CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. WAHL
van 19 juni 2013 ( 1 )
Zaak C‑321/12
F. van der Helderen
D. Farrington
tegen
College voor zorgverzekeringen (CVZ)
[verzoek van de Centrale Raad van Beroep (Nederland) om een prejudiciële beslissing]
„Sociale zekerheid — Ziektekostenverzekering — Verordening (EEG) nr. 1408/71 — Titel III, hoofdstuk 1 — Artikel 28, lid 2, sub b — Rechthebbende op een pensioen of rente die op grond van de wettelijke regeling van twee of meer lidstaten recht heeft op verstrekkingen — Wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest — Begrip ‚pensioen of rente’”
1.
Het vrije verkeer van personen op het grondgebied van de Unie vormt blijkens de considerans van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad ( 2 ) een van de hoekstenen van de Europese Unie (hierna: „Unie”). Daarom heeft de Uniewetgever reeds in 1971 een gedetailleerde en omvangrijke regeling vastgesteld ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid, teneinde „aan de werknemers die zich binnen de [Unie] verplaatsen, alsmede aan hun rechthebbenden en nabestaanden, de handhaving van de verworven en in wording zijnde rechten en voordelen” te verzekeren. ( 3 )
2.
De onderhavige zaak stelt een kwestie aan de orde, die van belang is voor rechthebbenden op een pensioen of rente die wonen in een lidstaat waar zij geen recht hebben op verstrekkingen en die een pensioen of rente ontvangen van twee of meer andere lidstaten.
3.
Met zijn prejudiciële verzoek wenst de Centrale Raad van Beroep (Nederland) te vernemen welke tak van sociale zekerheid in een geval als hiervoor omschreven bepalend is voor de vaststelling van de lidstaat die de kosten voor zijn rekening moet nemen van de door de woonstaat van de pensioengerechtigden te verlenen verstrekkingen en bijgevolg de verschuldigde bijdragen moet inhouden. Te dien einde verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging van de zinsnede „wettelijke regeling [waaraan] de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” in artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening (hierna: „het litigieuze begrip”).
4.
Alvorens ik overga tot de juridische beoordeling wijs ik er voor de goede orde op dat de verordening met ingang van 1 mei 2010 is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 883/2004. ( 4 ) Dit laat het belang van de door de Centrale Raad van Beroep aan de orde gestelde kwestie echter onverlet, aangezien de in casu relevante bepalingen in de nieuwe verordening in wezen ongewijzigd zijn gebleven.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
5.
De achtste overweging van de considerans van de verordening luidt:
„[...] de werknemers en zelfstandigen die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen [moeten] aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen [...] zijn, om de samenloop van toepasbare nationale wetgevingen en de verwikkelingen die daaruit ontstaan, te vermijden”.
6.
De definities voor de toepassing van de verordening zijn vervat in artikel 1 ervan, dat onder meer bepaalt:
„j)
worden ten aanzien van elke lidstaat onder ‚wetgeving’ of ‚wettelijke regeling’ verstaan de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid, of de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis.
[...]”
7.
Artikel 28 van de verordening bepaalt onder het opschrift „Pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van een of meer lidstaten, terwijl in het land van de woonplaats geen recht op prestaties bestaat”:
„1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde lidstaat, of van ten minste één van de voor deze verzekering bevoegde lidstaten, [...] recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken staat woonde. De prestaties worden verleend op de volgende voorwaarden:
a)
de verstrekkingen worden voor rekening van het in lid 2 bedoelde orgaan verleend door het orgaan van de woonplaats, alsof de betrokkene recht had op een pensioen of een rente krachtens de wettelijke regeling van de staat op het grondgebied waarvan hij woont, en hij recht op verstrekkingen had;
[...]
2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:
[...]
b)
indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest; ingeval de toepassing van deze regel ertoe leidt dat de verstrekkingen voor rekening van meer dan een orgaan komen, komen zij voor rekening van het orgaan van de laatstbedoelde, dat de wettelijke regeling toepast waaraan de rechthebbende het laatst onderworpen is geweest.”
8.
Artikel 33, lid 1, van de verordening, „Bijdragen of premies voor rekening van pensioen- of rentetrekkers”, bepaalt:
„Het orgaan van een lidstaat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, is gemachtigd deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 voor rekening van een orgaan van bedoelde lidstaat komen.”
B – Nationale bepalingen
9.
Vóór 1 januari 2006 voorzag de Ziekenfondswet (hierna: „ZFW”) slechts in een stelsel van wettelijk verplichte ziektekostenverzekering voor werknemers met een inkomen beneden een bepaalde drempel. Personen die niet onder dat stelsel vielen, dienden, teneinde verzekerd te zijn tegen ziektekosten, een particuliere ziektekostenverzekering af te sluiten.
10.
Reeds vóór 2006 voorzag daarnaast de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: „AWBZ”) – die nog steeds bestaat – in dekking van de gehele bevolking tegen bijzondere ziektekosten. Het gaat hierbij met name om risico’s die niet door de ZFW of een particuliere verzekering worden gedekt.
11.
Per 1 januari 2006 is bij de Zorgverzekeringswet (hierna: „ZVW”) een stelsel van wettelijk verplichte ziektekostenverzekering ingevoerd voor iedereen die in Nederland woont of werkt.
12.
Artikel 69 ZVW bepaalt:
„1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen [...] in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College zorgverzekeringen [hierna: „CVZ”] aan.
2. De in het eerste lid bedoelde personen zijn een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd die voor een bij die regeling te bepalen gedeelte, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd.
[...]
4. Het [CVZ] is belast met de administratie, voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met het nemen van beschikkingen over de heffing en de inning van de bijdragen, bedoeld in het tweede lid.
[...]”
II – Feiten, procesverloop en prejudiciële vraag
13.
F. van der Helder is een Nederlands onderdaan die, na in verschillende lidstaten te hebben gewoond en gewerkt, sinds 1991 in Frankrijk woont. Hij ontvangt sinds augustus 1997 een pensioen van Nederland ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: „AOW”). Dit pensioen is gebaseerd op – afgerond – 43 verzekerde jaren (deels gebaseerd op ingezetenschap, deels op vrijwillige verzekering). Naast dit pensioen ontvangt hij ook een ouderdomspensioen uit Finland en een ouderdomspensioen uit het Verenigd Koninkrijk.
