CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. CRUZ VILLALÓN
van 27 februari 2014 ( 1 )
Zaak C‑374/12
„Valimar” OOD
tegen
Nachalnik na Mitnitsa Varna
[verzoek van de Varhoven administrativen sad (Bulgarije)
om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijke handelspolitiek — Dumping — Verordening (EG) nr. 384/96 — IJzeren of stalen kabels uit Rusland — Verordening (EG) nr. 1601/2001 — Prijsverbintenissen — Tussentijds nieuw onderzoek — Nieuw onderzoek bij vervallen van de maatregelen — Verordening (EG) nr. 1279/2007 — Vaststelling van uitvoerprijzen — Betrouwbaarheid van prijzen bij uitvoer naar de Europese Gemeenschap — Inaanmerkingneming van prijsverbintenissen — Wijziging van omstandigheden — Toepassing van een andere methode dan in het oorspronkelijke onderzoek — Geldigheidstoetsing”
1.
De onderhavige zaak betreft voornamelijk een verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening (EG) nr. 1279/2007 van de Raad van 30 oktober 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels van oorsprong uit de Russische Federatie en tot intrekking van de antidumpingmaatregelen met betrekking tot bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels van oorsprong uit Thailand en Turkije. ( 2 )
2.
Deze geldigheidsvraag hangt vooral af van de uitlegging van artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap. ( 3 ) Het Hof ( 4 ) is, in tegenstelling tot het Gerecht ( 5 ), slechts zelden in de gelegenheid geweest om deze bepaling uit te leggen en toe te passen.
3.
Meer in het bijzonder wordt het Hof gevraagd of de instellingen van de Europese Unie in het kader van een nieuw onderzoek van een antidumpingmaatregel die is opgelegd aan een exporterende onderneming een andere „methode” voor het vaststellen van haar uitvoerprijzen mogen gebruiken dan de methode die is gebruikt in de verordening waarbij de oorspronkelijke maatregel werd ingesteld, en dus om te definiëren wat moet worden verstaan onder een „wijziging van omstandigheden”, zoals bedoeld in artikel 11, lid 9, van de basisverordening.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Internationaal recht
4.
De Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel van 1994 ( 6 ), neergelegd in bijlage 1A bij de op 15 april 1994 te Marrakesh ondertekende Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten ( 7 ).
5.
Aangezien de basisverordening, zoals blijkt uit punt 5 van haar considerans, met name tot doel heeft om, in de mate waarin dat mogelijk is, de nieuwe en gedetailleerde regels uit de antidumpingcode van 1994 ( 8 ) om te zetten in Unierecht zijn de bepalingen van die laatste relevant voor de beslissing van het geschil in het hoofdgeding en zullen, voor zover nodig, in de loop van deze uiteenzetting worden geciteerd.
B – Recht van de Unie
1. Basisverordening
6.
Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding was de basisverordening van toepassing. ( 9 ) De belangrijkste relevante bepalingen daarvan zijn de artikelen 2, leden 8 en 9, en 11, leden 3 en 9.
7.
De leden 8 en 9 van artikel 2 van de basisverordening bepaalden:
„8. De uitvoerprijs is de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap wordt verkocht.
9. Wanneer geen uitvoerprijs voorhanden is of deze onbetrouwbaar blijkt wegens het bestaan van een associatie of een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, mag de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde producten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of, indien de producten niet aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of niet worden doorverkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, op elke redelijke grondslag.
[...]”
8.
Artikel 11, lid 9, van de basisverordening bepaalde:
„Bij alle overeenkomstig dit artikel uitgevoerde nieuwe onderzoeken of met het oog op de terugbetaling van rechten ingestelde onderzoeken gaat de Commissie, voor zover de omstandigheden niet zijn gewijzigd, op dezelfde wijze te werk als bij het onderzoek dat tot instelling van het recht heeft geleid, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2, in het bijzonder de leden 11 en 12 daarvan, en artikel 17.”
9.
