CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 30 mei 2013 ( 1 )
Zaak C‑151/12
Europese Commissie
tegen
Koninkrijk Spanje
„Richtlijn 2000/60/EG — Waterbeleid van de Unie — Indeling en presentatie van de ecologische toestand van oppervlaktewateren — Stroomgebieden binnen autonome regio’s — Wetgevingsbevoegdheden van de Spaanse centrale overheid — Regelingen in Catalonië”
I – Inleiding
1.
De Commissie concludeert tot vaststelling dat het Koninkrijk Spanje met betrekking tot zijn intraregionale stroomgebieden de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 4, lid 8, artikel 7, lid 2, artikel 10, leden 1 en 2, van, en bijlage V, punten 1.3 en 1.4, bij de kaderrichtlijn water ( 2 ).
2.
Artikel 2, punt 13, van de kaderrichtlijn water definieert een stroomgebied als een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt.
3.
In het geval van de intraregionale stroomgebieden van Spanje liggen al deze wateren binnen één enkele autonome regio. Voor zover is na te gaan, berusten de wetgevingsbevoegdheden voor de uitvoering van de kaderrichtlijn water met betrekking tot deze gebieden bij de betrokken autonome regio.
4.
Daarentegen beschikt de Spaanse centrale overheid overeenkomstig artikel 149, lid 1, punt 22, van de Spaanse grondwet over een exclusieve bevoegdheid op het vlak van wetgeving, regeling en concessieverlening met betrekking tot de waterreserves en het watergebruik, wanneer de wateren door meer dan één autonome regio stromen. Dit betreft met name de zogenoemde „interregionale stroomgebieden” van Spanje die zich uitstrekken over meer dan één autonome regio.
5.
De bezwaren van de Commissie betreffen uitsluitend de intraregionale stroomgebieden. Zij kunnen worden verdeeld in drie groepen: Allereerst zal worden besproken of de door Spanje aangehaalde bepalingen tot omzetting van artikel 4, lid 8, artikel 7, lid 2, artikel 10, leden 1 en 2, van, en bijlage V, punt 1.3, bij de kaderrichtlijn water voor de intraregionale stroomgebieden met uitzondering van die van Catalonië te laat zijn vastgesteld (zie onder II). In de tweede plaats, hoewel de door Spanje aangehaalde bepalingen tot omzetting van bijlage V, punt 1.4, voor deze stroomgebieden tijdig werden vastgesteld, is het de vraag of deze daadwerkelijk een effectieve omzetting verzekeren (zie onder III). Ten slotte zal ik ingaan op de omzetting van de genoemde bepalingen in Catalonië voor de uitsluitend binnen deze regio liggende stroomgebieden (zie onder IV).
II – Artikel 4, lid 8, artikel 7, lid 2, artikel 10, leden 1 en 2, van, alsmede bijlage V, punt 1.3, bij de kaderrichtlijn water
6.
Ingevolge artikel 24, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/60 waren de lidstaten verplicht de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 22 december 2003 aan deze richtlijn te voldoen. ( 3 ) Dit geldt ook voor artikel 4, lid 8, artikel 7, lid 2, artikel 10, leden 1 en 2, van, en voor bijlage V, punt 1.3, bij de kaderrichtlijn water.
7.
Artikel 10 van de kaderrichtlijn water voorziet weliswaar in een bijzondere termijn van twaalf jaar voor de vaststelling en/of uitvoering van bepaalde emissiebeheersingsmaatregelen. Zoals de Commissie onbetwist heeft verklaard, gaat het hierbij echter niet om de termijn voor de omzetting van deze bepaling, maar om een termijn waarbinnen de in deze bepaling vastgestelde specifieke beheersingsmaatregelen moeten worden gerealiseerd. Want het belangrijkste onderdeel van de regeling in artikel 10 is de verplichting tot uitvoering van de emissiebeheersingsmaatregelen. Emissiebeheersingsmaatregelen die wel worden vastgesteld maar niet uitgevoerd, hebben geen nuttig effect en zouden moeilijk te verenigen zijn met het in artikel 191 VWEU en artikel 37 van het Handvest van de grondrechten opgenomen doel van de Unie om een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen. Derhalve is het zaak deze beheersingsmaatregelen binnen twaalf jaar te realiseren.
