in de situatie in het hoofdgeding dat tot het arrest Zhu en Chen heeft geleid ( 11 ), de kinderen van Alokpa over geen enkel bestaansmiddel beschikken, zodat zij samen met hun moeder volledig ten laste zijn van het Groothertogdom Luxemburg, waar de drie verzoekers in het hoofdgeding in een opvangcentrum wonen.
22.
Zoals verscheidene procespartijen hebben opgemerkt, lijken de kinderen van Alokpa dus niet te voldoen aan de dubbele voorwaarde van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 dat zij beschikken over voldoende bestaansmiddelen en een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt.
23.
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter ook dat Alokpa nooit de bedoeling had ten laste van de Luxemburgse staat te komen en dat haar, onder de enkele voorwaarde dat zij in Luxemburg een verblijfskaart en een arbeidsvergunning verkrijgt, een betrekking voor onbepaalde tijd is aangeboden. In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat Alokpa in de loop van de procedure voor de verwijzende rechter een kopie van dit aanbod heeft overgelegd.
24.
Thans moet de relevantie van dit aanbod, en dus de mogelijkheid dat niet enkel bestaande maar ook toekomstige of potentiële bestaansmiddelen in aanmerking worden genomen om aan de voorwaarde van „voldoende bestaansmiddelen” van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 te voldoen, worden onderzocht.
25.
Ter terechtzitting voor het Hof zijn de procespartijen langdurig op deze vraag ingegaan.
26.
De Luxemburgse en Nederlandse regering hebben de voorwaarde van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 daarbij eng uitgelegd, waarbij zij hebben aangevoerd dat een eenvoudig aanbod voor een betrekking slechts een hypothetische mogelijkheid vormt om de vereiste bestaansmiddelen te verkrijgen, hetgeen in de bewoordingen van deze bepaling niet besloten ligt. Volgens hen moeten de bestaansmiddelen reeds bij de aanvraag van een verblijfsvergunning zijn verworven en leidt iedere andere uitlegging ertoe dat het vereiste van artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn iedere zin en ieder nuttig effect verliest.
27.
Deze zienswijze overtuigt mij in beginsel niet.
28.
Ik deel immers de zienswijze van de Duitse regering en de Commissie dat aan de voorwaarde van „voldoende bestaansmiddelen” kan zijn voldaan doordat een burger van de Unie of een lid van zijn familie, door het aanvaarden van een betrekking in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, concrete vooruitzichten op toekomstige inkomsten heeft. Een andere uitlegging zou tot gevolg hebben dat het vrij verkeer van burgers van de Unie zijn nuttig effect verliest, terwijl richtlijn 2004/38 juist tot doel heeft om het recht van vrij verkeer te versterken.
29.
Bovendien verplicht artikel 8, lid 4, van richtlijn 2004/38 de lidstaten om, wat het bedrag van de voldoende bestaansmiddelen betreft, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Bijgevolg moet bij de beoordeling van de concrete omstandigheden van een persoon in aanmerking worden genomen dat hem een betrekking is aangeboden en hij door het inkomen dat deze betrekking hem kan opleveren aan de voorwaarde van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 kan voldoen. Iedere andere uitlegging leidt tot een onbillijke behandeling van de individuele omstandigheden van burgers van de Unie en hun familieleden, waardoor artikel 8, lid 4, van deze richtlijn zou worden uitgehold.
30.
Bijgevolg moet de verwijzende rechter in beginsel het aan Alokpa gedane aanbod voor een betrekking voor onbepaalde tijd onderzoeken om na te gaan of haar kinderen, burgers van de Unie, over „voldoende bestaansmiddelen” in de zin van richtlijn 2004/38 beschikken.
31.
De nationale procedureregels zouden evenwel in de weg kunnen staan aan dit onderzoek aangezien, zoals ik reeds heb opgemerkt, dit aanbod voor een betrekking pas is gedaan tijdens de procedure betreffende het beroep tot nietigverklaring dat Alokpa en haar kinderen bij de Luxemburgse bestuursrechter hebben ingesteld. Om dit onderzoek te verrichten, moet de verwijzende rechter dus bevoegd zijn om de rechtmatigheid van de voor hem aangevochten besluiten te onderzoeken tegen de achtergrond van feiten die zich na de vaststelling van deze besluiten hebben voorgedaan. ( 12 )
32.
Overigens bevat richtlijn 2004/38 – zoals de Duitse regering ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt – geen bijzondere bepaling op grond waarvan van de nationale procedureregels zou mogen worden afgeweken.