De overige relevante bepalingen van de basisverordening zullen, indien nodig, worden geciteerd in de loop van de verdere uiteenzetting.
2. De oorspronkelijke antidumpingverordening en het besluit tot aanvaarding van de prijsverbintenissen
10.
Op 2 augustus 2001 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 1601/2001 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit de Republiek Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije vastgesteld. ( 10 ) Krachtens artikel 1, lid 2, van die verordening werd op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit Rusland een antidumpingrecht van 50,7 % toegepast.
11.
Punt 87 van de considerans van verordening nr. 1601/2001 vermeldt dat bij gebreke van nieuwe gegevens over de uitvoerprijs de voorlopige conclusies die zijn uiteengezet in punt 107 van de considerans van de voorlopige verordening ( 11 ) worden bevestigd. Deze laatste preciseerde dat voor de producent-exporteur die zijn medewerking had verleend de uitvoerprijs werd vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.
12.
Op 26 juli 2001 heeft de Commissie besluit 2001/602/EG tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure ten aanzien van de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit Tsjechië, de Republiek Korea, Maleisië, Rusland, Thailand en Turkije en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van de invoer uit de Republiek Korea en Maleisië vastgesteld. ( 12 ) Artikel 1 van dit besluit preciseert dat de prijsverbintenissen aangeboden door met name de naamloze vennootschap Cherepovetsky Staleprokatny Zavod OAO ( 13 ) worden aanvaard.
3. De verordening tot het instellen van een nieuw onderzoek van de oorspronkelijke antidumpingrechten en het besluit tot intrekking van het besluit tot aanvaarding van prijsverbintenissen
13.
In 2004 vroeg ChSPZ een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek aan op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening. ( 14 )
14.
Op 10 augustus 2004 opende de Commissie het gevraagde nieuwe onderzoek. ( 15 )
15.
ChSPZ werd op 1 januari 2006 Closed Joint Stock Company Severstal-Metiz ( 16 ), statutair gevestigd te Cherepovets (Rusland), na haar fusie met Open Joint Stock Company Orlovsky Staleprokatny Zavod en SSM. ( 17 )
16.
Op 3 augustus 2006 opende de Commissie tevens een nieuw onderzoek wegens het aanstaande vervallen van de bij verordening nr. 1601/2001 ingestelde maatregelen. ( 18 )
17.
Op 30 oktober 2007 stelde de Raad verordening nr. 1279/2007 vast, waarbij zowel het nieuwe onderzoek in verband met het aanstaande vervallen van de maatregelen als het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek, dat was aangevraagd door met name SSM, werden gesloten. Krachtens artikel 1, lid 2, van deze verordening wordt de invoer in de Unie van bepaalde soorten door SSM geproduceerde ijzeren of stalen kabels onderworpen aan een definitief antidumpingrecht van 9,7 %. Genoemde verordening preciseert tevens dat de prijsverbintenissen die door met name SSM waren aangeboden na de mededeling van definitieve bevindingen, niet aanvaardbaar waren in de zin van artikel 8, lid 2 van de basisverordening. ( 19 )
18.
De belangrijkste overwegingen van verordening nr. 1279/2007 die relevant zijn voor de beslissing van het hoofdgeding en betrekking hebben op de vaststelling van de uitvoerprijzen van SSM zullen, voor zover nodig, in het vervolg van deze uiteenzetting worden aangehaald.
19.
Bij besluit van diezelfde dag heeft de Commissie haar besluit 2001/602 tot aanvaarding van de prijsverbintenissen van SSM ingetrokken. ( 20 )
C – Bulgaars recht
20.
Artikel 214 van de douanewet (Zakon na Mitnitsite; hierna: „ZM”), die de teruggave van douanerechten regelt, bepaalt:
„1) De teruggave van douanerechten bestaat in de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van het bedrag van de bij invoer of uitvoer betaalde douanerechten.
2) Er wordt tot teruggave overgegaan wanneer is vastgesteld dat er op het moment van de betaling van de rechten geen enkele douaneschuld bestond of wanneer de grond voor de betaling is vervallen.”