14.
D. Farrington, Brits onderdaan, woont sinds mei 2004 in Spanje. Vanaf april 2006 ontvangt hij een ouderdomspensioen van Nederland. Dat pensioen is gebaseerd op – afgerond – 35 verzekerde jaren in Nederland. Naast dit pensioen ontvangt hij een ouderdomspensioen van het Verenigd Koninkrijk.
15.
Van der Helder en Farrington (hierna samen: „verzoekers in het hoofdgeding”) waren in Nederland niet verplicht verzekerd krachtens de ZFW. Zij hadden daar wel particuliere ziektekostenverzekeringen afgesloten en waren AWBZ-verzekerd geweest gedurende de periode dat zij er ingezetenen waren. Bijgevolg vielen verzoekers in het hoofdgeding destijds niet onder de werkingssfeer van de verordening. Deze was toen immers wat de ziektekosten betreft uitsluitend van toepassing op personen op wie het volledige Nederlandse wettelijke ziektekostenverzekeringsstelsel van de AWBZ en de ZFW van toepassing was. ( 5 )
16.
Met de inwerkingtreding van de ZVW op 1 januari 2006 is het wettelijke stelsel van ziektekostenverzekering in zijn geheel van toepassing geworden op iedereen die in Nederland woont en werkt, met inbegrip van degenen die eerder particulier verzekerd waren. Als gevolg hiervan werd de verordening van toepassing op, onder meer, rechthebbenden op Nederlandse wettelijke ouderdomspensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die voorheen particulier tegen ziektekosten waren verzekerd en woonachtig zijn in andere lidstaten. ( 6 )
17.
Tegen deze achtergrond was het CVZ van oordeel dat verzoekers in het hoofdgeding vanaf 1 januari 2006 moesten worden aangemerkt als „verdragsgerechtigden” in de zin van de verordening en dus recht hadden op gezondheidszorg in hun woonland. Aangezien zij geen pensioen ontvangen van hun woonland en zij van de landen waarvan zij een wettelijk pensioen ontvangen het langst in Nederland voor de sociale zekerheid verzekerd zijn geweest, komen de kosten ter zake volgens het CVZ voor rekening van Nederland. Op grond daarvan besloot het CVZ dat de in artikel 69 ZVW bedoelde bijdragen moeten worden ingehouden op de aan verzoekers in het hoofdgeding uit te keren pensioenen.
18.
Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij de Rechtbank Amsterdam beroep ingesteld tegen het besluit van het CVZ inhoudingen op hun ouderdomspensioen toe te passen. Zij hebben niet betwist dat zij het langst in Nederland hebben gewerkt en dat zij ook het langst aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving onderworpen zijn geweest, maar stellen dat artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening betrekking heeft op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap. Aangezien zij nooit verplicht tegen ziektekosten verzekerd zijn geweest in Nederland (op grond van de ZFW), althans in ieder geval gedurende een kortere periode dan die waarin zij in andere lidstaten tegen ziektekosten verzekerd zijn geweest, zou Nederland volgens hen niet de staat zijn die de kosten van de in hun woonland verleende verstrekkingen voor zijn rekening heeft te nemen. Die kosten dienen volgens hen in het geval van Van der Helder voor rekening van Finland en in dat van Farrington voor rekening van het Verenigd Koninkrijk te komen.
19.
Bij uitspraak van 23 februari 2010 in de zaak Van der Helder en van 31 augustus 2009 en van 10 mei 2011 in die van Farrington heeft de Rechtbank Amsterdam Van der Helders beroep gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, en Farringtons beroep ongegrond verklaard.
20.
Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Rechtbank Amsterdam. Omdat de Raad twijfelt over de juiste uitlegging van artikel 28, lid 2, sub b, heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie de navolgende prejudiciële vraag gesteld:
„Wordt met de wettelijke regeling waaraan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest, in artikel 28, tweede lid, onder b, van verordening (EEG) nr. 1408/71, gedoeld op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap, de wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom of alle wettelijke regelingen betreffende de takken van sociale zekerheid genoemd in artikel 4 van die verordening die op grond van titel II van de verordening van toepassing zijn geweest?”
21.
Op verzoek van de verwijzende rechter wordt de zaak, gezien de bijzondere omstandigheden ervan, overeenkomstig artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bij voorrang berecht.
22.
In de onderhavige zaak hebben Farrington, Van der Helder en het CVZ, alsmede de Estse, de Nederlandse, de Finse, de Zweedse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend. Van der Helder, de Nederlandse, de Finse en de Zweedse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede de Commissie hebben ter terechtzitting van 18 april 2013 hun standpunten mondeling toegelicht.
III – Opmerkingen van de verwijzende rechter en de interveniënten
23.
Volgens de Centrale Raad van Beroep zijn er drie verschillende uitleggingen mogelijk van de zinsnede „wettelijke regeling [waaraan] de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” in artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening. Dit zijn de volgende.
24.
Naar de mening van verzoekers in het hoofdgeding heeft het litigieuze begrip uitsluitend betrekking op de wettelijke regeling inzake prestaties bij ziekte en moederschap. Zij baseren deze uitlegging voornamelijk op het feit dat artikel 28 in hoofdstuk I – met het opschrift „Ziekte en moederschap” – van titel III van de verordening staat. Dat opschrift geeft huns inziens aan welke takken van het socialezekerheidsstelsel in het kader van die bepaling relevant zijn. Hun uitlegging zou bovendien steun vinden in een uitspraak van het Zweedse hooggerechtshof in bestuurszaken van 14 december 2011.
25.
Volgens een tweede, door het CVZ en ook door de Nederlandse en de Zweedse regering verdedigde uitlegging heeft het litigieuze begrip betrekking op de gehele socialezekerheidswetgeving. Deze uitlegging zou steun vinden in artikel 1, sub j, van de verordening, dat „wetgeving” of „wettelijke regeling” definieert onder verwijzing naar artikel 4 – dat de materiële werkingssfeer van die verordening omschrijft – en dat begrip aldus in de ruimst mogelijke zin definieert.