8.
De verwijzing naar de eventueel noodzakelijke vaststelling van beheersingsmaatregelen kan daarentegen niet aldus worden opgevat dat de termijn van twaalf jaar ook geldt voor de vaststelling van het wettelijk kader voor de in artikel 10 vereiste maatregelen. Dit wettelijk kader dient integendeel binnen de algemene termijn van artikel 24, lid 1, eerste alinea, te worden vastgesteld.
9.
Uit processueel oogpunt is evenwel een ander tijdstip doorslaggevend. Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van de niet-nakoming worden beoordeeld naar de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Met later opgetreden wijzigingen kan het Hof geen rekening houden. ( 4 ) In haar met redenen omkleed advies van 22 maart 2010 heeft de Commissie Spanje nog een laatste termijn voor de omzetting van de genoemde bepalingen gegund tot uiterlijk 22 mei 2010.
10.
Voor de omzetting met betrekking tot de intraregionale stroomgebieden, met uitzondering van Catalonië, beroept Spanje zich echter op een nationale regeling die pas na afloop van deze termijn van kracht werd, namelijk verordening ARM/1195/2011 van 11 mei 2011. ( 5 ) Aangezien in de onderhavige procedure geen rekening kan worden gehouden met deze verordening, is het beroep in zoverre gegrond.
III – Bijlage V, punt 1.4, bij de kaderrichtlijn water
11.
Voor de omzetting van bijlage V, punt 1.4, bij de kaderrichtlijn water beroept Spanje zich op een bepaling die reeds vóór afloop van de genoemde termijn in werking is getreden, namelijk punt 5.1 van de nationale verordening ARM/2656/2008 van 10 september 2008. ( 6 )
12.
Ter terechtzitting van 25 april 2013 heeft de Commissie deze grief beperkt tot bijlage V, punt 1.4.1, sub i tot en met iii, bij de kaderrichtlijn water. Deze bepalingen verplichten de lidstaten te voorzien in bepaalde monitoringssystemen.
13.
Deze verplichtingen zijn weliswaar onderdeel van de algemene systematiek van de kaderrichtlijn water, en bijlage V wordt om die reden ook in verschillende bepalingen genoemd, maar de verplichtende werking van bijlage V, punt 1.4.1, sub i tot en met iii, is niet afhankelijk van deze andere bepalingen, maar volgt reeds uit haar eigen bewoordingen.
14.
Dit onderwerp is tevens aan de orde in punt 5.1 van verordening ARM/2656/2008. De bepalingen van deze verordening zijn echter volgens artikel 1, lid 2, ervan uitsluitend van toepassing op de interregionale stroomgebieden. Dit lijkt aan te sluiten bij de bevoegdheidsverdeling tussen de centrale overheid en de autonome regio’s. Voor zover ik kan nagaan, zijn de betrokken autonome regio’s bevoegd voor de regelingen die de intraregionale stroomgebieden betreffen.
15.
Om die reden is naar de opvatting van de Commissie niet gewaarborgd dat bijlage V, punt 1.4.1, sub i tot en met iii, bij de kaderrichtlijn water ten aanzien van de intraregionale stroomgebieden is omgezet.
16.
Spanje voert evenwel aan dat volgens het Spaanse constitutionele recht punt 5.1 van verordening ARM/2656/2008 reeds de omzetting van bijlage V, punt 1.4.1, sub i tot en met iii, bij de kaderrichtlijn water verzekert bij ontbreken van door de autonome regio’s vastgestelde regelingen, ook ten aanzien van de intraregionale stroomgebieden. In dit verband beroept Spanje zich op artikel 149, lid 3, van de Spaanse grondwet en inzonderheid op de derde zin ervan:
„De taken die in deze grondwet niet uitdrukkelijk aan de Staat zijn opgedragen, kunnen door de autonome regio’s worden uitgeoefend overeenkomstig hun statuten. De bevoegdheid op gebieden die niet zijn genoemd in de autonomiestatuten, berust bij de Staat. De normen van de Staat hebben in geval van tegenstrijdigheid voorrang boven die van de autonome regio’s op alle gebieden die niet tot de uitsluitende bevoegdheid van deze regio’s behoren. In alle gevallen vult het nationale recht het recht van de autonome regio’s aan.”
