CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. CRUZ VILLALÓN
van 27 juni 2013 ( 1 )
Zaak C‑166/12
Radek Časta
tegen
Česká správa sociálního zabezpečení
[verzoek van de Krajský soud v Praze (Tsjechië) om een prejudiciële beslissing]
„Ambtenaren van de Europese Unie — Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen — Pensioenen — Binnen het nationale stelsel verworven pensioenrechten — Overdracht naar het pensioenstelsel van de Unie — Kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten — Artikel 34 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie”
1.
De onderhavige procedure biedt het Hof voor het eerst de gelegenheid zich uit te spreken over de bij verordening nr. 723/2004 ( 2 ) gewijzigde tekst van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) ( 3 ). Die bepaling verleent ambtenaren die, na een activiteit in een lidstaat te hebben uitgeoefend, in dienst van de Unie treden, de mogelijkheid om het kapitaal dat overeenkomt met de door hen in de lidstaat verworven pensioenrechten te laten overdragen naar de Unie. Het Hof wordt in casu verzocht toe te lichten wat moet worden begrepen onder over te dragen „kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten” en welke eventuele beperkingen de genoemde bepaling de lidstaten bij de berekening van dat kapitaal oplegt.
2.
De vragen rijzen tegen de achtergrond van de indiensttreding bij de Unie van een bij het Tsjechische pensioenstelsel aangesloten burger. Op zijn verzoek om overdracht van de pensioenrechten hebben de Tsjechische socialezekerheidsautoriteiten hem aangeboden een bedrag naar het pensioenstelsel van de Unie over te dragen dat lager ligt dan 50 % van de voor hem betaalde bijdragen.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
3.
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut luidt in de in het hoofdgeding toepasselijke redactie:
„De ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na:
—
de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd,
—
in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt,
kan, na zijn aanstelling in vaste dienst, doch vóór het tijdstip waarop hij het recht op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 van het Statuut verkrijgt, het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, geactualiseerd tot op de dag waarop de overdracht plaatsvindt, aan de Gemeenschappen doen betalen. [...]
Van deze mogelijkheid kan de ambtenaar per lidstaat en per pensioenfonds slechts éénmaal gebruikmaken.”
4.
De zinsnede „kan, na zijn aanstelling in vaste dienst [...] het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten [...] aan de Gemeenschappen doen betalen” in de eerste alinea na het tweede gedachtestreepje is ingelast bij verordening nr. 723/2004 en is per 1 mei 2004 ( 4 ) in de plaats gekomen van de eerdere formulering: „kan bij zijn aanstelling in vaste dienst hetzij de actuariële tegenwaarde van, hetzij de afkoopsom voor de rechten op ouderdomspensioen die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, aan de Gemeenschappen doen betalen”.
B – Nationaal recht
5.
De complexe regeling van het Tsjechische pensioenstelsel is verspreid over verschillende handelingen. In casu relevant zijn vooral wet nr. 589/1992 inzake de socialezekerheidsbijdragen en de bijdragen tot het werkgelegenheidsbeleid van de overheid, wet nr. 155/1995 inzake de pensioenverzekering en verordening van de regering nr. 587/2006 houdende vaststelling van nadere bepalingen inzake de wederzijdse overdracht van pensioenrechten naar en van het pensioenstelsel van de Europese Gemeenschappen.
1. Pensioen
6.
Overeenkomstig wet nr. 589/1992 betalen werkgevers en werknemers bijdragen aan de Tsjechische pensioenverzekering. De bijdrage van de werkgevers bedroeg van 1996 tot en met 2003 19,5 % van de pensioengrondslag, en bedraagt sinds 2004 21,5 %. Werknemers dienden gedurende dat tijdvak 6,5 % van de pensioengrondslag af te dragen. De pensioengrondslag voor de werkgever is gelijk aan de som van de pensioengrondslagen van alle werknemers die hij in dienst heeft (§§ 3 tot en met 5 van wet nr. 589/1992).
7.
Het ouderdomspensioen omvat een voor alle pensioengerechtigden gelijk basisbedrag en een variabel bedrag dat afhankelijk is van de totale verzekeringsduur van de aanvrager en van de zogenoemde berekeningsgrondslag (§§ 33 tot en met 36 van wet nr. 155/1995).
8.
Volgens § 34, lid 1, van wet nr. 155/1995 is het variabele bedrag voor ieder volledig verzekeringsjaar gelijk aan maandelijks 1,5 % van de berekeningsgrondslag. Tijdvakken waarin doorgaans geen noemenswaardig inkomen werd verworven (zogenoemde „vervangende verzekeringstijdvakken”, bijvoorbeeld wegens de verzorging van minderjarige kinderen of studie) worden met het oog op de verzekeringsduur voor 80 % in aanmerking genomen.
9.
De berekeningsgrondslag is afhankelijk van de individuele pensioengrondslag van de werknemer. Deze bestaat volgens § 16 van wet nr. 155/1995 uit het geïndexeerde maandgemiddelde van het inkomen waarover gedurende de gehele verzekeringsduur, maar maximaal gedurende de laatste 30 jaar ( 5 ), pensioenbijdragen zijn betaald. Tot een bedrag van 10000 CZK is de individuele pensioengrondslag gelijk aan de berekeningsgrondslag. Bedragen daarboven worden tot 24800 CZK voor 30 % in de berekeningsgrondslag betrokken, en bedragen boven 24800 CZK voor 10 % (§ 15 van wet nr. 155/1995). Vervangende verzekeringstijdvakken worden meegerekend in de verzekeringsduur. Ter bepaling van de individuele pensioengrondslag wordt de relevante periode verminderd met zogenoemde „uitgesloten tijdvakken”, die in wezen overeenkomen met de vervangende verzekeringstijdvakken.
2. Overdracht van pensioenrechten
10.
Krachtens § 105 bis, leden 1 en 4, van wet nr. 155/1995 inzake de pensioenverzekering, die strekt tot omzetting van de bepalingen van het Statuut, hebben verzekerden die ambtenaar of ander personeelslid van de Europese Gemeenschappen of hun instellingen zijn geworden en hun dienstverband in Tsjechië hebben beëindigd, recht op overdracht van hun in die lidstaat verworven pensioenrechten naar het pensioenstelsel van de Gemeenschappen indien zij geen pensioen ontvangen van het Tsjechische pensioenstelsel. Hierbij wordt onder „pensioenrechten verstaan [...] een geldbedrag dat overeenkomt met de actuariële tegenwaarde op basis van het vervulde tijdvak van verzekering en van de pensioengrondslagen.”