26.
Volgens de door de Rechtbank Amsterdam gehanteerde, en eveneens door de verwijzende rechter voorgestane uitlegging, ten slotte, verwijst het litigieuze begrip naar de wettelijke regeling betreffende de pensioenverzekering op basis waarvan de betrokkenen pensioen ontvangen. Naar het oordeel van deze rechters zou deze uitlegging in overeenstemming zijn met de strekking en het doel van artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening, zoals aangegeven door het Hof in het arrest Rundgren. ( 7 ) Dat voor de financiering van de verstrekkingen wordt aangesloten bij de staat die het pensioen betaalt, is coherent met het gegeven dat ziektekostenstelsels worden bekostigd uit inkomensafhankelijke bijdragen van de betrokkene. Deze uitlegging wordt ook gesteund door de Estse en de Finse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede de Commissie.
IV – Analyse
27.
In deze analyse zal ik aantonen waarom de door de Rechtbank Amsterdam en de Centrale Raad van Beroep voorgestelde uitlegging van artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening mijns inziens juist is.
28.
Het Hof heeft reeds uitgemaakt dat verordening nr. 1408/71, volgens de tweede en de vierde overweging ervan, tot doel heeft „het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen binnen de Europese [Unie] te verzekeren zonder afbreuk te doen aan de kenmerken van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid. [Daartoe] is de verordening [...] gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling van werknemers en zelfstandigen ten aanzien van de verschillende nationale wetgevingen, en beoogt zij zo goed mogelijk de gelijke behandeling te waarborgen van alle werknemers en zelfstandigen die op het grondgebied van een lidstaat werkzaam zijn, en de werknemers en zelfstandigen die hun recht van vrij verkeer uitoefenen, niet te benadelen.” ( 8 )
29.
Aan de verwezenlijking van dit doel, bevordering van de mobiliteit binnen de Unie, wordt echter niet – en kan niet worden – bijgedragen wanneer tegelijkertijd het broze financiële evenwicht wordt verstoord tussen de ontvangen bijdragen en de verstrekte prestaties waarop de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten in het algemeen zijn gebaseerd.
30.
Daarom heeft het Hof gepreciseerd dat de verordening niet raakt aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de daarbij aangesloten personen. Iedere lidstaat blijft bevoegd om in zijn wetgeving met inachtneming van het recht van de Unie de voorwaarden voor toekenning van prestaties krachtens een stelsel van sociale zekerheid te bepalen. Bijgevolg kunnen de bepalingen van Unierecht een verzekerde niet waarborgen dat een verplaatsing naar een andere lidstaat neutraal zal zijn vanuit socialezekerheidsoogpunt, onder meer wat de prestaties bij ziekte betreft. Gezien de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied kan een dergelijke verplaatsing, naargelang van het geval, voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn op het vlak van de sociale bescherming. ( 9 )
31.
Het Hof heeft, veelzeggend in dit verband, geoordeeld dat de verordening „een volledig stelsel van conflictregels [vormt], hetgeen ertoe leidt, dat de wetgevers der lidstaten niet meer bevoegd zijn om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van hun nationale wetgeving te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren”. ( 10 ) De lidstaten kunnen derhalve niet zelf bepalen in hoeverre hun eigen wettelijke regeling of die van een andere lidstaat van toepassing is, aangezien zij gebonden zijn aan de vigerende Uniebepalingen. ( 11 ) De toepassing van de conflictregels van de verordening hangt immers alleen af van de objectieve situatie waarin de betrokken werknemer zich bevindt. ( 12 )
32.
Het kernbeginsel in dit stelsel is geformuleerd in artikel 13, lid 1, het eerste van titel II van de verordening. Het bepaalt dat, behoudens uitdrukkelijk voorziene uitzonderingen, „degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat [zijn] onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.”
33.
De algemene regels van titel II van de verordening gelden evenwel alleen „voor zover er in de bijzondere bepalingen voor de verschillende soorten uitkeringen van titel III der verordening geen uitzonderingen voorzien zijn”. ( 13 )
34.
Dit is nu juist het geval bij verzoekers in het hoofdgeding, aangezien zij – zoals tussen partijen vaststaat – binnen de werkingssfeer van artikel 28 van de verordening vallen: zij zijn rechthebbenden op een pensioen of rente die op grond van de wettelijke regeling van ten minste twee lidstaten recht hebben op verstrekkingen, en hebben geen recht op die prestaties op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat waar zij wonen.
35.
In dat geval voorziet artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening erin dat de verstrekkingen in beginsel voor rekening komen „van het bevoegde orgaan van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest”.
36.
Het Hof heeft de werkingssfeer en de betekenis van onder meer artikel 28 van de verordening reeds gepreciseerd in de zaak Rundgren. De belangrijkste vraag in die zaak was of een in Finland woonachtige Zweeds onderdaan, die pensioenuitkeringen de facto uitsluitend uit Zweden kreeg, in Finland premieplichtig was louter op grond van zijn ingezetenschap.
37.
Het arrest van het Hof in die zaak verschaft mijns inziens een goed inzicht met het oog op de uitlegging van het litigieuze begrip. Ik zal daarom de onderdelen ervan weergeven die naar mijn oordeel van bijzondere relevantie zijn voor de onderhavige procedure.
38.
In zijn beantwoording van een van de vragen van de nationale rechter in de zaak Rundgren zet het Hof eerst uiteen dat de artikelen 27, 28 en 28 bis van de verordening tot doel hebben „in de verschillende daarin bedoelde situaties het orgaan aan te wijzen, dat aan de rechthebbenden op pensioenen of renten de prestaties bij ziekte en moederschap moet uitkeren, en het orgaan voor wiens rekening dit komt”. Vervolgens benadrukt het dat volgens artikel 28 bis van de verordening – de relevante bepaling in die zaak – „deze verstrekkingen in beginsel voor rekening [komen] van het orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde lidstaten, zodat deze kosten niet enkel op grond van de woonplaats ten laste komen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokkene woont”. Het doel van deze bepaling is volgens het Hof duidelijk: „beletten dat lidstaten waarvan de wetgeving enkel op grond van het wonen op hun grondgebied een recht op verstrekkingen verleent, worden benadeeld [...].” ( 14 )
39.