17.
Het Hof kan niet beslissen of punt 5.1 van verordening ARM/2656/2008 op grond van artikel 149, lid 3, derde zin, van de Spaanse grondwet daadwerkelijk van toepassing is op de genoemde intraregionale stroomgebieden. Dit is een vraag van Spaans recht, die alleen kan worden beantwoord door de Spaanse rechterlijke instanties. Volgens de verstrekte informatie is dit tot dusver niet gebeurd.
18.
Niettemin kan ook zonder desbetreffende uitspraak worden beslist op de onderhavige grief. Zoals de Commissie heeft gesteld, is verordening ARM/2656/2008 namelijk volgens haar bewoordingen niet van toepassing op intraregionale stroomgebieden. Daarom moet worden onderzocht of Spanje heeft aangetoond dat artikel 149, lid 3, derde zin, van de Spaanse grondwet deze beperking van het toepassingsgebied opheft.
19.
In zoverre is het juist dat krachtens artikel 288, lid 3, VWEU de richtlijn weliswaar verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij is bestemd, doch aan de nationale instanties de bevoegdheid laat vorm en middelen te kiezen. Bijgevolg kan Spanje net als elke andere lidstaat de vorm en middelen voor de uitvoering van de kaderrichtlijn water kiezen. ( 7 )
20.
Derhalve is voor de omzetting van gemeenschapsrechtelijke bepalingen in nationaal recht niet noodzakelijk vereist dat deze formeel in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepaling worden overgenomen. Een algemene juridische context kan daartoe voldoende zijn, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de gemeenschapsrechtelijke bepalingen op voldoende bepaalde en duidelijke wijze verzekert. ( 8 )
21.
Met name kan door het bestaan van algemene beginselen van constitutioneel of administratief recht de uitvoering door specifieke wet- of regelgeving overbodig zijn, op voorwaarde dat deze beginselen de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale overheid daadwerkelijk garanderen en dat, ingeval de betrokken bepaling van de richtlijn rechten voor particulieren in het leven beoogt te roepen, de rechtssituatie die uit deze beginselen voortvloeit, voldoende bepaald en duidelijk is, zodat de begunstigden kennis kunnen nemen van al hun rechten en deze zo nodig geldend kunnen maken voor de nationale rechterlijke instanties. ( 9 )
22.
Derhalve kan niet worden uitgesloten dat een bepaling als artikel 149, lid 3, derde zin, van de Spaanse grondwet een toereikende omzetting van de richtlijn bewerkstelligt, zelfs als er geen maatregelen zijn genomen die hier uitdrukkelijk op gericht zijn.
23.
Ongeacht de vraag of bijlage V, punt 1.4.1, sub i tot en met iii, bij de kaderrichtlijn water – eventueel in samenhang met de richtlijn milieu-informatie ( 10 ) – rechten voor particulieren in het leven roept, veronderstelt de aard van de omzetting evenwel op zijn minst dat de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale overheid daadwerkelijk is gegarandeerd.
24.
De uitdrukkelijke beperking van het toepassingsgebied van verordening ARM/2656/2008 tot de interregionale stroomgebieden is in zoverre het belangrijkste obstakel. Een aanvullende werking van het recht van de autonome regio’s wat de intraregionale stroomgebieden betreft zou een toepassing van deze regeling vereisen die verder gaat dan de bewoordingen ervan toestaan.
25.
Bij de omzetting van een richtlijn en de toepassing ervan moeten de lidstaten echter de beginselen van het Unierecht respecteren ( 11 ), inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel. Dit begrenst de verplichting tot uitlegging conform het Unierecht, in die zin dat zij niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht. ( 12 ) Derhalve is het de vraag of het überhaupt met het Unierecht verenigbaar zou zijn, als verordening ARM/2656/2008 in strijd met haar eigen bewoordingen ten behoeve van de uitvoering van de kaderrichtlijn water zou worden toegepast op intraregionale stroomgebieden.