11.
De overdracht van de pensioenrechten van een in dienst van de Europese Unie getreden ambtenaar is nader geregeld in verordening van de regering nr. 587/2006. § 2 ervan heeft betrekking op de berekening van het over te dragen bedrag ter zake van in Tsjechië verworven pensioenrechten. Die paragraaf bepaalt:
„1.
De hoogte van het over te dragen bedrag overeenkomend met de in de Tsjechische Republiek verworven pensioenrechten wordt berekend door de eenheidswaarde van het uitgestelde pensioen te vermenigvuldigen met de som van het verwachte variabele gedeelte van het ouderdomspensioen en een proportioneel gedeelte van het basisbedrag van het ouderdomspensioen.
2.
Het verwachte variabele bedrag van het ouderdomspensioen wordt volgens de procedure van § 34, lid 1, van de wet inzake de pensioenverzekering aldus berekend dat de verzekeringsduur en de berekeningsgrondslag worden bepaald op de peildatum; de peildatum is de datum waarop wordt verzocht om overdracht van de pensioenrechten bij de bevoegde instelling van de Europese Gemeenschappen. [...] Met het oog op de bepaling van de individuele berekeningsgrondslag wordt het tijdvak van aansluiting bij het pensioenstelsel van de Gemeenschappen als uitgesloten tijdvak beschouwd. [...]
3.
Het proportionele gedeelte van het basisbedrag van het ouderdomspensioen wordt berekend door het op de peildatum geldende basisbedrag van het ouderdomspensioen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het tijdvak van aansluiting bij het Tsjechische pensioenstelsel vanaf die datum en de verzekeringstijdvakken tot de datum waarop degene die om overdracht van pensioenrechten verzoekt (hierna: aanvrager) de pensioengerechtigde leeftijd overeenkomstig de op peildatum vigerende bepalingen heeft bereikt. [...]
4.
De eenheidswaarde van het uitgestelde pensioen wordt bepaald met inaanmerkingneming van de leeftijd van de aanvrager op de peildatum, [...] de op de peildatum geldende sterftetabellen en 70 % van de waarde van de op de peildatum geldende maximale technische rentevoet die bij wettelijke bepaling is vastgesteld voor verzekeringsdoeleinden. [...]
5.
Ter bepaling van de eenheidswaarde van het uitgestelde pensioen wordt gebruik gemaakt van de sterftetabellen van het Ministerie van Werkgelegenheid en Sociale Zaken, die voor mannen en vrouwen gelijk zijn en worden vastgesteld voor periodes van telkens vijf opeenvolgende kalenderjaren.
6.
Het overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 berekende bedrag wordt verhoogd met een geldbedrag overeenkomend met de rente over de volgens de leden 1 tot en met 5 berekende som voor het tijdvak tussen de peildatum en de dag voorafgaand aan die van overdracht van het geldbedrag [...] op de rekening van pensioenstelsel van de Europese Gemeenschappen [...].”
12.
De bijlage bij verordening nr. 587/2006 bevat de formule voor de berekening van de eenheidswaarde van het uitgestelde pensioen. De maximale technische rentevoet is in artikel 12, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 434/2009 bepaald op de rentevoet van de Tsjechische overheidsobligaties.
II – Feiten en hoofdgeding
13.
Časta is sinds 1 december 2006 ambtenaar bij de Europese Commissie. Vóór die tijd is hij volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens gedurende bijna tien jaar, namelijk vanaf 1oktober 1996 ( 6 ), aangesloten geweest bij het Tsjechische pensioenstelsel, en zijn de voor hem verschuldigde bijdragen aan dat stelsel afgedragen.
14.
Op 28 november 2008 verzocht Časta bij de Commissie op basis van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut om betaling van het kapitaal dat overeenkomt met zijn in Tsjechië verworven pensioenrechten aan de Gemeenschap. Zijn verzoek werd door de Commissie op 27 maart 2009 voorgelegd aan de Česká správa sociálního zabezpečení (het Tsjechische socialezekerheidsorgaan; hierna: „verweerder in het hoofdgeding”).
15.
Verweerder in het hoofdgeding bood Časta bij besluit van 8 februari 2011 aan een bedrag van 523584 CZK over te dragen. Dat bedrag komt overeen met 48,26 % van de voor Časta tot dat tijdstip betaalde bijdragen (1084922,05 CZK ( 7 )).
16.
Verweerder in het hoofdgeding berekende het aangeboden bedrag op basis van § 105 bis van wet nr. 155/1995 in de op de dag van indiening van het verzoek geldende redactie en § 2 van verordening nr. 587/2006.
17.
Časta tekende bezwaar aan tegen voormeld beluit. Zijns inziens is de in het Tsjechische recht vastgelegde berekeningswijze in strijd met artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut juncto artikel 10 EG (thans artikel 4, lid 3, VEU). Het over te dragen bedrag moet naar zijn mening althans bij benadering overeenkomen met het totale bedrag van de betaalde bijdragen of zelfs hoger liggen. Tevens is in zijn ogen sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling en had bij de berekening van zijn rechten rekening moeten worden gehouden met het tijdvak waarin hij was aangesloten bij het pensioenstelsel van de Europese Gemeenschap.
18.
Verweerder in het hoofdgeding wees het bezwaar op 10 mei 2011 af. Op 12 mei 20011 stelde Časta bij de Krajský soud v Praze beroep in tot nietigverklaring van het besluit.
III – Prejudicieel verzoek en procesverloop voor het Hof
19.
De verwijzende rechter heeft bij beslissing, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 april 2012, de procedure geschorst en het Hof overeenkomstig artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Hoe moet het begrip ‚kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten’ in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 723/2004 van de Raad (hierna: ‚Statuut’), worden begrepen? Omvat dit begrip zowel het bedrag van de pensioenrechten in de vorm van de actuariële tegenwaarde bedoeld in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut in de versie die van kracht was vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 723/2004, als het bedrag van de pensioenrechten in de vorm van de afkoopsom bedoeld in deze bepaling, of moet het worden gelijkgesteld met slechts één van die twee begrippen, en, indien dit niet het geval is, waarin verschilt het van die begrippen?