33.
Het staat dus aan de verwijzende rechter om te beoordelen of, gelet op de gevestigde beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid ( 13 ), deze regels hem in staat stellen om rekening te houden met het door Alokpa tijdens de procedure overgelegde aanbod voor een betrekking.
34.
Indien dit niet het geval is en bijgevolg niet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 is voldaan, rijst echter de vraag of de bepalingen van het Handvest van de grondrechten – waarnaar de verwijzende rechter heeft verwezen – ertoe kunnen leiden dat deze voorwaarden worden versoepeld of zelfs buiten toepassing worden gelaten, in het bijzonder om te verzekeren dat het belang van het kind (artikel 24 van het Handvest) en de eerbiediging van het familie- en gezinsleven (artikelen 7 en 33 van het Handvest) in acht worden genomen.
35.
Dit lijkt echter moeilijk denkbaar aangezien in dat geval voorbij wordt gegaan aan de beperkingen die artikel 21 VWEU stelt aan het recht van burgers van de Unie om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven ( 14 ) en leidt volgens mij bijgevolg tot een wijziging van de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken, in strijd met artikel 51, lid 2, van het Handvest.
36.
In die omstandigheden zou niet meer hoeven te worden onderzocht of Alokpa eventueel over een afgeleid verblijfsrecht in Luxemburg beschikt, aangezien haar kinderen, burgers van de Unie, niet aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38 zouden voldoen.
37.
Voor het geval dat de verwijzende rechter rekening kan houden met het aan Alokpa gedane aanbod voor een betrekking, en dus met de toekomstige of potentiële inkomsten van haar kinderen, maar zich toch afvraagt of deze bestaansmiddelen zullen volstaan, kan hij bij de beoordeling van de persoonlijke situatie van deze kinderen, in het bijzonder gelet op de mogelijke banden die zij sedert hun geboorte op het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg met deze lidstaat hebben gekregen, de bepalingen van het Handvest in aanmerking nemen.
38.
Indien de verwijzende rechter oordeelt dat de kinderen van Alokpa aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38 voldoen, rijst vervolgens de vraag naar het afgeleide recht van hun moeder.
39.
Wat de familieleden van burgers van de Unie betreft, vermeldt artikel 2, lid 2, sub d, van richtlijn 2004/38 enkel „de rechtstreekse bloedverwanten [van de burger van de Unie] in opgaande lijn [...] die te hunnen laste zijn”, wat Alokpa stellig niet is.
40.
In het arrest Zhu en Chen, dat enkele maanden na de vaststelling van richtlijn 2004/38 is uitgesproken in een situatie die zeer vergelijkbaar is met die in het hoofdgeding, heeft het Hof geoordeeld dat de moeder van een jong kind dat burger van de Unie is, zich niet kan beroepen op de hoedanigheid van bloedverwant in opgaande lijn „ten laste” van dat kind in de zin van richtlijn 90/364 om een verblijfsrecht in het gastland te verkrijgen. ( 15 )
41.
Het Hof heeft de strengheid van deze reeds in richtlijn 90/364 ( 16 ) aanwezige voorwaarde, waarover het zich diende uit te spreken, echter verzacht door te oordelen dat „wanneer [...] artikel 18 EG [thans artikel 21 VWEU] en richtlijn 90/364 een recht om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van de ontvangende lidstaat te verblijven, verlenen aan de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een andere lidstaat, deze zelfde bepalingen de ouder die daadwerkelijk voor deze onderdaan zorgt, toestaan om met deze laatste in de lidstaat van ontvangst te verblijven”. ( 17 )
42.
Op basis van voornoemd arrest Zhu en Chen zou Alokpa dus in Luxemburg recht hebben op een afgeleid verblijfsrecht dat zowel op artikel 21 VWEU als op de bepalingen van richtlijn 2004/38 is gebaseerd.
43.
In het reeds aangehaalde arrest Iida heeft het Hof echter het in het arrest Zhu en Chen bedoelde afgeleide recht van een derdelander, die weliswaar rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn is van een burger van de Unie van jonge leeftijd maar niet van hem afhankelijk is, aldus uitgelegd dat dit recht niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38 valt, maar uitsluitend op artikel 21 VWEU is gebaseerd. ( 18 )
44.