26.
Deze overweging geldt in het bijzonder wanneer de uitlegging contra legem verplichtingen of nadelen voor particulieren kan meebrengen, hetgeen in casu op het eerste gezicht niet aan de orde lijkt te zijn. Een omzetting waarvan de verenigbaarheid met het rechtszekerheidsbeginsel twijfelachtig is, zal echter hoe dan ook nauwelijks een garantie bieden voor een volledige toepassing van de richtlijn door de nationale overheid. Er bestaat immers steeds het gevaar dat de bevoegde instanties primair afgaan op de bewoordingen van de bepalingen.
27.
Spanje heeft verklaard dat op nationaal vlak een duidelijkere omzetting wat de intraregionale stroomgebieden betreft op grond van de grondwet uitgesloten is. Een regeling die uitdrukkelijk – zij het subsidiair – op deze gebieden van toepassing is, zou immers naar de opvatting van Spanje de bevoegdheden van de regio’s aantasten.
28.
Dit betoog laat evenwel de zwakke punten zien van een omzetting op basis van artikel 149, lid 3, derde zin, van de Spaanse grondwet: de subsidiaire toepassing van Spaans nationaal recht wordt juist niet gewaarborgd door de voor de omzetting van een richtlijn vereiste duidelijkheid, aangezien voor de subsidiaire toepassing slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is, indien er geen alternatief is.
29.
Dit wordt onderstreept door het door Spanje aangevoerde mechanisme van de subsidiaire toepasselijkheid van nationale regelingen. Volgens de aangehaalde rechtspraak van de Spaanse constitutionele rechter zijn deze namelijk niet reeds van toepassing, als een autonome regio geen regeling heeft getroffen ten aanzien van een nationaal geregelde aangelegenheid, maar pas als de rechtspraktijk een leemte in de regeling ( 13 ) vaststelt.
30.
Hoewel er veel voor is te zeggen om een ontbrekende omzetting van het Unierecht te beschouwen als een leemte in de regeling, zou in dat geval de subsidiaire toepassing van het nationale recht naar haar aard niet beter gewaarborgd zijn dan de rechtstreekse toepassing van de betrokken bepaling van de richtlijn. De rechtstreekse toepassing wordt door het Hof echter niet geaccepteerd als geschikt alternatief voor de omzetting. ( 14 )
31.
Ook de verwijzingen naar verordening ARM/2656/2008 in de beheersplannen van de autonome regio’s voor de betrokken gebieden zijn niet voldoende om deze verordening als toereikende omzetting te beschouwen voor de intraregionale stroomgebieden. Het is namelijk niet duidelijk of de regio’s hebben gehandeld op grond van een rechtsplicht. Dat rekening is gehouden met de verordening, zou ook enkel kunnen berusten op opportuniteitsgronden. In dat geval zijn de verwijzingen slechts uitdrukking van bestuurlijke praktijken, die het Hof evenmin erkent, aangezien deze op elk gewenst moment kunnen worden gewijzigd. ( 15 )
32.
Voor het overige benadrukt de Commissie terecht dat de autonome regio’s op eenvoudige wijze de nationale regelingen uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing kunnen verklaren voor de stroomgebieden op hun grondgebied en aldus voor de vereiste rechtszekerheid kunnen zorgen. Dit is echter niet gebeurd.
33.
Derhalve kan weliswaar niet worden uitgesloten dat punt 5.1 van verordening ARM/2656/2008 juncto artikel 149, lid 3, derde zin, van de Spaanse grondwet praktisch gezien de volledige toepassing van bijlage V, punt 1.4.1, sub i tot en met iii, bij de kaderrichtlijn water door de Spaanse overheid verzekert, maar vast staat dit niet.
34.