II – Feiten van het hoofdgeding
21.
„Valimar” OOD ( 21 ) is een Bulgaarse vennootschap die hoofdzakelijk stalen snoeren, kabels en aanverwante stalen producten, waaronder die van SSM, invoert en verhandelt.
22.
Valimar heeft bij de invoer in Bulgarije (op een onbekende datum) van door SSM uit Rusland uitgevoerde roestvrijstalen kabels, welke invoer viel onder de regeling betreffende het in het vrije verkeer brengen van goederen met een bijzondere bestemming, met toepassing van verordening nr. 1279/2007 een definitief antidumpingrecht moeten betalen van 9,7 %, voor een totaalbedrag van 2117,01 Bulgaarse lev (BGN).
23.
Op 25 januari 2011 verzocht Valimar de Teritorialno Mitnichesko upravlenie Varna (de douaneadministratie te Varna) vast te stellen dat de antidumpingrechten onverschuldigd waren betaald in de zin van artikel 214 van de ZM en artikel 236 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek ( 22 ). Zij beriep zich op ongeldigheid van verordening nr. 1279/2007 en eiste dat de antidumpingrechten die zij had voldaan aan haar zouden worden terugbetaald.
24.
Bij beschikking van 24 februari 2011 verklaarde de Nachalnik na Mitnitsa Varna (hoofd van het douanekantoor te Varna) het verzoek ongegrond, hetgeen door de directeur van de douanedienst werd bevestigd bij beschikking van 12 april 2011.
25.
De Administrativen sad Varna (bestuursrechtbank te Varna) wees het door Valimar tegen de beschikking van 24 februari 2011 ingestelde beroep af bij vonnis van 8 november 2011.
26.
Valimar heeft daartegen beroep in cassatie ingesteld bij de Varhoven administrativen sad (hoogste Bulgaarse bestuursrechter), stellende onder meer dat verordening nr. 1279/2007 ongeldig zou zijn wegens strijd met in het bijzonder artikel 11, lid 9, juncto artikel 2, lid 8, van de basisverordening. De Raad zou bij de vaststelling van de uitvoerprijzen van SSM een andere methode hebben toegepast dan in verordening nr. 1601/2001, waarin het oorspronkelijke antidumpingrecht was vastgesteld, zonder dat dit verschil zou zijn gerechtvaardigd door een verandering van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening.
III – Prejudiciële vragen en procesverloop
27.
Onder deze omstandigheden heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Moet artikel 11, leden 9 en 10, juncto artikel 2, leden 8 en 9, van de [basis]verordening aldus worden uitgelegd dat bij gebreke van bewijs van gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, deze bepalingen wat de vaststelling van de uitvoerprijs betreft voorrang hebben boven alle bevoegdheden van de instellingen op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, met inbegrip van, zoals in het geval van verordening [...] nr. 1279/2007 [...], de impliciete bevoegdheid van de instellingen om de betrouwbaarheid van de te verwachten uitvoerprijzen van [SSM] te beoordelen door vergelijking met de minimumprijzen volgens de prijsverbintenis en de prijzen bij uitvoer naar derde landen? Maakt het voor de beantwoording van deze vraag verschil indien, zoals in het geval van [SSM] en verordening [...] nr. 1279/2007 [...], de instellingen bij de uitoefening van hun bevoegdheden inzake de beoordeling of de gewijzigde omstandigheden voor het bestaan van dumping van blijvende aard zijn overeenkomstig [dat] artikel 11, lid 3, van de basisverordening, besluiten om de antidumpingmaatregel te wijzigen (het antidumpingrecht te verlagen)?
2)
Volgt uit het antwoord op de eerste vraag dat, onder de omstandigheden die in het gedeelte van verordening [...] nr. 1279/2007 [...] betreffende de vaststelling van de uitvoerprijs van [SSM] zijn beschreven, en gelet op het feit dat in deze verordening een wijziging [van omstandigheden] in de zin van artikel 11, lid 9, [van de basisverordening] die de toepassing van een nieuwe methode zou rechtvaardigen niet uitdrukkelijk wordt bewezen, de Commissie de bij het oorspronkelijke onderzoek toegepaste methode ter vaststelling van de uitvoerprijs had moeten toepassen, in casu overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening?