Deze benadering verleent mijn inziens meer coherentie aan het rechtskader dat geldt voor derdelanders die rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn zijn van jonge burgers van de Unie die rechten ontlenen aan de bepalingen van richtlijn 2004/38, maar niet van die burgers afhankelijk zijn. Indien wordt uitgesloten dat dergelijke rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn voldoen aan de voorwaarde dat zij „ten laste” zijn de van burger van de Unie, en zij dus niet binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 2004/38 vallen, dan valt immers niet te begrijpen waarom het afgeleide verblijfsrecht waarop zij aanspraak kunnen maken in het gastland, op de bepalingen van richtlijn 2004/38 zou moeten worden gebaseerd.
45.
Het is bijgevolg logischer, zoals het Hof in het arrest Iida heeft overwogen, om een dergelijk afgeleid verblijfsrecht rechtstreeks en uitsluitend op het primaire Unierecht, namelijk op artikel 21 VWEU, te baseren.
46.
Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat, indien de verwijzende rechter oordeelt dat de kinderen van Alokpa, doordat zij zich op nieuwe gegevens kunnen beroepen die in de loop van de voor hem aanhangige procedure zijn aangevoerd, voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 2004/38, hun moeder als rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die daadwerkelijk zorg draagt voor haar kinderen, die burger van de Unie zijn, op grond van artikel 21 VWEU aanspraak kan maken op een afgeleid verblijfsrecht in Luxemburg.
47.
Op basis van deze overwegingen stel ik voor het eerste onderdeel van de prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat jonge kinderen, burgers van de Unie, die ten laste zijn van een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die niet van hen afhankelijk is en daadwerkelijk zorg voor hen draagt, zich op de bepalingen van richtlijn 2004/38 kunnen beroepen opdat aan deze bloedverwant, die derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht toekomt op het grondgebied van een lidstaat waarvan deze kinderen niet de nationaliteit hebben. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn is voldaan, waarbij hij, binnen de door de nationale procedureregels gestelde grenzen en gelet op de vereisten die voortvloeien uit het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel, rekening moet houden met de persoonlijke situatie van de betrokken burgers van de Unie, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de toekomstige of potentiële inkomsten die voortkomen uit een aan de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn gedaan aanbod voor een betrekking, zoals het geval is in het hoofdgeding.
C – Tweede onderdeel van de prejudiciële vraag: verlies van het genot van de belangrijkste aan het burgerschap van de Unie verbonden rechten
48.
In het tweede onderdeel van zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de rechtspraak van het arrest Ruiz Zambrano kan worden toegepast indien Alokpa en haar kinderen, die de Franse nationaliteit hebben, het Luxemburgse grondgebied moeten verlaten, ook al woont hun vader, met wie zij nooit een gemeenschappelijk gezinsleven hebben geleid, in Frankrijk, waarvan ook hij de nationaliteit heeft.
49.
Zoals reeds is aangegeven, valt de situatie van de kinderen van Alokpa binnen de werkingssfeer van het Unierecht en in het bijzonder van richtlijn 2004/38.
50.
Bijgevolg is artikel 20 VWEU, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest Ruiz Zambrano, niet van toepassing op een situatie zoals aan de orde in het hoofdgeding, temeer daar, vanaf het ogenblik dat de twee jonge burgers van de Unie zich naar een andere lidstaat begeven, daaronder begrepen de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, zij eveneens hun recht van vrij verkeer uitoefenen waardoor hun situatie a fortiori binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38 valt.
51.
Ofschoon artikel 20 VWEU niet van toepassing is, doet dit niet af aan de relevantie van het tweede onderdeel van de door de verwijzende rechter gestelde vraag, aangezien een van de besluiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen, Alokpa en – feitelijk – haar kinderen beveelt het Luxemburgse grondgebied te verlaten, waardoor het – minstens potentiële – gevaar ontstaat dat burgers van de Unie van het grondgebied van de Unie worden verwijderd.
52.
Bijgevolg moet worden nagegaan of de uitvoering van een dergelijk besluit tot gevolg heeft dat, in de zin van de arresten Ruiz Zambrano en Dereci e.a., de burgers van de Unie feitelijk worden verplicht het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten ( 19 ) en hun het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status ontleende rechten. ( 20 )
53.
De ter terechtzitting herhaalde bewering van verzoekers in het hoofdgeding dat het voor Alokpa en haar kinderen niet mogelijk is zich naar Frankrijk te begeven en daar te verblijven en dat zij dus verplicht zijn naar Togo terug te keren – wat waarschijnlijk de reden is waarom de verwijzende rechter in zijn vraag naar de situatie van de vader van de betrokken kinderen heeft verwezen – verbaast mij.