In tegenstelling tot de opvatting van Spanje betekent een conclusie in deze zin niet dat zijn nationale identiteit die besloten ligt in zijn politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur, in strijd met artikel 4, lid 2, VEU niet wordt geëerbiedigd. Het is niet uitgesloten dat in federale of gedecentraliseerde stelsels de omzetting van Unierecht door een subsidiaire toepassing van nationale regelingen plaatsvindt. Deze subsidiaire toepassing moet echter wel boven iedere twijfel verheven zijn. Aan deze eisen voldoet het Spaanse recht niet.
35.
Integendeel: het zou een miskenning van de terughoudendheid van het Spaanse constitutionele recht ten opzichte van een subsidiaire toepassing van het nationale recht betekenen, wanneer deze als omzetting van een richtlijn zou worden aanvaard. Het belang van de wetgevende verantwoordelijkheid die gepaard gaat met de bevoegdheden van de regio’s, zou dan worden onderschat.
36.
Samenvattend moet worden geconstateerd dat Spanje ten aanzien van de intraregionale stroomgebieden, die in Catalonië uitgezonderd, zijn verplichtingen voortvloeiende uit punt 1.4.1, sub i tot en met iii, van bijlage V bij de kaderrichtlijn water heeft geschonden.
IV – Omzettingsmaatregelen in Catalonië
37.
Hieronder zal ik de in Catalonië getroffen omzettingsmaatregelen bespreken. Spanje heeft voor het eerst in het verweerschrift aangevoerd dat Catalonië de door de Commissie genoemde bepalingen van de kaderrichtlijn water heeft omgezet.
38.
De Commissie stelt terecht dat Spanje zijn krachtens artikel 4, lid 3, VEU op hem rustende verplichtingen tot medewerking in de precontentieuze procedure heeft geschonden. In beginsel had Spanje de Commissie reeds in de precontentieuze procedure moeten informeren over de Catalaanse maatregelen. ( 16 ) Deze schending van het Unierecht is echter niet onderwerp van de onderhavige procedure.
39.
De Commissie leidt uit deze schending evenwel af dat het Hof geen rekening kan houden met de informatie over de in Catalonië getroffen uitvoeringsmaatregelen. Het in dit verband aangevoerde precedent ( 17 ) betrof echter informatie die pas ter terechtzitting was verstrekt en derhalve te laat was op grond van artikel 42, lid 1, van het destijds toepasselijke Reglement voor de procesvoering (thans artikel 128, lid 1).
40.
Daarentegen belet een schending van artikel 4, lid 3, VEU in de precontentieuze procedure Spanje in beginsel niet om voor het eerst in het verweerschrift nieuwe bewijzen en middelen aan te voeren. Daartoe behoort ook informatie over de uitvoeringsmaatregelen die in de precontentieuze procedure nog niet was verstrekt. ( 18 )
41.
Aangezien Spanje beweert dat de litigieuze bepalingen van de kaderrichtlijn water door de genoemde Catalaanse regelingen worden omgezet, is het de taak van de Commissie dit betoog te weerleggen. De Commissie moet in een beroep wegens niet-nakoming het gestelde verzuim aantonen. Zij moet het Hof de informatie verschaffen die het nodig heeft om te kunnen vaststellen of er inderdaad sprake is van deze niet-nakoming, en kan zich daarbij niet baseren op een of ander vermoeden. ( 19 )
42.
In antwoord op het nieuwe betoog van Spanje merkt de Commissie enkel – terecht – op dat het beheersplan voor het stroomgebied Catalonië van 5 september 2011 ( 20 ) te laat werd vastgesteld om nog in de onderhavige procedure in aanmerking te kunnen worden genomen. Hetzelfde geldt overigens voor het eveneens door Spanje aangehaalde maatregelenprogramma van Catalonië van 23 november 2010. ( 21 )
43.
Spanje voert deze twee maatregelen naast andere, tijdig vastgestelde regelingen aan als bewijs dat een omzetting van artikel 7, lid 2, en artikel 10, leden 1 en 2, van de kaderrichtlijn water heeft plaatsgevonden. Bijgevolg waren deze bepalingen volgens het eigen betoog van Spanje ook in Catalonië slechts gedeeltelijk, maar niet volledig omgezet op het voor de onderhavige procedure doorslaggevende tijdstip.
44.