2)
Staat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, juncto artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon, eraan in de weg dat de methode voor de berekening van de pensioenrechten wordt toegepast waarin is voorzien in § 105 bis, lid 1, van wet nr. 155/1995 betreffende de pensioenverzekering en in verordening van de regering nr. 587/2006 houdende vaststelling van nadere bepalingen inzake de wederzijdse overdracht van pensioenrechten naar en van het pensioenstelsel van de Europese Gemeenschappen? Is het in dit verband relevant dat die berekeningsmethode in een concreet geval tot gevolg heeft dat de voor overdracht naar het pensioenstelsel van de Unie aangeboden pensioenrechten niet eens de helft bedragen van het bedrag van de door een ambtenaar aan het nationale pensioenstelsel betaalde bijdragen?
3)
Moet het arrest van het Hof van Justitie in zaak C‑293/03, Gregorio My/Rijksdienst voor pensioenen (RVP), aldus worden uitgelegd dat voor de berekening van de waarde van de naar het pensioenstelsel van de Unie over te dragen pensioenrechten volgens een actuariële methode gebaseerd op het tijdvak van verzekering, de individuele pensioengrondslag ook het tijdvak dient te omvatten waarin de ambtenaar van de Unie vóór de datum van indiening van een verzoek om overdracht van pensioenrechten al bijdragen heeft betaald aan het pensioenstelsel van de Unie?”
20.
Časta, de verweerder in het hoofdgeding, de Tsjechische Republiek en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
21.
Aan de terechtzitting op 13 maart 2013 is deelgenomen door Časta, de Tsjechische Republiek en de Commissie.
IV – Juridische beoordeling
A – Opmerking vooraf
22.
Voordat ik inga op de prejudiciële vragen, lijkt het mij nuttig een toelichting te geven op een aantal in casu relevante beginselen die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof, met name uit het arrest My. ( 8 )
23.
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut verleent een in dienst van de Unie tredende ambtenaar het recht ( 9 ), eerder in een lidstaat verworven pensioenrechten over te dragen naar het pensioenstelsel van de Europese Unie. De hierdoor tot stand gebrachte coördinatie van de pensioenstelsels vindt plaats in twee fasen: in de eerste fase wordt de waarde van de pensioenrechten door de bevoegde nationale instantie bepaald en naar de Unie overgedragen. Volgens de rechtspraak van het Hof zijn de lidstaten op grond van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut juncto artikel 4, lid 3, VEU verplicht de hiertoe noodzakelijke maatregelen te nemen. ( 10 )
24.
In de tweede fase wordt de voornoemde waarde door de instellingen van de Unie omgerekend in pensioenjaren die in het pensioenstelsel van de Unie in aanmerking worden genomen. ( 11 ) De berekening van de kapitaalwaarde behoort tot de taken van de lidstaten ( 12 ), hetgeen betekent dat de gestelde prejudiciële vragen betrekking hebben op de eerste fase van die procedure.
25.
Met de mogelijkheid van overdracht van pensioenrechten wordt beoogd, de overgang van een werkkring in de lidstaten naar een aanstelling bij de Unie te vergemakkelijken en de Unie aldus in staat te stellen gekwalificeerd en ervaren personeel aan te trekken. ( 13 )
26.
Uit die doelstelling van aantrekking van gekwalificeerd personeel door de Unie, bij de realisering waarvan de lidstaten de Unie dienen te ondersteunen uit hoofde van het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, VEU, volgt een fundamenteel beginsel dat mijns inziens het Hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn rechtspraak over de omstreden bepaling: de pensioensituatie van een werknemer in een lidstaat mag er niet op achteruitgaan wanneer hij als ambtenaar in dienst treedt van de Unie.
27.
Dit fundamentele beginsel komt met name in het arrest My tot uitdrukking. In die zaak had een ambtenaar van de Raad van de EG, die 27 jaar lang was aangesloten bij het Europese pensioenstelsel en daarvoor 19 jaar lang bij het Belgische pensioenstelsel, uitdrukkelijk afgezien van overdracht van zijn Belgische pensioenrechten naar de EG. Het door hem in België aangevraagde vervroegde rustpensioen werd hem echter niet toegekend omdat hij de hiervoor vereiste 35 verzekeringsjaren in het Belgische pensioenstelsel niet had vervuld.
28.
Alhoewel artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut geen uitdrukkelijke regeling bevat betreffende het nationale pensioenen voor het geval dat een EU-ambtenaar afziet van overdracht van zijn pensioenrechten, stelde het Hof vast dat een lidstaat die weigert om voor het ontstaan van een recht op een vervroegd rustpensioen krachtens zijn nationale stelsel, rekening te houden met de in dienst van een gemeenschapsinstelling gewerkte jaren, in strijd handelt met de bepalingen van het Statuut juncto artikel 10 EG (thans artikel 4, lid 3, VEU). ( 14 ) Uit de opmerkingen van advocaat-generaal Tizzano blijkt dat het genoemde fundamentele beginsel doorslaggevend was voor de argumentatie van het Hof. Hij stelde namelijk vast dat het er bij de uitlegging van de bepaling om gaat „de continuïteit van de pensioenopbouw van de ambtenaren [...] te garanderen“ ( 15 ).
29.
De zaak My toont aan dat het beginsel dat de pensioenopbouw van een in een lidstaat werkzame persoon niet erop achteruit mag gaan wanneer de betrokkene als ambtenaar in dienst van de Unie treedt, zowel van toepassing is wanneer nationale pensioenrechten worden overgedragen als wanneer niet van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.
30.
Voor een EU-ambtenaar die besluit zijn pensioenrechten niet te laten overdragen, moet het nationale recht de jaren die de betrokkene in dienst van een EU-instelling heeft gewerkt in aanmerking nemen bij de berekening van een minimumtijdvak van verzekering waarin is voorzien voor het ontstaan van het pensioenrecht ( 16 ) en aldus een met de verworven rechten corresponderend gedeeltelijk pensioen in het vooruitzicht stellen.
31.