3)
Gelet op de antwoorden op de eerste en de tweede vraag: is het gedeelte van verordening nr. 1279/2007 [...] betreffende de vaststelling en de oplegging van individuele antidumpingmaatregelen in verband met de invoer van door [SSM] geproduceerde snoeren en kabels uit staal vastgesteld in strijd met artikel 11, leden 9 en 10, juncto artikel 2, lid 8, van de basisverordening, respectievelijk op basis van een ongeldige rechtsgrondslag, zodat bedoeld gedeelte als ongeldig is te beschouwen?”
28.
Verweerder in het hoofdgeding, de Bulgaarse regering, de Raad en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen gemaakt. Valimar, verweerder in het hoofdgeding, de Bulgaarse regering, de Raad en de Commissie zijn tevens in hun mondelinge opmerkingen gehoord ter terechtzitting van 13 november 2013.
IV – Ontvankelijkheid van het prejudiciële verzoek
29.
Verweerder in het hoofdgeding en de Bulgaarse regering voeren aan dat het prejudiciële verzoek niet-ontvankelijk is, gelet op het arrest TWD Textilwerke Deggendorf ( 23 ). Valimar werd immers, als alleenimporteur van SSM, door verordening nr. 1279/2007 rechtstreeks en individueel geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG, zodat zij de geldigheid daarvan rechtstreeks met het in deze bepaling geregelde beroep tot nietigverklaring had moeten betwisten binnen de in artikel 230, vijfde alinea, EG, genoemde termijn. De verwijzende rechter heeft zich echter in tegenovergestelde zin uitgesproken, in het bijzonder benadrukkend dat Valimar een onafhankelijke, niet aan SSM gelieerde importeur is en niet heeft deelgenomen aan de procedure tot vaststelling van de genoemde verordening. Noch de Raad, noch de Commissie heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
30.
Ter terechtzitting heeft Valimar enerzijds aangegeven dat zij weliswaar producten van onder andere SSM in Bulgarije importeerde, maar dat zij daarentegen niet mocht worden beschouwd als haar vertegenwoordigster. Ook kan niet worden gesteld dat zij met dat bedrijf een alleenverkoopovereenkomst heeft gesloten. Anderzijds voerde zij aan dat de Republiek Bulgarije ten tijde van het instellen van het nieuwe onderzoek ( 24 ) nog geen lid was van de Unie ( 25 ) en dat zij toen nog niet de bedoelde producten importeerde, zodat zij ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1279/2007 niet de hoedanigheid bezat om daartegen op te komen.
31.
Uit het arrest TWD Textilwerke Deggendorf vloeit voort dat een natuurlijke of rechtspersoon die voor een nationale rechter bij wege van exceptie de onwettigheid van een handeling van de Unie aanvoert, het recht daartoe heeft verwerkt wanneer hij de handeling krachtens artikel 263 VWEU met een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring had kunnen aanvechten en hij heeft verzuimd om dat binnen de in die bepaling gestelde termijn te doen. Een prejudicieel verzoek om toetsing van de geldigheid in een dergelijke context moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard.
32.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter ook dat deze „exceptie van samenlopende rechtsmiddelen” alleen kan worden tegengeworpen aan een natuurlijke of rechtspersoon ( 26 ) indien ofwel het „evident” ( 27 ) is dat die persoon ontvankelijk zou zijn geweest in zijn rechtstreekse beroep tot nietigverklaring, ofwel voor zover is komen vast te staan dat hij „zonder enige twijfel” een dergelijk beroep tot nietigverklaring ( 28 ) had kunnen instellen, ofwel dat hij onbetwistbaar of ontegenzeglijk ( 29 ) het recht bezat om een dergelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen en daarover was geïnformeerd ( 30 ).