Het voegde hieraan toe – en dit is van bijzonder belang voor de onderhavige procedure – dat volgens artikel 28 bis van de verordening het orgaan ten laste waarvan de verstrekkingen komen, moet worden bepaald volgens dezelfde regels als van toepassing zijn krachtens artikel 28 van de verordening. „Op grond van deze regels verleent het orgaan van de woonplaats de pensioen- of rentetrekkenden verstrekkingen voor rekening van het orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde lidstaten.” ( 15 )
40.
Op basis hiervan concludeerde het Hof dat „[i]n het aldus bij de artikelen 27, 28 en 28 bis van [de] verordening ingevoerde stelsel [...] de verstrekkingen altijd voor rekening [komen] van een orgaan van een ter zake van het pensioen bevoegde lidstaat, voor zover de pensioen- of rentetrekker op grond van de wettelijke regeling van deze lidstaat recht op deze verstrekkingen heeft, indien hij op diens grondgebied woont. Wanneer verscheidene lidstaten ter zake van het pensioen bevoegd zijn, komen de verstrekkingen voor rekening van een van deze staten, die wordt bepaald aan de hand van concrete criteria, zoals de woonplaats van de betrokkene of, indien de betrokkene in geen van deze lidstaten woont, de tijd gedurende welke hij aan de wettelijke regeling van elk van deze lidstaten onderworpen is geweest.” In dat verband benadrukte het bovendien dat „[u]it het in dit stelsel gelegde verband tussen de bevoegdheid om pensioenen of renten te verlenen en de verplichting om op te komen voor de kosten van de verstrekkingen, volgt dat deze verplichting afhankelijk is van een daadwerkelijke bevoegdheid ter zake van pensioenen”. ( 16 )
41.
In het arrest Van Delft, van recenter datum, heeft het Hof deze uitgangspunten bevestigd en verklaard dat „de lidstaat die het pensioen of de rente van een in een andere lidstaat wonende rechthebbende verschuldigd is, grotendeels het risico draagt in verband met de verlening van verstrekkingen bij ziekte in de woonstaat van die rechthebbende”. ( 17 )
42.
Mijns inziens blijkt uit ’s Hofs rechtspraak duidelijk dat een noodzakelijk verband tussen het pensioen en de verstrekkingen de kern vormt van artikel 28 van de verordening. Het zal daarom in deze situatie altijd de lidstaat zijn die het pensioen verschuldigd is, die ook de kosten van de verstrekkingen voor zijn rekening moet nemen.
43.
Voor die uitlegging van artikel 28 zijn voorts de volgende drie overwegingen aan te voeren.
44.
Ten eerste is, zoals door verschillende deelnemers die in het kader van deze procedure opmerkingen hebben ingediend is gereleveerd, het beginsel van artikel 28 gebaseerd op de premisse dat de financiering van elk socialezekerheidsstelsel onvermijdelijk afhankelijk is van de bijdragen van de burgers die op enigerlei wijze economisch actief zijn. ( 18 ) Het is dan ook logisch en billijk dat de tijdens het pensioen te verlenen verstrekkingen voor rekening komen van de lidstaat waar de rechthebbende op pensioen of rente het langst zijn economische activiteit heeft uitgeoefend. ( 19 ) In dat land zal hij waarschijnlijk het grootste deel van zijn bijdragen hebben betaald.
45.
Volgens de door verzoekers in het hoofdgeding bepleite uitlegging moeten die tijdvakken ook in aanmerking worden genomen wanneer de betrokken pensioenontvanger hoogstwaarschijnlijk in het geheel geen of slechts geringe bijdragen heeft betaald. In sommige gevallen zou dat echter betekenen dat langere perioden waarin geen bijdragen zijn betaald vóór kortere perioden gaan waarin daadwerkelijk bijdragen zijn betaald. Er zijn inderdaad verschillende lidstaten die voorzien in zorgverstrekkingen louter op basis van het hebben van woonplaats op hun grondgebied.
46.
In De Legibus (Over de Wetten) schreef de Romeinse redenaar Marcus Tullius Cicero: „salus populi suprema lex esto” („het welzijn van het volk moet de hoogste wet zijn”). ( 20 ) Het is inderdaad ook mijn overtuiging dat een van de belangrijkste doelen van elk staatsbestel de behartiging van het welzijn van zijn burgers moet zijn. Daartoe is het van belang dat een land alle burgers ruime toegang biedt tot diensten van gezondheidszorg, ongeacht eventuele onderlinge verschillen in inkomen en vermogen. In de meeste ontwikkelde maatschappijen is dan ook bij wet dwingend voorzien in algemene toegang tot een breed scala aan volksgezondsheids- en medische diensten. ( 21 ) In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties bepaalt (artikel 22): „Eenieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid”, en (artikel 25, lid 1): „Eenieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.” Evenzo bepaalt het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in artikel 35 onder „Gezondheidsbescherming”: „Eenieder heeft recht op toegang tot preventieve gezondheidszorg en op medische verzorging onder de door de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden.”
47.
Stelsels die de gehele bevolking ruime toegang verlenen tot prestaties van gezondheidszorg, brengen echter onvermijdelijk hogere kosten met zich voor de samenleving. De kosten van de gezondheidszorg die aan bepaalde categorieën personen, zoals werklozen, studenten, kinderen of zwangere vrouwen wordt verstrekt, moeten gewoonlijk worden gedekt door de bijdragen van de economisch actieve burgers, of meer algemeen gezegd, met belastingmiddelen.
48.
Mijns inziens beoogt het beginsel van artikel 28 van de verordening te voorkomen dat de lidstaten die dienaangaande een ruimhartiger beleid voeren, de kosten voor hun rekening moeten nemen van de verstrekkingen aan pensioenontvangers die niet of nauwelijks aan hun socialezekerheidsstelsel hebben bijgedragen.