Mijns inziens volgt uit het vermelde fundamentele beginsel tevens dat een in dienst van de EU tredende ambtenaar die kiest voor overdracht van de pensioenrechten, op het tijdstip na die overdracht financieel in dezelfde positie moet verkeren als wanneer hij binnen het nationale pensioenstelsel was gebleven. Met andere woorden, het vermelde beginsel verlangt dat de actuele waarde van de pensioenrechten in geval van voortgezette aansluiting bij de nationale pensioenregeling overeenkomt met de actuele waarde van het gedeeltelijke pensioen in geval van indiensttreding bij de EU zonder overdracht van de pensioenrechten, en met de waarde van de overgedragen geldsom in het geval van overdracht van de pensioenrechten.
B – Eerste prejudiciële vraag
32.
Met de eerste prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter om verheldering van het begrip „kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten”, dat bij verordening nr. 723/2004 is ingelast in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut. Daarbij interesseert hem vooral in welke verhouding dat begrip staat tot de twee vóór de inwerkingtreding van die verordening gebezigde begrippen „actuariële tegenwaarde” en „afkoopsom van de pensioenrechten”.
33.
Časta is van mening dat het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten weliswaar door nationale criteria wordt bepaald, maar dat in dat verband het tijdvak van verzekering en de door de verzekerde betaalde bijdragen in aanmerking moeten worden genomen. Binnen een op bijdragen berustend verzekeringsstelsel moet het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten zijns inziens evenredig zijn aan de betaalde bijdragen. Bovendien stelt Časta blijkens de verwijzingsbeslissing dat sinds de inwerkingtreding van verordening nr. 723/2004 de actuariële tegenwaarde niet meer als berekeningsmethode voor de over te dragen rechten mag worden gebruikt.
34.
De Tsjechische Republiek stelt zich daarentegen op het standpunt dat met het begrip kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten het financiële equivalent wordt bedoeld van het eventuele pensioen waarop de betrokkene in de toekomst recht zal hebben. De wijziging van de tekst van het Statuut door verordening nr. 723/2004 strekte niet ertoe de actuariële tegenwaarde als berekeningsmethode uit te sluiten. Hierdoor wordt integendeel benadrukt dat de lidstaten bevoegd zijn zelf te bepalen welke methode zij toepassen ter berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten, ook in het licht van hun bevoegdheid om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te leggen (artikel 153, lid 4, VWEU). De berekeningsmethode hangt haars inziens af van de inrichting van het pensioenstelsel. Ook de Commissie is van mening dat de bij verordening nr. 723/2004 ingevoerde wijziging tot doel had de lidstaten meer armslag te verschaffen ten aanzien van de methoden ter berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten.
35.
Tot aan de wijziging door verordening nr. 723/2004 bood artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut de lidstaten een alternatief en bepaalde dat een ambtenaar van de Gemeenschappen de mogelijkheid had om „hetzij de actuariële tegenwaarde van, hetzij de afkoopsom voor de rechten op ouderdomspensioen” verworven onder het nationale stelsel aan de Gemeenschap te doen betalen.
36.
Het Hof heeft die twee begrippen in de zaak Bodson gedefinieerd en vastgesteld dat de actuariële tegenwaarde ertoe dient om de contante waarde „van een onzekere toekomstige periodieke uitkering”, in casu het pensioen, te berekenen, waarbij het te verwachten pensioen moet worden verminderd rekening houdend met de vroegtijdige uitbetaling en het sterfterisico vóór de vervaltermijn. De afkoopsom wordt daarentegen berekend door samentelling “van de door de verzekerde en in voorkomend geval de door diens werkgever betaalde bijdragen, eventueel vermeerderd met de interesten”. ( 17 ) In de zaak Commissie/Luxemburg stelde het Hof vast dat de lidstaat zelf mag bepalen welke berekeningsmethode hij toepast, en die keuze niet aan de ambtenaar toekomt. ( 18 ) Een overdracht dient ook mogelijk te zijn wanneer de verworven pensioenrechten beperkt, voorwaardelijk of toekomstig zijn of niet voldoende zijn om onmiddellijk aanspraak op pensioen te geven. ( 19 )
37.
Na de wijziging door verordening nr. 723/2004 voorziet artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut thans in overdracht van het „kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten”. Tegen deze achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich af welke gevolgen die wijziging ten aanzien van de twee eerder in die bepaling genoemde berekeningsmethoden heeft.
38.
Uit de tekst, de systematiek, de ontstaansgeschiedenis en de strekking van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut volgt dat met het begrip kapitaal de op basis van een wiskundige procedure bepaalde waarde van de pensioenrechten wordt bedoeld, zonder vastlegging van de berekeningsmethode.
39.
Naar de letter genomen gaat het bij het „kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten” om een geldbedrag dat gelijk is aan de waarde van de pensioenrechten. Hieruit volgt weliswaar niet uitdrukkelijk hoe die waarde wordt bepaald, maar wel dat de waarde van de toekomstige (eventuele) pensioenrechten kennelijk moet worden berekend op het tijdstip van overdracht naar het Europese pensioenstelsel, hetgeen erop duidt dat het om de actuariële tegenwaarde gaat.
40.
Ook een systematische uitlegging van de bepaling wijst erop dat een berekening van het over te dragen geldbedrag op basis van de actuariële tegenwaarde althans blijft toegestaan. Zoals de Commissie terecht benadrukt, voorziet artikel 11, lid 1, van bijlage VIII bij het Statuut namelijk in toepassing van juist die methode voor de berekening van de waarde van de verworven pensioenrechten voor het geval dat een EU-ambtenaar zijn dienst bij de Unie beëindigt en zich aansluit bij een nationaal pensioenstelsel. Het lijkt mij weinig overtuigend dat de door de Unie zelf toegepaste berekeningsmethode niet door de lidstaten zou mogen worden gebruikt.
41.
Uit de ontstaansgeschiedenis van de bepaling valt op te maken dat met de wijziging werd beoogd de lidstaten de mogelijkheid te bieden om naast de twee vroeger uitdrukkelijk genoemde berekeningsmethoden voortaan ook andere methoden (bijvoorbeeld gemengde modellen) toe te passen voor de berekening van het over te dragen geldbedrag. Zo motiveerde de Commissie haar voorstel voor wijziging van het Statuut uitdrukkelijk met een streven naar „meer financiële neutraliteit [...] bij de overdracht van pensioenrechten” ( 20 ).