Daarentegen voert Spanje voor de omzetting van artikel 4, lid 8, van, en bijlage V, punten 1.3 en 1.4.1, sub i tot en met iii, bij de kaderrichtlijn water in Catalonië enkel het Catalaanse decreet 380/2006 van 10 oktober 2006 ( 22 ) alsmede een Catalaans programma van 3 juni 2008 aan. ( 23 ) Beide maatregelen waren bij de afloop van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn reeds van toepassing. Om die reden kan in casu worden onderzocht of de genoemde bepalingen hierdoor worden omgezet.
45.
Spanje heeft deze maatregelen slechts kort gepresenteerd, maar niet aan het Hof ter beschikking gesteld. Aangezien de Commissie geen inhoudelijke bezwaren aanvoert en de omzetting ook niet betwist op grond van het ontbreken van informatie, kan niet worden vastgesteld dat deze regelingen niet voldoen aan de vereisten van artikel 4, lid 8, van en bijlage V, punten 1.3 en 1.4.1, sub i tot en met iii, bij de kaderrichtlijn water.
46.
Ik stel derhalve vast dat artikel 7, lid 2, en artikel 10, leden 1 en 2, van de kaderrichtlijn water op het doorslaggevende tijdstip in Catalonië niet volledig waren omgezet.
V – Kosten
47.
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij, indien zulks is gevorderd, in de kosten verwezen. Aangezien de Commissie heeft gevorderd het Koninkrijk Spanje, dat in casu grotendeels in het ongelijk is gesteld, in de kosten te verwijzen en aangezien Spanje, voor zover het in het gelijk is gesteld, heeft verzuimd in de precontentieuze procedure alle nuttige informatie te verschaffen over de bepalingen van intern recht waarmee het zijns inziens de verschillende verplichtingen van de richtlijn had vervuld ( 24 ), dient Spanje te worden verwezen in de kosten.
VI – Conclusie
48.
Derhalve geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1)
Het Koninkrijk Spanje heeft met betrekking tot zijn intraregionale stroomgebieden, Catalonië uitgezonderd, niet alle noodzakelijke maatregelen getroffen voor de omzetting van artikel 4, lid 8, artikel 7, lid 2, artikel 10, leden 1 en 2, van, alsmede de punten 1.3 en 1.4.1, sub i tot en met iii, van bijlage V bij richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.
2)
Het Koninkrijk Spanje heeft met betrekking tot zijn volledig binnen Catalonië liggende stroomgebieden niet alle noodzakelijke maatregelen getroffen voor de omzetting van artikel 7, lid 2, alsmede artikel 10, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/60.
3)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4)
Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327, blz. 1).
( 3 ) Arrest van 11 september 2012, Nomarchiaki Aftodioikisi Aitoloakarnanias e.a. (C‑43/10, punten 43‑46).
( 4 ) Arresten van 28 juni 2007, Commissie/Spanje (C-235/04, Jurispr. blz. I-5415, punt 52); 6 september 2012, Commissie/België (C‑150/11, punt 43), en 6 november 2012, Commissie/Hongarije (C‑286/12, punt 41).
( 5 ) Orden ARM/1195/2011, de 11 de mayo, por la que se modifica la Orden ARM/2656/2008, de 10 de septiembre, por la que se aprueba la instrucción de planificación hidrológica, BOE nr. 114 van 13 mei 2011, blz. 48584.
( 6 ) Orden ARM/2656/2008, de 10 de septiembre, por la que se aprueba la instrucción de planificación hidrológica, BOE nr. 229 van 22 september 2008, blz. 38472.
( 7 ) Arresten van 13 december 2007, Commissie/Ierland (C-418/04, Jurispr. blz. I-10947, punt 157), en 14 oktober 2010, Commissie/Oostenrijk (C-535/07, Jurispr. blz. I-9483, punt 60).
( 8 ) Arresten van 27 april 1988, Commissie/Frankrijk (252/85, Jurispr. blz. 2243, punt 5); 12 juli 2007, Commissie/Oostenrijk (C-507/04, Jurispr. blz. I-5939, punt 89), en 27 oktober 2011, Commissie/Polen (C‑311/10, punt 40).