49.
De objectieve onbillijkheid van een dergelijk stelsel – die tot een „race to the bottom” van de lidstaten kan leiden met betrekking tot de toegang tot gezondheidsdiensten – kan worden geïllustreerd aan de hand van de situatie van Farrington.
50.
Volgens Farrington is het Verenigd Koninkrijk de lidstaat die op grond van artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening de kosten voor zijn rekening moet nemen van de verstrekkingen die hem in Spanje worden verleend, aangezien hij in het Verenigd Koninkrijk heeft gewoond vanaf 1948 – zijn zevende levensjaar – tot 1972, toen hij na veertien arbeidsjaren naar Nederland emigreerde. Hij heeft dus een groot deel van zijn leven in het Verenigd Koninkrijk toegang gehad tot de National Health Service, louter omdat hij in het land woonachtig was. In Nederland heeft hij daarentegen gewerkt gedurende de gehele periode van 32 jaar dat hij er woonachtig was (1972 tot 2004). Wij kunnen er dus van uitgaan dat Farrington aanzienlijk meer bijdragen aan het socialezekerheidsstelsel in Nederland heeft betaald dan in het Verenigd Koninkrijk – althans, dat dit voor de meeste mensen in een vergelijkbare situatie zou gelden. Ik zie daarom geen enkele reden waarom het Verenigd Koninkrijk en niet Nederland zou moeten opkomen voor de kosten van de verstrekkingen waarop Farrington in zijn nieuwe woonland tijdens zijn pensioen recht heeft.
51.
Dit voorbeeld toont aan dat de door verzoekers in het hoofdgeding bepleite uitlegging van artikel 28, lid 2, sub b, niet juist kan zijn. Door het litigieuze begrip uit te leggen als zou het slechts betrekking hebben op socialezekerheidswetgeving inzake moederschap en ziekte, zou het verband worden verbroken tussen de door de staat ontvangen bijdragen en de door hem gedane verstrekkingen, dat de grondslag vormt van alle socialezekerheidsstelsels. Dit zou, zoals de Commissie terecht opmerkt, tot een onevenwichtige verdeling van de financiële lasten tussen de verschillende lidstaten leiden en kan, zo zou ik eraan willen toevoegen, bovendien de stabiliteit van sommige socialezekerheidsstelsels ondermijnen.
52.
Volgens verzoekers in het hoofdgeding vindt hun uitlegging van het litigieuze begrip steun in een uitspraak van het Zweedse hooggerechtshof in bestuurszaken van 14 december 2011 ( 22 ) in een zaak met vergelijkbare feiten als die in het hoofdgeding. In die zaak oordeelde het Zweedse hof dat artikel 28, in titel III, hoofdstuk 1, van de verordening, „Ziekte en moederschap”, een uitzondering vormt op de algemene bepalingen inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving van artikel 13 van titel II van de verordening, en concludeerde dat onder „wettelijke regeling” moet worden verstaan de socialezekerheidswetgeving inzake moederschap en ziekte.
53.
Artikel 28 staat inderdaad in hoofdstuk 1, „Ziekte en moederschap”, van titel III van de verordening. Dit betekent echter niet dat het litigieuze begrip is beperkt tot de wetgeving inzake ziekte en moederschap. Zoals de Zweedse regering heeft opgemerkt, geeft het opschrift van het hoofdstuk slechts de soorten prestaties aan die door de bepalingen van dat hoofdstuk worden geregeld in afwijking van de algemene bepalingen van titel II van de verordening. ( 23 )
54.
Hoe weinig steekhoudend de – op het opschrift van hoofdstuk 1 gebaseerde – argumenten van verzoekers in het hoofdgeding zijn, wordt duidelijk bij lezing van dat opschrift in het licht van het algemene opschrift van titel III („Bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties”) en van de opschriften van de daaropvolgende hoofdstukken in die titel, die elk de betrokken categorie prestaties vermelden. ( 24 )
55.
In de tweede plaats volgt uit de door mij voorgestelde uitlegging een conflictregel die, zoals het Verenigd Koninkrijk terecht opmerkt, vrij eenvoudig is toe te passen en tot resultaten leidt die rechtszekerheid bieden. ( 25 ) De tijdvakken waarin een pensioengerechtigde in elke lidstaat pensioen heeft opgebouwd liggen vast en zijn vanzelfsprekend bekend bij de bevoegde organen in elke lidstaat.
56.
Daarentegen lijkt de hiervóór in punt 24 weergegeven, door het CVZ en de Nederlandse en de Zweedse regering verdedigde uitlegging van artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening minder zekere resultaten op te leveren. Aangezien bepaalde takken van sociale zekerheid veelal voor elke ingezetene van een lidstaat gelden, is het belangrijkste criterium voor de toepassing van artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening doorgaans de duur van het verblijf van een persoon in een land. Zoals sommige regeringen echter ter terechtzitting moesten toegeven, is deze informatie mogelijk niet altijd gemakkelijk beschikbaar of volledig betrouwbaar. Terwijl de tijdvakken waarin een burger pensioenbijdragen heeft betaald deugdelijk zijn geregistreerd en eenvoudig kunnen worden geverifieerd, is dat geen uitgemaakte zaak bij de tijdvakken waarin burgers aan andere takken van sociale zekerheid zijn onderworpen.
57.
Verder stellen zelfs de Nederlandse en de Zweedse regering dat artikel 28, lid 2, sub b, beoogt te verzekeren dat de kosten van de verstrekkingen voor rekening komen van het land waar de pensioengerechtigde het langst heeft gewerkt en dus waarschijnlijk de meeste bijdragen heeft betaald. De door deze regeringen voorgestelde uitlegging van die bepaling lijkt echter niet te garanderen dat dit doel altijd zal worden bereikt. Die uitlegging impliceert namelijk dat het volledige tijdvak waarin een burger onderworpen is geweest aan de wettelijke regeling betreffende een tak van sociale zekerheid ook voor de toepassing van artikel 28 van de verordening in aanmerking zal worden genomen. Of hij gedurende een bepaalde periode bijvoorbeeld nog maar een kind was met toegang tot de algemene gezondheidsdiensten van een lidstaat of juist een werknemer die alle verschuldigde bijdragen betaalde, zou dan volstrekt irrelevant zijn. De tijdsfactor zou bijgevolg het enige relevante criterium zijn in het kader van artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening.