42.
Mocht er nog enige twijfel bestaan omtrent de rechtmatigheid van uiteenlopende berekeningsmodellen, en met name de vroeger in de bepaling genoemde methoden, dan wordt die door een analyse van de strekking van die bepaling uit de weg geruimd. Ik heb reeds vastgesteld dat deze bepaling ertoe dient de Unie in staat te stellen gekwalificeerd en ervaren personeel in dienst te nemen door het veiligstellen van de door de betrokkenen eerder in het kader van nationale pensioenstelsels verworven pensioenrechten.
43.
Het Hof heeft reeds erop gewezen dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut de pensioenstelsels van de lidstaten niet harmoniseert. ( 21 ) Voor een dergelijke harmonisatie mist de Unie ook de bevoegdheid. ( 22 ) Artikel 153, lid 4, VWEU verwijst integendeel uitdrukkelijk naar „het recht van de lidstaten om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen”. De Unie stelt alleen „de maatregelen vast welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers” ( 23 ).
44.
Het fundamentele recht van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels zelf in te richten, heeft een grote verscheidenheid aan stelsels doen ontstaan. ( 24 ) Deze kunnen bijvoorbeeld voorzien in financiering door een omslagsysteem of in kapitaaldekking. Zij kunnen de hoogte van de uitkeringen koppelen aan de hoogte van de betaalde bijdragen of, in het geval van kapitaaldekkingssystemen, zelfs volledig laten afhangen van het gespaarde bedrag („defined-contribution”). In andere stelsels bestaat er geen verband tussen de hoogte van het pensioen en de bijdragen en worden bijvoorbeeld criteria als het verzekeringstijdvak en het loon van de verzekerde gehanteerd, terwijl in weer andere stelsels wordt gekozen voor een basispensioen („defined-benefit”). ( 25 )
45.
De veelheid van stelsels leidt automatisch tot een diversiteit aan berekeningsmethoden waaruit de lidstaten een keuze kunnen maken. Indien een pensioenregeling het pensioen uitsluitend bepaalt op basis van de waarde van bijvoorbeeld de in aandelenfondsen belegde bijdragen, lijkt een berekening van „het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten” op basis van de actuariële tegenwaarde problematisch, aangezien de pensioenrechten immers niet bepaalbaar zijn. Omgekeerd kan de afkoopsom per definitie slechts worden berekend indien verzekeringsbijdragen zijn betaald. Dit was volgens de verwijzende rechter in Tsjechië echter vóór 1993 niet het geval, toen de pensioenen uit de belastingopbrengsten werden betaald. Maar ook in een door bijdragen gefinancierd stelsel lijkt een berekening van het kapitaal aan de hand van de afkoopsom haaks te staan op het systeem, indien het pensioen geheel los staat van de verzekeringsbijdragen.
46.
In het licht van het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat het begrip „kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten” in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut betrekking heeft op de met behulp van een wiskundige formule vastgestelde waarde van de pensioenrechten, zonder een bepaalde wijze van berekening voor te schrijven. De reeds bestaande methoden ter berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten mogen worden gehandhaafd.
C – Tweede prejudiciële vraag
47.
Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in het nationale recht toegepaste methode ter berekening van het aan de Unie te betalen kapitaal overeenkomend met de pensioenrechten verenigbaar is met artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en artikel 4, lid 3, VEU. Hij wijst met name erop dat het op basis van die methode in het concrete geval berekende over te dragen kapitaal minder dan de helft van de afgedragen pensioenbijdragen bedraagt. Die vraag wint aan belang omdat het Tsjechische recht volgens de partijen alleen voor verzekerden die in dienst van de Unie treden voorziet in overdracht van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten en de desbetreffende bepalingen juist voor die groep personen zijn vastgesteld. Het gaat hier dus om een voor het onderhavige geval geschapen regeling, hetgeen met name relevant is in het licht van het beginsel van gelijke behandeling.
48.
De vraag moet, zoals blijkt uit de feiten, worden gezien tegen de achtergrond van het Tsjechische pensioenstelsel, waarvan ik de wezenlijke kenmerken in grote lijnen zal toelichten. Het stelsel wordt principieel gefinancierd volgens een omslagmodel, in het kader waarvan de werkgevers en werknemers sinds 1993 bijdragen betalen. De hoogte van het pensioen dat wordt uitgekeerd wanneer de voorwaarden vervuld zijn, is volgens de verwijzende rechter wettelijk vastgelegd („defined-benefit”) ( 26 ) en wordt berekend aan de hand van een formule die behalve met de totale verzekeringsduur ook rekening houdt met de hoogte van het inkomen, zij het op zeer degressieve wijze. Dat betekent dat een hoger inkomen weliswaar tot een hoger pensioen leidt, maar dat bedragen boven bepaalde inkomensgrenzen slechts in mindere mate in aanmerking worden genomen. Het stelsel heeft dus een sterk solidair karakter.
49.
Indien een pensioenverzekerde zich aansluit bij het pensioenstelsel van de Unie, wordt de actuariële tegenwaarde van de pensioenrechten overgedragen. ( 27 ) Volgens de toepasselijke berekeningsmethode lag de waarde van die pensioenrechten van Časta bij minder dan 50 % van de door hem en zijn werkgever betaalde bijdragen.
50.
Volgens Časta is die berekeningsmethode in strijd met artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, artikel 4, lid 3, VEU en artikel 45 VWEU. Reeds voor de verwijzende rechter heeft hij betoogd dat het kapitaal in de buurt van of hoger dan het totaal van de betaalde bijdragen zou moeten liggen. Zijns inziens worden uit Tsjechië afkomstige ambtenaren van de Unie door de nationale regelgeving benadeeld ten opzichte van ambtenaren van de Unie uit andere lidstaten. Volgens Časta is de toegepaste berekeningsmethode onbegrijpelijk en wordt hierin gebruik gemaakt van parameters (zoals de rentevoet) die afwijken van die voor de berekening van het nationale ouderdomspensioen, alsmede van een cijfer voor de levensverwachting dat niet overeenkomt met de gegevens van Eurostat.