( 9 ) Arresten van 23 mei 1985, Commissie/Duitsland (29/84, Jurispr. blz. 1661, punt 23), 20 november 2003, Commissie/Frankrijk (C-296/01, Jurispr. blz. I-13909, punt 55), en 3 december 2009, Commissie/België (C-475/08, Jurispr. blz. I-11503, punt 41).
( 10 ) Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41, blz. 26).
( 11 ) Arresten van 18 mei 2000, Rombi en Arkopharma (C-107/97, Jurispr. blz. I-3367, punt 65); 27 juni 2006, Parlement/Raad (C-540/03, Jurispr. blz. I-5769, punt 105); 29 januari 2008, Promusicae (C-275/06, Jurispr. blz. I-271, punt 68), alsmede 6 december 2012, O en S (C‑356/11 en C‑357/11, punt 80).
( 12 ) Arresten van 4 juli 2006, Adeneler e.a. (C-212/04, Jurispr. blz. I-6057, punt 110); 15 april 2008, Impact (C-268/06, Jurispr. blz. I-2483, punt 100); 16 juli 2009, Mono Car Styling (C-12/08, Jurispr. blz. I-6653, punt 61), en 24 januari 2012, Dominguez (C‑282/10, punt 25).
( 13 ) Zie arrest van 11 november 2010, Grootes (C-152/09, Jurispr. blz. I-11285, punt 41), inzake de analoge toepassing van een bepaling in het Unierecht.
( 14 ) Arresten van 6 mei 1980, Commissie/België (102/79, Jurispr. blz. 1473, punt 12), 2 mei 1996, Commissie/Duitsland (C-253/95, Jurispr. blz. I-2423, punt 13), en arrest Commissie/België (aangehaald in voetnoot 9, punt 44).
( 15 ) Arrest van 24 maart 1994, Commissie/België (C-80/92, Jurispr. blz. I-1019, punt 20), arrest Commissie/Frankrijk (aangehaald in voetnoot 9, punt 54) en arrest van 27 januari 2011, Commissie/Luxemburg (C-490/09, Jurispr. blz. I-247, punt 47).
( 16 ) Arresten van 26 april 2005, Commissie/Ierland (C-494/01, Jurispr. blz. I-3331, punten 44 e.v.), en 26 april 2007, Commissie/Italië (C-135/05, Jurispr. blz. I-3475, punten 27 e.v.).
( 17 ) Arrest van 13 juni 2002, Commissie/Spanje (C-474/99, Jurispr. blz. I-5293, punten 42 e.v.).
( 18 ) Arresten van 16 juni 2005, Commissie/Italië (C-456/03, Jurispr. blz. I-5335, punt 41), en 30 november 2006, Commissie/Luxemburg (C-32/05, Jurispr. blz. I-11323, punten 52‑56).
( 19 ) Arresten van 25 mei 1982, Commissie/Nederland (96/81, Jurispr. blz. 1791, punt 6); 14 juni 2007, Commissie/Finland (C-342/05, Jurispr. blz. I-4713, punt 23), en 19 december 2012, Commissie/België (C‑577/10, punt 34).
( 20 ) Real Decreto 1219/2011, de 5 de septiembre, por el que se aprueba el Plan de gestión del distrito de cuenca fluvial de Cataluña, BOE nr. 228 van 22 september 2011.
( 21 ) Programa de Medidas, aprobado por Acuerdo del Gobierno de la Generalidad de Cataluña de 23 de noviembre de 2010.
( 22 ) Decreto 380/2006, de 10 de octubre, por el que se aprueba el Reglamento de la planificación hidrológica, DOGC nr. 4740 van 16 oktober 2006, blz. 42776.
( 23 ) Programa de Seguimiento y Control del Distrito de Cuenca Fluvial de Cataluña, aprobado por acuerdo del Gobierno de la Generalidad de Cataluña (GOV/128/2008) de 3 de Junio de 2008.
( 24 ) Zie in die zin arrest Commissie/Luxemburg (aangehaald in voetnoot 18, punt 87).
Full & Egal Universal Law Academy