33.
Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat een importonderneming die is geassocieerd met een onderneming die aan een antidumpingrecht is onderworpen en waarvan de wederverkoopprijzen ten grondslag liggen aan de berekening van de uitvoerprijs die wordt gehanteerd in de verordening waarin dit recht is opgelegd, moet worden beschouwd als rechtstreeks en individueel geraakt door die laatste. Een dergelijke onderneming beschikt „zonder enige twijfel” over het recht om rechtstreeks beroep in te stellen bij de Unierechter. ( 31 )
34.
Valimar is echter, zoals blijkt uit haar mondelinge opmerkingen en uit de toelichting van de verwijzende rechter, niet geassocieerd met SSM en haar wederverkoopprijzen waren niet gebruikt voor de vaststelling van de uitvoerprijzen van SSM, zodat niet kan worden geoordeeld dat zij zich in een vergelijkbare situatie bevond als de onderneming die betrokken was bij de zaak die aanleiding was tot het arrest Nachi Europe.
35.
Omdat niet kan worden aangenomen dat Valimar zonder enige twijfel ontvankelijk zou zijn geweest in een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 1279/2007, kan het prejudiciële verzoek niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Daar kan in dit verband aan worden toegevoegd dat, voor zover Valimar door verordening nr. 1279/2007 is geraakt ten gevolge van nationale maatregelen tot uitvoering van deze verordening, zij zich niet had kunnen beroepen op artikel 263, vierde alinea, VWEU, aangenomen dat die bepaling van toepassing zou zijn, krachtens hetwelk natuurlijke en rechtspersonen beroep kunnen instellen tegen regelgevingsbesluiten waar ze rechtstreeks door worden geraakt en die geen uitvoeringsmaatregelen bevatten. ( 32 )
V – Inleidende opmerkingen over het hoofdgeding en de formulering van de prejudiciële vragen
36.
In het kader van zijn prejudiciële verzoek stelt de verwijzende rechter het Hof twee uitleggingsvragen, voornamelijk over de leden 3 en 9 van artikel 11 van de basisverordening, en een vraag over de geldigheid van verordening nr. 1279/2007, welke vragen nauw met elkaar verbonden en niet zonder een zekere complexiteit zijn. Omdat die complexiteit voortvloeit uit het duale karakter van verordening nr. 1279/2007 lijkt het gepast om, alvorens over te gaan tot bespreking van die vragen, die verordening in haar juridische context te plaatsen.
A – De belangrijkste bepalingen van de basisverordening met betrekking tot nieuw onderzoek van antidumpingmaatregelen
37.
Artikel 11 van de basisverordening, dat is gewijd aan de geldingsduur van antidumpingmaatregelen en met name aan nieuw onderzoek daarvan, verduidelijkt in het eerste lid dat een antidumpingmaatregel slechts in werking blijft zolang en voor zover dat nodig is om de schadeveroorzakende dumping tegen te gaan. Het tweede lid bepaalt dat een antidumpingmaatregel in beginsel vijf jaar na zijn instelling vervalt, maar dat een maatregel die zijn vervaldatum bereikt het onderwerp kan vormen van een nieuw onderzoek op initiatief van de Commissie, dan wel op verzoek van of namens producenten van de Unie. Dit nieuwe onderzoek kan zowel leiden tot handhaving van de maatregel als tot intrekking daarvan.
38.
Artikel 11, lid 3, eerste alinea, van de basisverordening voorziet onder meer in de mogelijkheid dat een antidumpingmaatregel zo nodig ook, al voor zijn vervaldatum onderwerp kan zijn van een nieuw onderzoek, op verzoek van de Commissie of een lidstaat dan wel van een exporteur, een importeur of de producenten van de Unie, mits er sedert de instelling van de definitieve maatregel een termijn van minimaal één jaar is verstreken en het verzoek is gestaafd met voldoende bewijs voor de noodzaak van een tussentijds nieuw onderzoek.