51.
De Tsjechische Republiek, en impliciet ook verweerder in het hoofdgeding, acht de toegepaste berekeningsmethode rechtmatig. Artikel 4, lid 3, VEU wordt nageleefd, aangezien Tsjechische ambtenaren van de Unie bij de overdracht van hun pensioenrechten financieel niet slechter worden behandeld dan degenen die in het Tsjechische pensioenstelsel blijven. Het Tsjechische pensioenstelsel wordt gekenmerkt door een hoge mate aan solidariteit, hetgeen automatisch tot gevolg heeft dat hoge pensioenbijdragen tot naar verhouding lagere pensioenuitkeringen leiden.
52.
De Commissie is van mening dat noch artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, noch artikel 4, lid 3, VEU precies voorschrijft welke inhoud de maatregelen moeten hebben die de lidstaten met het oog op de overdracht van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten dienen te nemen. Het enige waartoe de lidstaten verplicht zijn, is te voorzien in een mechanisme voor de overdracht van dat kapitaal.
53.
De lidstaten beschikken ten aanzien van de invulling van de maatregelen die zij moeten nemen ter uitvoering van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut over een aanzienlijke armslag, maar zij genieten geen volledige vrijheid. Zij dienen met name twee basisbeginselen in acht te nemen: ten eerste moeten de vastgestelde uitvoeringsmaatregelen de bepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut doeltreffend verwezenlijken en aldus voldoen aan het eerder omschreven ( 28 ) fundamentele beginsel. Ten tweede dienen zij het beginsel van gelijke behandeling te eerbiedigen.
54.
Het vereiste van doeltreffende verwezenlijking van het bepaalde in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut brengt mee dat de pensioensituatie van de ambtenaar er niet op achteruit mag gaan doordat hij in dienst van de Unie treedt. De lidstaten moeten derhalve het gehele actuarieel juist berekende kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die de ambtenaar op grond van zijn activiteiten in de lidstaat heeft verworven, overdragen, waarbij wordt uitgegaan van het tijdstip van daadwerkelijke overdracht.
55.
Indien het kapitaal, zoals in het Tsjechische pensioenstelsel, wordt berekend als de actuariële tegenwaarde, behoren bij de berekening actuarieel en statistisch adequate rentevoeten, sterftetabellen en formules te worden gebruikt. De toegepaste parameters moeten bovendien met name stroken met het discriminatieverbod. ( 29 )
56.
De toepassing van parameters die, zoals Časta meent, afwijken van degenen die welke bij de pensioenberekening in de lidstaat worden gehanteerd, is geoorloofd voor zover die afwijking verband houdt met het feit dat de berekening van de actuariële tegenwaarde een andere wiskundige operatie is dan de berekening van het nationale pensioen. Ook zijn de lidstaten niet verplicht gebruik te maken van de statistieken van Eurostat, indien zij zich maar baseren op andere betrouwbare bronnen.
57.
Het beginsel van gelijke behandeling stelt verdere eisen aan de maatregelen die de lidstaten uit hoofde van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut nemen.
58.
Časta kan zich echter niet beroepen op discriminatie ten opzichte van ambtenaren van de Unie uit andere lidstaten doordat een andere methode van berekening van het kapitaal wordt toegepast ( 30 ), en ook niet ten opzichte van de verzekerden in het Tsjechische stelsel die zich aansluiten bij het pensioenstelsel van een andere lidstaat en profiteren van coördinatiemaatregelen van de Unie. ( 31 ) In beide gevallen hangen de verschillen samen met het feit dat de lidstaten bevoegd zijn hun socialezekerheidsstelsels zelf in te richten.
59.
Daarentegen zou het niet rechtmatig zijn wanneer het nationale recht van een lidstaat voor de overdracht van pensioenrechten tussen twee openbare pensioenstelsels berekeningsmethoden zou hanteren waarvoor deelnemers aan het nationale stelsel die in dienst van de Unie treden, niet in aanmerking kunnen komen. Dat in een dergelijk geval dezelfde berekeningsmogelijkheid behoort te bestaan voor de overdracht van rechten van de ambtenaren van de Unie, heeft het Hof reeds uitgemaakt. ( 32 ) Evenmin mag een lidstaat weigeren om voor ambtenaren van de Unie een methode van berekening van het met de pensioenrechten overeenkomende kapitaal toe te passen die hij eventueel wel hanteert voor deelnemers in zijn pensioenstelsel die naar een internationale organisatie overgaan.
60.
Het staat aan de nationale rechter te toetsen of het nationale recht aan de beschreven voorwaarden voldoet.
61.
Tot besluit zal ik ingaan op de door de verwijzende rechter gemaakte vergelijking tussen het berekende kapitaal en de betaalde bijdragen. Een dergelijke vergelijking is weinig zinvol wanneer, zoals in het Tsjechische pensioenstelsel, de verzekeringsbijdragen niet van invloed zijn op de hoogte van het pensioen en het kapitaal aan de hand van de actuariële tegenwaarde van dat pensioen wordt berekend.
62.
In een dergelijk geval kan niet worden uitgesloten dat de berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten, met name in pensioenstelsels die op de solidariteitsgedachte zijn gebaseerd, voor de ontvangers van hoge inkomens tot een bedrag leidt dat in bepaalde gevallen duidelijk achterblijft bij de aan het pensioenstelsel betaalde bijdragen. In dergelijke stelsels dragen de hoge inkomens namelijk via hun bijdragen bij aan de financiering van het pensioen van de lagere inkomens.
63.
Ik heb er reeds op gewezen dat de vaststelling van de fundamentele beginselen van de nationale socialezekerheidsstelsels onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. Alleen al hieruit volgt dat een op de grondslag van solidariteit ingericht nationaal pensioenstelsel niet in strijd is met het Europese recht. Een op de solidariteitsgedachte gebaseerde inrichting van pensioenstelsels is integendeel een juridische en historische verworvenheid van de moderne verzorgingsstaat, waarvan de bevolking in haar geheel profiteert. ( 33 ) Volgens artikel 34, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat bij de uitlegging van de litigieuze bepaling niet buiten beschouwing kan worden gelaten, „erkent en eerbiedigt [de Unie] onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming bieden in omstandigheden zoals [...] ouderdom [...]”.