54.
Het is immers belangrijk voor ogen te houden dat de kinderen van Alokpa, als Franse onderdanen, een onvoorwaardelijk recht hebben om naar Frankrijk te gaan en daar te verblijven, in het bijzonder op grond van artikel 21 VWEU en op grond van een beginsel van internationaal recht dat in artikel 3 van Protocol nr. 4 bij het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden opnieuw is bevestigd. ( 21 )
55.
Bijgevolg kan het besluit van de Luxemburgse autoriteiten dat Alokpa en – feitelijk – haar kinderen beveelt het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg te verlaten hen niet verplichten het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Als moeder en als persoon die sedert de geboorte van de kinderen alléén daadwerkelijk zorg voor hen draagt, heeft Alokpa zelf een afgeleid recht om op het Franse grondgebied te verblijven.
56.
In die omstandigheden is het niet denkbaar dat de Franse autoriteiten Alokpa kunnen weigeren haar kinderen te vergezellen naar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en daar met hen te verblijven, temeer daar zij de enige persoon is met wie de kinderen sedert hun geboorte een gezinsleven hebben geleid. ( 22 ) Iedere andere oplossing zou leiden tot een verlies van het nuttig effect van de met het volle genot van de fundamentele status van burger van de Unie verbonden rechten.
57.
Bovendien verhindert een besluit tot verwijdering van het Luxemburgse grondgebied, gelet op de geografische nabijheid van de twee betrokken lidstaten, Alokpa niet noodzakelijkerwijs om op het door een Luxemburgse werkgever gedane aanbod voor een betrekking in te gaan, gelet op de omstandigheid dat zij bijvoorbeeld, zoals overigens duizenden Franse onderdanen doen, haar arbeid in loondienst als grensarbeidster kan verrichten.
58.
Hieruit volgt dat een besluit van de Luxemburgse bestuursorganen waarbij Alokpa en – feitelijk – haar kinderen wordt bevolen het Luxemburgse grondgebied te verlaten, niet kan worden geacht van dien aard te zijn dat deze kinderen daardoor worden verplicht het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten, waardoor hun het effectieve genot van de belangrijkste aan hun status als burgers van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd, aangezien vaststaat dat zij een onvoorwaardelijk recht hebben om zich te begeven naar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en daar te verblijven, welk recht impliceert dat, om zijn nuttig effect te behouden, aan Alokpa, als persoon die alléén daadwerkelijk zorg voor deze kinderen draagt en met wie de kinderen sedert hun geboorte als enige een gezinsleven hebben geleid, in Frankrijk een afgeleid verblijfsrecht wordt verleend.
III – Conclusie
59.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Cour administrative gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Jonge kinderen die burger van de Unie zijn en ten laste zijn van een rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn die niet van hen afhankelijk is en daadwerkelijk zorg voor hen draagt, kunnen zich beroepen op richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, opdat aan deze bloedverwant, die derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht toekomt op het grondgebied van een lidstaat waarvan deze kinderen niet de nationaliteit hebben. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn is voldaan, waarbij hij, binnen de door de nationale procedureregels gestelde grenzen en gelet op de vereisten die voortvloeien uit het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel, rekening moet houden met de persoonlijke situatie van de betrokken burgers van de Unie, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de toekomstige of potentiële inkomsten die voortkomen uit een aan de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn gedaan aanbod voor een betrekking, zoals het geval is in het hoofdgeding.
Een besluit van een lidstaat waarbij een derdelander die de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn is van en daadwerkelijk zorg draagt voor jonge kinderen die burger van de Unie zijn met de nationaliteit van een andere lidstaat, wordt bevolen het grondgebied van die lidstaat te verlaten, kan niet kan worden geacht van dien aard te zijn dat deze kinderen daardoor worden verplicht het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten, waardoor hun het effectieve genot van de belangrijkste aan hun status ontleende rechten zou worden ontzegd, aangezien vaststaat dat zij een onvoorwaardelijk recht hebben om zich te begeven naar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn en daar te verblijven, welk recht impliceert dat, om zijn nuttig effect te behouden, aan de rechtstreekse bloedverwant in opgaande lijn, als persoon die alléén daadwerkelijk zorg voor deze kinderen draagt en met wie de kinderen sedert hun geboorte als enige een gezinsleven hebben geleid, in deze lidstaat een afgeleid verblijfsrecht wordt verleend.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77).