58.
Dat kan mijns inziens niet de juiste uitlegging zijn van artikel 28, lid 2, sub b. Die uitlegging zou immers de lidstaten onevenredig belasten die hun ingezetenen een of andere vorm van socialezekerheidsvoorziening bieden, ongeacht of die burgers een economische activiteit uitoefenen en of zij al dan niet bijdragen aan het socialezekerheidsstelsel.
59.
Zoals ik in de punten 50 en 51 hiervóór heb uiteengezet, lijkt dat resultaat mij niet alleen onbillijk voor de lidstaten die genereuzer zijn wat hun socialezekerheidsstelsels betreft, maar ook potentieel schadelijk voor de financiële stabiliteit van die stelsels.
60.
Het is juist dat artikel 1, dat de definities bevat voor de toepassing van de verordening, onder j het begrip „wettelijke regeling” aldus definieert dat daaronder voor elke lidstaat wordt verstaan „de bestaande of toekomstige wetten, regelingen, statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen, welke betrekking hebben op de in artikel 4, leden 1 en 2, bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid, of de bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als bedoeld in artikel 4, lid 2 bis”. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat het betrokken begrip ruim moet worden uitgelegd.
61.
Ik vind dit argument evenwel niet overtuigend. Mijns inziens moet de definitie van artikel 1 noodzakelijkerwijs alomvattend zijn, aangezien zij geldt voor de toepassing van de gehele verordening. Een ruime definitie van „wettelijke regeling” is in overeenstemming met het doel van de Uniewetgever om een uniforme toepassing van de verordening te verzekeren in alle lidstaten, ondanks de verscheidenheid aan socialezekerheidsstelsels die zij kennen. Tegelijkertijd dient de definitie in artikel 1 ook ter bepaling van wat niet als socialezekerheidswetgeving moet worden aangemerkt (bijvoorbeeld collectieve overeenkomsten of bijzondere regelingen voor zelfstandigen, waarvan de invoering aan het initiatief van de betrokkenen wordt overgelaten).
62.
Dat betekent niet dat het begrip overal waar het in de verordening wordt gebruikt, steeds overeenkomstig de definitie van artikel 1 moet worden opgevat. ( 26 ) Sommige bepalingen in de verordening kunnen het begrip „wettelijke regeling” immers nader preciseren en aldus slechts naar bepaalde wetgevingsgebieden verwijzen.
63.
Dit is bij artikel 28 van de verordening nu juist het geval. Het begrip „wettelijke regeling” in artikel 28, lid 2, sub b, moet mijns inziens niet volkomen los van de andere bepalingen van de verordening worden uitgelegd. Terwijl artikel 28, lid 1, immers verwijst naar „[d]e rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer lidstaten”, maakt lid 2, aanhef, vervolgens door de verwijzing naar lid 1 duidelijk dat het slechts van toepassing is op de in dat lid geregelde gevallen. ( 27 )
64.
Lezing van artikel 28 in zijn geheel leert derhalve dat de wettelijke regeling op grond waarvan een persoon recht heeft op een pensioen relevant is en niet de wetgeving betreffende alle takken van sociale zekerheid.
65.
In de derde en laatste plaats lijkt de door mij voorgestelde uitlegging van het litigieuze begrip te worden bevestigd door twee andere bepalingen.
66.
In de eerste plaats bepaalt artikel 33, lid 1, van de verordening dat „[h]et orgaan van een lidstaat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen- of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, [...] gemachtigd [is] [...] deze bedragen [...] in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voor zover de prestaties [...] voor rekening van een orgaan van bedoelde lidstaat komen”.
67.
Die bepaling biedt steun aan de idee dat de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, ook de kosten voor zijn rekening moet nemen van de in de woonstaat van de pensioen- of rentetrekker verleende verstrekkingen. Dit verklaart waarom die lidstaat bedragen mag inhouden op het aan de pensioen- of rentetrekker verschuldigde pensioen. Met name in het arrest Rundgren heeft het Hof duidelijk gemaakt dat „verschuldigd” in artikel 33 betekent dat het pensioen of de rente daadwerkelijk aan de rechthebbende moet worden uitbetaald en dat een eventuele bevoegdheid ter zake van pensioenbetaling onvoldoende is om het bevoegde orgaan toe te staan een bedrag in te houden op het pensioen of de rente. ( 28 )
68.
Relevant lijkt, in de tweede plaats, ook artikel 95 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 ( 29 ), met het opschrift „Vergoeding van de verstrekkingen van de ziekte- en moederschapsverzekering, die zijn verleend aan pensioen- of rentetrekkers en hun gezinsleden die hun woonplaats niet hebben in een lidstaat krachtens de wettelijke regeling waarvan zij een pensioen of rente genieten en recht op prestaties hebben”. In het arrest Van der Duin heeft het Hof met betrekking tot deze bepaling geoordeeld dat „het bedrag van de krachtens [...] artikel 28 verleende verstrekkingen in beginsel door het bevoegde orgaan van de staat die het pensioen of de rente verschuldigd is, aan het orgaan van de woonplaats [wordt] vergoed [...]”. ( 30 )
69.
Wanneer de door verzoekers in het hoofdgeding voorgestane uitlegging van artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening of de door het CVZ bepleite uitlegging zou worden gevolgd, zouden beide bepalingen hun bestaansreden verliezen: het is immers niet uitgesloten dat in sommige gevallen de kosten van de verstrekkingen zouden moeten worden gedekt door een lidstaat die geen pensioenuitkeringen aan de pensioengerechtigde doet. In die gevallen kan er vanzelfsprekend geen sprake zijn van inhoudingen op het pensioen of de rente en evenmin van vergoedingen door een orgaan dat het pensioen of de rente verschuldigd is.
70.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het litigieuze begrip verwijst naar de wettelijke regeling betreffende pensioenen en renten.
71.