64.
Als antwoord op de tweede prejudiciële vraag stel ik derhalve voor, dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut juncto artikel 4, lid 3, VEU aldus moet worden uitgelegd dat de indiensttreding van een werknemer uit een lidstaat bij de Unie als ambtenaar niet tot een verslechtering van zijn pensioensituatie mag leiden. De door de lidstaat gehanteerde methode ter berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten in het geval van overdracht daarvan moet met name op adequate parameters berusten, actuarieel juist worden uitgevoerd en stroken met het beginsel van gelijke behandeling. Het staat aan de nationale rechter te beoordelen of aan die voorwaarden is voldaan. Een overeenkomstig die voorwaarden als actuariële tegenwaarde berekend kapitaal dat duidelijk lager ligt dan het bedrag van de betaalde bijdragen, is om de genoemde redenen niet principieel onrechtmatig.
65.
De verwijzende rechter lijkt voorts te vragen wat als minimum aanvaardbaar is waar het gaat om de verhouding tussen kapitaal en bijdragen, en legt daarbij de nadruk op het symbolische percentage van 50 %. Zoals uit mijn eerdere opmerkingen volgt, zou het echter niet zinvol zijn aldus een nauwkeurig minimumpercentage vast te leggen waarbeneden zonder meer sprake is van schending van het Unierecht. Aangezien de verhouding tussen kapitaal en bijdragen in het onderhavige geval ook nog eens ongeveer overeenstemt met de voorgestelde symbolische waarde, kan mijns inziens worden volstaan met het in het vorige punt gegeven antwoord op de tweede prejudiciële vraag.
D – Derde prejudiciële vraag
66.
Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het arrest van het Hof in de zaak My aldus moet worden begrepen dat een lidstaat bij de berekening van het met de pensioenrechten van een in dienst van de Unie tredend ambtenaar overeenkomende kapitaal volgens de actuariële methode met inaanmerkingneming van het tijdvak van verzekering, in de individuele pensioengrondslag ook het tijdvak dient te betrekken waarin de ambtenaar reeds was aangesloten bij het pensioenstelsel van de Unie, maar nog geen verzoek om overdracht van de pensioenrechten had ingediend. Die vraag hangt samen met het feit dat volgens de partijen de overdracht van het met de pensioenrechten overeenkomende kapitaal voor ambtenaren die in dienst van de Unie treden, het enige geval is waarin een deelnemer in het Tsjechische pensioenstelsel die het minimumtijdvak van verzekering niet heeft vervuld ( 34 ), een betaling uit het Tsjechische pensioenstelsel ontvangt.
67.
Časta is van mening dat het genoemde tijdvak moet worden betrokken bij de berekening van de actuariële tegenwaarde van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten, waarbij hij refereert aan de berekeningsmethode van artikel 52 van verordening nr. 883/2004. Hij wijst erop dat hij bij overdracht van zijn pensioenrechten alle rechten uit hoofde van het Tsjechische pensioenstelsel verliest.
68.
De Tsjechische Republiek stelt dat uit het arrest My, waaraan volkomen andere feiten ten grondslag liggen, geen verplichting voortvloeit om het genoemde tijdvak in aanmerking te nemen. Haars inziens volgt integendeel reeds uit de tekst van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut dat alleen het tijdvak waarin de betrokkene was aangesloten bij het nationale pensioenstelsel relevant is voor de berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten. Indien de lidstaat de periode tussen de aansluiting bij het pensioenstelsel van de Unie en de indiening van het verzoek om overdracht van de pensioenrechten zou betrekken bij de berekening van het met die rechten overeenkomende kapitaal, dan zou dat tijdvak bij de berekening van het pensioen dubbel tellen. Verweerder in het hoofdgeding en de Commissie delen dit standpunt.
69.
De lidstaten zijn bij de berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten niet verplicht om bij de individuele pensioengrondslag ook het tijdvak te betrekken waarin de ambtenaar reeds was aangesloten bij het pensioenstelsel van de Unie, maar nog geen verzoek om overdracht van de pensioenrechten had ingediend.
70.
Een dergelijke verplichting volgt noch uit het arrest My, dat zoals gezegd geen betrekking heeft op het geval van een ambtenaar van de Unie die zijn pensioenrechten naar de Unie laat overdragen ( 35 ), noch uit de tekst van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, dat spreekt van de pensioenrechten „die [de ambtenaar] uit hoofde van bovengenoemde activiteiten”, dat wil zeggen de activiteiten onder het nationale pensioenstelsel, „heeft verworven”, noch uit verordening nr. 883/2004, die volgens artikel 2, lid 1, ervan niet van toepassing is op ambtenaren van de instellingen van de Unie. ( 36 ) Het door Časta gestelde verlies van de rechten uit hoofde van het Tsjechische stelsel bij overdracht van zijn pensioenrechten is te wijten aan het feit dat hij van pensioenstelsel verandert.
V – Conclusie
71.
Ik geef het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Het begrip ‚kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten’ in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut heeft betrekking op de met behulp van een wiskundige formule vastgestelde waarde van de pensioenrechten, zonder daarbij een bepaalde berekeningsmethode voor te schrijven. De reeds bestaande methoden ter berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten mogen worden gehandhaafd.
2)
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut juncto artikel 4, lid 3, VEU moet aldus worden uitgelegd dat de indiensttreding van een werknemer uit een lidstaat bij de Unie als ambtenaar niet tot een verslechtering van zijn pensioensituatie mag leiden. De door de lidstaat gehanteerde methode ter berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten in het geval van overdracht daarvan moet met name actuarieel juist worden uitgevoerd, op adequate parameters berusten en stroken met het beginsel van gelijke behandeling. Het staat aan de nationale rechter te toetsen of aan die voorwaarden is voldaan. Een overeenkomstig die voorwaarden als actuariële tegenwaarde berekend kapitaal dat duidelijk lager ligt dan het bedrag van de betaalde bijdragen, is niet principieel onrechtmatig.