39.
Volgens artikel 11, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening kan het tussentijdse nieuwe onderzoek van een definitieve antidumpingmaatregel alleen plaatsvinden wanneer het verzoek daartoe voldoende bewijs bevat dat „handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om een einde te maken aan de dumping” en/of dat „het onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregel wordt ingetrokken of gewijzigd”, dan wel dat „de bestaande maatregel niet of niet langer toereikend is om de dumping en de daaruit voortvloeiende schade tegen te gaan”.
40.
Artikel 11, lid 3, derde alinea, van de basisverordening preciseert dat de Commissie tijdens het tussentijdse nieuwe onderzoek met name kan nagaan of „de omstandigheden met betrekking tot dumping en schade ingrijpend zijn gewijzigd” ( 33 ), of „dat met de bestaande maatregelen het beoogde resultaat, namelijk het wegnemen van de schade wordt bereikt”, rekening houdende met al het relevante bewijsmateriaal. ( 34 )
41.
Artikel 11, lid 9, van de basisverordening behelst ten slotte de algemene regel volgens welke de Commissie in alle nieuwe onderzoeken dezelfde methode moet hanteren „voor zover de omstandigheden niet zijn gewijzigd”, als de methode die is gebruikt bij het oorspronkelijke onderzoek, in het bijzonder rekening houdende met het bepaalde in artikel 2 van die verordening.
B – De complexiteit van verordening nr. 1279/2007
42.
Verordening nr. 1279/2007 vormt, zoals blijkt uit het hierboven uiteengezette juridische kader, zowel een „verordening tot instelling van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek” van het door verordening nr. 1601/2001 aan SSM opgelegde antidumpingrecht, welk onderzoek door die laatste was aangevraagd ( 35 ), als een „verordening tot instelling van een nieuw onderzoek wegens het vervallen van definitieve maatregelen” die eveneens bij verordening nr. 1601/2001 waren ingesteld, op verzoek van het Liaison Committee of EU Wire Rope Industries ( 36 ).
43.
Verordening nr. 1279/2007 is derhalve vastgesteld op basis van respectievelijk artikel 11, lid 3, van de basisverordening wat betreft het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek, en artikel 11, lid 2, van de basisverordening wat betreft het nieuwe onderzoek wegens het vervallen van maatregelen. ( 37 )
44.
Deze complexiteit van verordening nr. 1279/2007 verklaart op haar beurt de complexiteit van de vragen van de verwijzende rechter.
45.
In dit verband moet allereerst worden benadrukt dat, in tegenstelling tot nieuwe onderzoeken naar aanleiding van het vervallen van maatregelen, die alleen de intrekking van het vastgestelde recht of de handhaving daarvan op hetzelfde niveau toestaan, tussentijdse nieuwe onderzoeken aanpassingen van die rechten met zich kunnen brengen. ( 38 ) Dit verschil tussen de twee procedures verklaart voor een deel, zoals wij zullen zien, de betekenis en de reikwijdte van de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter.
46.
De instellingen hebben overigens op basis van dezelfde beschikbare gegevens en hun analyse daarvan geoordeeld over de uitkomst van zowel het gedeeltelijke tussentijdse onderzoek als het nieuwe onderzoek wegens het vervallen van de in verordening nr. 1601/2001 vastgestelde maatregelen, ondanks het feit dat de door de beide onderzoeken beslagen periodes niet samenvallen.
47.
In punt 41 van de considerans van verordening nr. 1279/2007 wordt in dit verband uiteengezet dat de instellingen „ter wille van de samenhang” eerst hebben onderzocht of er in de door het nieuwe onderzoek bestreken periodes sprake was van dumping en of het waarschijnlijk was dat het vervallen van de maatregelen tot voortzetting van die dumping zou leiden. Zij hebben vervolgens land voor land „de mogelijke gevolgen van de tussentijdse nieuwe onderzoeken voor de bevindingen van de oorspronkelijke verordening” onderzocht.