Na deze vaststelling moeten wij nog een volgende vraag beantwoorden. De Centrale Raad van Beroep vraagt in de verwijzingsbeslissing namelijk welke soorten pensioenverzekering in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van artikel 28 van de verordening in een geval als het onderhavige.
72.
Mijns inziens moeten de bewoordingen van artikel 28 van de verordening in dit verband in de eerste plaats ruim, en in de tweede plaats in overeenstemming met de relevante nationale wetgeving worden uitgelegd.
73.
Wat het eerste aspect betreft wijst niets in de tekst van de verordening erop dat die bepaling eng moet worden uitgelegd. Daarentegen lijkt de zinsnede „aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst onderworpen is geweest” bewust zo ruim mogelijk te zijn geformuleerd.
74.
In het arrest Rundgren heeft het Hof in feite verklaard dat „de woorden ‚pensioen of rente’ in artikel 28 bis van verordening nr. 1408/71 zowel betrekking hebben op een op de woonplaats berustend pensioen, dat onder meer bestaat in een prestatie bij invaliditeit of een uitkering bij ouderdom [...] als op een op de uitoefening van betaalde arbeid berustend pensioen [...]”. ( 31 ) Mijns inziens moeten die woorden op dezelfde manier worden uitgelegd in artikel 28 van de verordening.
75.
Bovendien wordt het opschrift van artikel 28 van de verordening, dat in de Engelse taalversie „pensions payable” luidt, in andere taalversies anders geformuleerd. In de Deense weergave van het opschrift van artikel 28 heet het bijvoorbeeld „ret til pension eller rente”, in de Nederlandse „pensioenen of renten”, in de Franse „pensions ou rentes dues”, in de Italiaanse „pensioni o rendite dovute”, in de Portugese „pensões ou rentas devidas” en in de Spaanse „pensiones o rentas debidas”. ( 32 ) Uit deze vergelijking lijkt te kunnen worden opgemaakt dat de werkingssfeer van artikel 28 ruim moet worden uitgelegd.
76.
Er is kortom niets dat erop wijst dat de Uniewetgever de werkingssfeer van artikel 28 heeft willen beperken tot specifieke vormen van pensioen of rente of specifieke tijdvakken van pensioenverzekering, zoals bijvoorbeeld ouderdomspensioen of tijdens het beroepsleven opgebouwd pensioen. Ik zie ook niet in waarom de tijdvakken waarin een pensioengerechtigde aan een andere lidstaat bijdragen heeft betaald op basis van een vrijwillige verzekering, niet in aanmerking zouden moeten worden genomen wanneer de nationale wetgeving in die mogelijkheid voorziet.
77.
Invoering van een onderscheid tussen de verschillende soorten pensioen of rente of de verschillende tijdvakken van pensioenverzekering zou bovendien een complicerend en ongewis element toevoegen aan de toets van artikel 28, lid 2, sub b, van de verordening.
78.
Wat het tweede aspect betreft, herinner ik eraan dat het Hof reeds heeft uitgemaakt dat in beginsel de voorwaarden waaraan de samenstelling van de tijdvakken van verzekering moet voldoen, volgens artikel 1, sub r, van verordening nr. 1408/71 uitsluitend worden bepaald door de wettelijke regeling van de lidstaat waaronder de betrokken tijdvakken zijn vervuld. ( 33 )
79.
Het feit dat artikel 28 voor dit punt in beginsel naar de relevante nationale wetgeving verwijst, lijkt mij ook in overeenstemming met het feit dat de verordening is gebaseerd op wat thans artikel 48 VWEU is (voorheen artikel 51 EEG-Verdrag). Het is in dit verband vaste rechtspraak van het Hof dat artikel 48 VWEU, „aangezien het in coördinatie en niet in harmonisatie van de wettelijke regeling van de lidstaten voorziet, niet raakt aan de materiële en formele verschillen tussen de stelsels van sociale zekerheid van de onderscheiden lidstaten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de daarbij aangesloten personen”. ( 34 )
80.
Ik concludeer bijgevolg dat de uitdrukking „pensioen of rente” ruim en in overeenstemming met de relevante nationale wetgeving moet worden uitgelegd, zodat hieronder in voorkomend geval mede pensioenen of renten zijn begrepen die op basis van vrijwillige bijdragen verschuldigd zijn door de lidstaat.
V – Conclusie
81.
In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Centrale Raad van Beroep (Nederland) als volgt te beantwoorden:
„De zinsnede ‚wettelijke regeling [waaraan] de rechthebbende het langst onderworpen is geweest’ in artikel 28, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 1408/71 heeft betrekking op de wettelijke regeling betreffende pensioenen of renten. De uitdrukking ‚pensioen of rente’ moet ruim en in overeenstemming met de betrokken nationale wetgeving worden uitgelegd, zodat hieronder in voorkomend geval mede pensioenen of renten zijn begrepen die op basis van vrijwillige bijdragen verschuldigd zijn door de lidstaat.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: „verordening”) (PB L 149, blz. 2).
( 3 ) Zesde overweging van de considerans van de verordening.
( 4 ) De verordening is per 1 mei 2010 ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166, blz. 1), die op die datum van kracht werd door de inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284, blz. 1).
( 5 ) Tot 1 januari 2006 bepaalde bijlage VI bij de verordening, onder Q (Nederland), punt 1, sub a: „Wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving, wordt voor de toepassing van hoofdstuk 1 van titel III onder rechthebbende op verstrekkingen verstaan degene die verzekerd dan wel medeverzekerd is krachtens de in de Ziekenfondswet geregelde verzekering.”
( 6 ) Bijlage VI, onder R (Nederland), punt 1, sub a, bij de verordening, bepaalde destijds: „Wat betreft het recht op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wetgeving wordt voor de toepassing van de hoofdstukken 1 en 4 van titel III van de verordening onder ‚rechthebbenden op verstrekkingen’ verstaan: i) personen die overeenkomstig artikel 2 van de [ZVW] verplicht zijn zich te verzekeren bij een zorgverzekeraar; en ii) voor zover niet reeds begrepen onder i), [...] personen die in een andere lidstaat woonachtig zijn en krachtens de verordening ten laste van Nederland recht hebben op geneeskundige zorg in hun woonland.”