3)
Een lidstaat is bij de berekening van het met de pensioenrechten van een in dienst van de Unie tredend ambtenaar overeenkomend kapitaal volgens de actuariële methode niet verplicht om in de individuele pensioengrondslag het tijdvak te betrekken waarin de ambtenaar reeds was aangesloten bij het pensioenstelsel van de Unie, maar nog geen verzoek om overdracht van zijn pensioenrechten had ingediend.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB 2004, L 124, blz. 1).
( 3 ) Ingevoerd bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden) (PB L 56, blz. 1).
( 4 ) Artikel 2 van verordening nr. 723/2004.
( 5 ) De waarde wordt op het tijdstip van berekening geactualiseerd aan de hand van de geïndexeerde gemiddelde ontwikkeling van de lonen .
( 6 ) Volgens Časta was zijn verzekeringsduur 17 jaar en 259 dagen. Dit verschil valt eventueel te verklaren door het feit dat de verwijzende rechter geen rekening heeft gehouden met verzekeringstijdvakken waarin geen bijdragen zijn betaald.
( 7 ) Dit bedrag is door de verwijzende rechter berekend. Časta had voor de rechtbank een bedrag van 1124633,40 CZK genoemd.
( 8 ) Arrest van 16 december 2004, My (C-293/03, Jurispr. blz. I-12013).
( 9 ) Arrest van 14 juni 1990, Weiser (C-37/89, Jurispr. blz. I-2395, punt 12).
( 10 ) Arresten van 20 oktober 1981, Commissie/België (137/80, Jurispr. blz. 2393, punten 9 en 18); 20 maart 1986, Commissie/Nederland (72/85, Jurispr. blz. 1219, punt 16); 18 april 1989, Retter (130/87, Jurispr. blz. 865, punt 22), en 17 juli 1997, Commissie/Spanje (C-52/96, Jurispr. blz. I-4637, punt 9).
( 11 ) Artikel 11, lid 2, van de bijlage bij het Statuut. Arrest van het Gerecht van 18 maart 2004, Radauer/Raad (T-67/02, JurAmbt. blz. I-A-89 en II-395, punten 29 en 30).
( 12 ) Arrest van 9 november 1989, Bonazzi-Bertottilli e.a. (75/88, 146/88 en 147/88, Jurispr. blz. 3599, punt 17).
( 13 ) Arresten Commissie/België (aangehaald in voetnoot 10, punt 11) en My (aangehaald in voetnoot 8, punt 44).
( 14 ) Arrest My (aangehaald in voetnoot 8, punten 45‑49).
( 15 ) Conclusie van advocaat-generaal Tizzano in de zaak My (aangehaald in voetnoot 8, punt 95).
( 16 ) Beschikking van 9 juli 2010, Ricci (C-286/09 en C-287/09, Jurispr. blz. I-93, punten 30‑33).
( 17 ) Arrest van 18 maart 1982, Bodson (212/81, Jurispr. blz. 1019, punten 7 en 8).
( 18 ) Arresten van 17 december 1987, Commissie/Luxemburg (315/85, Jurispr. blz. 5391, punt 22), en 4 mei 1988, Watgen (64/85, Jurispr. blz. 2435, punt 9).
( 19 ) Arrest Commissie/België (aangehaald in voetnoot 10, punt 12).
( 20 ) COM(2002) 213 definitief, blz. 5.
( 21 ) Arrest Commissie/Luxemburg (aangehaald in voetnoot 18, punt 21).
( 22 ) Conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Tsjechië (arrest van 14 januari 2010, C-343/08, Jurispr. blz. I-275, punt 53), en arrest van 30 januari 1997, De Jaeck (C-340/94, Jurispr. blz. I-461, punt 18)
( 23 ) Artikel 48 VWEU.
( 24 ) De Commissie repte ter terechtzitting van meer dan 300 varianten.
( 25 ) Zie OECD, Pensions at a Glance, 2005; geactualiseerd in OECD, Pensions at a Glance, 2011. Aangaande de wijzigingen van de stelsels, zie Witboek van de Commissie Een agenda voor adequate, veilige en duurzame pensioenen, COM(2012) 55 final, van 16 februari 2012.
( 26 ) Volgens Časta zijn wel de bijdragen, maar niet de pensioenen vastgelegd. Het Hof dient evenwel uit te gaan van de beoordeling van de verwijzende rechter.
( 27 ) Voor meer details van de wettelijke regeling, zie met name de punten 11 en 12 van deze conclusie.
( 28 ) Punt 26 van deze conclusie.
( 29 ) Aangaande de verplichtingen van de communautaire wetgever, zie arrest van 11 september 2007, Lindorfer/Raad (C-227/04 P, Jurispr. blz. I-6767, punten 52, 58 en 59).
( 30 ) De volledige weigering van een lidstaat om de overdracht van pensioenrechten mogelijk te maken, komt daarentegen wel neer op discriminatie. Arrest Commissie/België (aangehaald in voetnoot 10, punt 19).
( 31 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), thans verordening nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1). Laatstgenoemde verordening is volgens artikel 91 ervan sinds 1 mei 2010 van toepassing. Zie Schreiber, F., „Art. 91”, in: Schreiber, F. e.a., VO (EG) Nr. 883/2004, C.H.Beck, München, 2012.
( 32 ) Arresten Commissie/Luxemburg (aangehaald in voetnoot 18, punt 24) en Watgen (aangehaald in voetnoot 18, punt 10).
( 33 ) Ritter, G., Der Sozialstaat, Entstehung und Entwicklung im internationalen Vergleich, Oldenburg, München, 3e ed. 2010.
( 34 ) In deze situatie bevindt zich ook Časta. Volgens zijn schriftelijke opmerkingen ligt de minimumverzekeringsduur bij 25 jaar, volgens zijn opmerkingen ter terechtzitting bij 35 jaar. Het verschil valt eventueel te verklaren door het feit dat de oorspronkelijk bepaalde minimumverzekeringsduur van 25 jaar in Tsjechië sinds 2010 geleidelijk wordt opgetrokken tot 35 jaar. OECD, Pensions at a Glance, 2011, blz. 212.
( 35 ) Zie punten 27 en 28 van deze conclusie.
( 36 ) Aangaande het bepaalde in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71, zie arrest van 3 oktober 2000, Ferlini (C-411/98, Jurispr. blz. I-8081, punt 41), en arrest My (aangehaald in voetnoot 8, punt 35).
Full & Egal Universal Law Academy