( 3 ) Arrest van 8 maart 2011, Ruiz Zambrano (C-34/09, Jurispr. blz. I-1177).
( 4 ) Zie, respectievelijk, reeds aangehaald arrest Ruiz Zambrano (punten 36, 38 en 39) en arresten van 5 mei 2001, McCarthy (C-434/09, Jurispr. blz. I-3375, punt 48), en 15 november 2011, Dereci e.a. (C-256/11, Jurispr. blz. I-11315, punt 63).
( 5 ) Arrest van 19 oktober 2004 (C-200/02, Jurispr. blz. I-9925).
( 6 ) Ibidem (punten 19, 20 en 25‑27).
( 7 ) Richtlijn van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PB L 180, blz. 26).
( 8 ) De rechten die richtlijn 2004/38 verleent aan derdelanders die familieleden zijn van een burger van de Unie waaraan deze richtlijn rechten verleent, zijn volgens vaste rechtspraak geen persoonlijke rechten van deze derdelanders, maar rechten die zijn afgeleid uit de uitoefening van de vrijheid van verkeer door een burger van de Unie: zie in die zin reeds aangehaalde arresten McCarthy (punt 42) en Dereci e.a. (punt 55) en arrest van 8 november 2012, Iida (C‑40/11, punt 67).
( 9 ) Volgens vaste rechtspraak mag het Hof de verwijzende rechter de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaffen die het nuttig acht voor de beslechting van de voor de verwijzende rechter aanhangige zaak, ongeacht of deze daarnaar in zijn vragen heeft verwezen (zie met name arrest van 8 november 2007, ING. AUER, C-251/06, Jurispr. blz. I-9689, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo heeft het Hof in de reeds aangehaalde zaak McCarthy, nadat het had vastgesteld dat het hoofdgeding niet binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38 viel, zijn antwoord op artikel 21 VWEU gebaseerd, ofschoon de verwijzende rechter enkel om uitlegging van de bepalingen van deze richtlijn had verzocht. Voorts heeft het Hof, eveneens onder verwijzing naar diezelfde rechtspraak, in het arrest van 6 december 2012, O. e.a. (C‑356/11 en C‑357/11), in zijn antwoord aan de nationale rechter de bepalingen van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB L 251, blz. 12) in aanmerking genomen, ofschoon de nationale rechter in zijn vragen enkel naar artikel 20 VWEU had verwezen.
( 10 ) Punt 30 van het arrest.
( 11 ) Ibidem (punt 28).
( 12 ) Volledigheidshalve wens ik erop te wijzen dat deze overweging geen betrekking heeft op de lopende bestuursrechtelijke procedure betreffende het verzoek om een recht van verblijf als werkneemster dat Alokpa begin 2012 bij de Luxemburgse autoriteiten heeft ingediend en waarnaar ter terechtzitting zowel de advocaat van verzoekers in het hoofdgeding als de Luxemburgse regering heeft verwezen.
( 13 ) Deze twee beginselen beperken de procedurele autonomie van de lidstaten aldus dat nationale procedureregels slechts voor onder het recht van de Unie vallende situaties gelden voor zover deze regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel): zie in die zin met name arrest van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (C‑41/11, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 14 ) Pro memorie breng ik in herinnering dat artikel 21, lid 1, VWEU bepaalt dat dit recht bestaat „onder voorbehoud van de beperkingen en de voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld” en, bijgevolg, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden van richtlijn 2004/38.
( 15 ) Punt 44 van het arrest.
( 16 ) Zie artikel 1, lid 2, sub b, van richtlijn 90/364.
( 17 ) Reeds aangehaald arrest Zhu en Chen (punt 46) (eigen cursivering).
( 18 ) Reeds aangehaald arrest Iida (punten 55, 69 en 72).
( 19 ) Zie in die zin reeds aangehaald arrest Dereci e.a. (punt 66).
( 20 ) Reeds aangehaalde arresten Ruiz Zambrano (punten 43 en 44) en Dereci (punt 65).
( 21 ) Zie in die zin reeds aangehaald arrest McCarthy (punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 22 ) Overigens kan het verblijf van de kinderen op het Franse grondgebied een eventuele toenadering tot hun vader vergemakkelijken doordat zij regelmatig persoonlijke betrekkingen met hem kunnen onderhouden, wat overeenkomstig de bepalingen van het Handvest in het belang van het kind in aanmerking moet worden genomen: zie in die zin reeds aangehaald arrest O. e.a. (punt 76).
Full & Egal Universal Law Academy