( 7 ) Arrest van 10 mei 2001 (C-389/99, Jurispr. blz. I-3731).
( 8 ) Zie arresten van 18 juli 2006, Nikula (C-50/05, Jurispr. blz. I-7029, punt 20), en 3 maart 2011, Tomaszewska (C-440/09, Jurispr. blz. I-1033, punt 28).
( 9 ) Arresten van 14 oktober 2010, Van Delft e.a. (C-345/09, Jurispr. blz. I-9879, punten 99 en 100), en 16 juli 2009, von Chamier-Glisczinski (C-208/07, Jurispr. blz. I-6095, punten 84 en 85).
( 10 ) Arresten van 10 juli 1986, Luijten (60/85, Jurispr. blz. 2365, punt 14), en 14 december 1989, Agegate (C-3/87, Jurispr. blz. I-4459, punt 27).
( 11 ) Arrest van 12 juni 1986, Ten Holder (C-302/84, Jurispr. blz. 1821, punt 21 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) Zie in die zin arrest van 29 juni 1994, Aldewereld (C-60/93, Jurispr. blz. I-2991, punten 16‑20), en arrest Van Delft e.a., reeds aangehaald, punt 52 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 13 ) Arrest van 27 mei 1982, Aubin (227/81, Jurispr. blz. 1991, punt 11).
( 14 ) Arrest Rundgren, reeds aangehaald, punten 44 en 45.
( 15 ) Ibid.
( 16 ) Ibid., punten 46 en 47.
( 17 ) Arrest Van Delft e.a., reeds aangehaald, punt 79.
( 18 ) Dit beginsel ligt ten grondslag aan de gehele verordening, zoals artikel 13, lid 2, sub a, ervan duidelijk maakt, dat bepaalt: „[O]p degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent [is] de wetgeving van die staat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij werkzaam is, zich bevindt op het grondgebied van een andere lidstaat.”
( 19 ) In dit verband stelde advocaat-generaal Poiares Maduro in punt 11 van zijn conclusie in de zaak Nikula: „[D]e kosten van de verleende prestaties [dienen] zo veel mogelijk te worden gelegd bij de staat waar de belanghebbende de activiteit heeft uitgeoefend waarvoor deze recht op pensioen of rente heeft.”
( 20 ) Boek III 3:8.
( 21 ) Recent hebben de Verenigde Staten van Amerika (VS) een federale wet ingevoerd die voor een hogere dekkingsgraad van de Amerikaanse burgers door een ziektekostenverzekering moet zorgen. Zie de Patient Protection and Affordable Care Act (PPACA), in de media gewoonlijk „Obamacare” genoemd, waaraan op 23 maart 2010 door de ondertekening van president Obama kracht van wet werd verleend. Op 28 juni 2012 heeft het Amerikaanse hooggerechtshof in de zaak National Federation of Independent Business/Sebelius, 567 U.S. – (2012), de wet voor het overgrote deel in overeenstemming met de grondwet verklaard.
( 22 ) Zaak nr. 4381‑10, Wehmeyer.
( 23 ) In punt 48 van zijn conclusie in de reeds aangehaalde zaak Rundgren suggereert advocaat-generaal Alber in feite dat de context van de artikelen 28 en 28 bis van de verordening erop duidt dat zij betrekking hebben op pensioenen.
( 24 ) Hoofdstuk 2 „Invaliditeit”; hoofdstuk 3 Ouderdom en overlijden (pensioenen); hoofdstuk 4 „Arbeidsongevallen en beroepsziekten”; hoofdstuk 5 „Uitkeringen bij overlijden”; hoofdstuk 6 „Werkloosheid”; hoofdstuk 7 „Gezinsbijslagen”, en hoofdstuk 8 „Bijslagen voor kinderen die ten laste komen van pensioen- of rentetrekkers en voor wezen”.
( 25 ) Het Hof heeft in feite reeds benadrukt dat de volgens de verordening toepasselijke regeling voorzienbaar moet zijn teneinde te voldoen aan het rechtszekerheidsbeginsel. Zie arrest van 30 maart 2000, Banks e.a. (C-178/97, Jurispr. blz. I-2005, punt 41), en de conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 24 februari 2005 in de zaak Van Pommeren-Bourgondiën (met arrest van 7 juli 2005, C-227/03, Jurispr. blz. I-6101, punt 45).
( 26 ) Zoals ik in mijn conclusie van 29 mei 2013 in de zaak Brey (C‑140/12, nog aanhangig) heb opgemerkt (punt 34), is het in het algemeen wenselijk de begrippen van het Unierecht eenvormig uit te leggen, aangezien dit leidt tot meer rechtszekerheid. Een eenvormige uitlegging is in de praktijk echter niet altijd mogelijk.
( 27 ) Artikel 28, lid 2, van de verordening bepaalt: „In de in lid 1 bedoelde gevallen [...]”.
( 28 ) Arrest Rundgren, reeds aangehaald, punten 47‑50.
( 29 ) PB L 74, blz. 1.
( 30 ) Arrest van 3 juli 2003, Van der Duin en ANOZ Zorgverzekeringen (C-156/01, Jurispr. blz. I-7045, punt 44).
( 31 ) Arrest Rundgren, reeds aangehaald, punt 39.
( 32 ) Sommige taalversies vertonen daarentegen meer gelijkenis met de Engelse: de Estse versie spreekt van „makstavad pensionid”, de Finse van „maksettavat eläkkeet”, de Duitse van „Rentenanspruch” en de Zweedse van „Rätt till pensioner”.
( 33 ) Zie onder meer arrest Tomaszewska, reeds aangehaald, punt 26, en arrest van 18 april 2013, Mulders (C‑548/11, punt 37).
( 34 ) Zie onder meer arrest van 11 april 2013, Jeltes e.a. (C‑443/11, punt 43). Zie ook arrest von Chamier-Glisczinski, reeds aangehaald, punt 84, en arrest van 15 januari 1986, Pinna (41/84, Jurispr. blz. 1, punt 20).
Full & Egal Universal Law Academy