C – Mijn benadering van het in onderhavige zaak aan de orde gestelde probleem
48.
De voorafgaande uitleg is onontbeerlijk voor het begrip van de betekenis en de reikwijdte van de door de verwijzende rechter in zijn prejudiciële verzoek geformuleerde vragen, waarvan er enkele niet zonder een zekere complexiteit zijn.
49.
De eerste vraag behelst twee delen. De verwijzende rechter vraagt zich allereerst af of de bepalingen van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, in het bijzonder die met betrekking tot de betrouwbaarheid en uitvoerbaarheid van de uitvoerprijzen, van toepassing zijn, uitgaande van de veronderstelling dat het bestaan van een wijziging van omstandigheden waardoor een wijziging van de methode van vaststelling van de uitvoerprijs in de zin van artikel 11, lid 9, van genoemde verordening zou zijn gerechtvaardigd, niet is bewezen. In het tweede deel vraagt de rechter of het voor de beantwoording van de voorgaande vraag van belang is dat de instellingen de antidumpingrechten van SSM hebben aangepast, meer in het bijzonder, hebben verlaagd.
50.
De tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter is in veel eenvoudiger bewoordingen gesteld. Hij vraagt zich af of de instellingen, nu verordening nr. 1279/2007 niet uitdrukkelijk een verandering in omstandigheden vaststelt die een wijziging in de methode van vaststelling van de uitvoerprijs van SSM rechtvaardigt in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, dezelfde methode hadden moeten gebruiken als bij het oorspronkelijke onderzoek.
51.
De derde vraag is nog eenvoudiger omdat zij betrekking heeft op de consequenties die moeten worden getrokken uit het antwoord op de eerste twee vragen. De verwijzende rechter vraagt zich af of verordening nr. 1279/2007, voor zover die de methode van vaststelling van de uitvoerprijzen van SSM heeft gewijzigd zonder een verandering van omstandigheden te hebben geconstateerd, gedeeltelijk nietig moet worden verklaard als zijnde gebaseerd op een ongeldige rechtsgrondslag.
52.
Ik zal mijn beantwoording van de prejudiciële vragen als volgt structureren. Het eerste deel van de eerste vraag zoals het is geformuleerd, zal ik heel direct ontkennend beantwoorden, omdat de vraag of de regel van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, volgens welke een wijziging van de methode van vaststelling van de uitvoerprijzen slechts kan plaatsvinden in geval van een wijziging van omstandigheden, is nageleefd, niet „voorafgaat” aan de vraag of er sprake is geweest van een wijziging van omstandigheden die de intrekking of aanpassing van de antidumpingmaatregel in de zin van artikel 11, lid 3, van genoemde verordening rechtvaardigt. In tegenstelling tot wat de verwijzende rechter in zijn eerste vraag lijkt te suggereren is het bestaan van een wijziging van omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11, lid 9, van de basisverordening geen voorwaarde voor de toepassing van artikel 11, lid 3, van die verordening. Daarentegen moet de vraag van een eventuele toepassing van artikel 11, lid 9, van de basisverordening wel in het kader van de toepassing van artikel 11, lid 3, van diezelfde verordening worden beantwoord.
53.
Het eerste deel van de eerste vraag zoals dit is geformuleerd, vraagt dus om een ontkennend antwoord. De constatering dat de omstandigheden niet gewijzigd zijn in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening mag er niet toe leiden dat de instellingen aan de voorschriften van artikel 11, lid 3, van die verordening voorbijgaan. Dat gezegd hebbende lijkt dit antwoord mij, om de redenen die ik hierna uiteen zal zetten, niet afdoende.
54.
Teneinde de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te kunnen geven, lijkt het mij namelijk noodzakelijk eerst te onderzoeken of verordening nr. 1279/2007 gelijk heeft met haar conclusie dat, aangezien de omstandigheden niet ingrijpend zijn gewijzigd in de zin van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, er geen reden is om de antidumpingmaatregelen in te trekken. Er kan worden tegengeworpen dat de verwijzende rechter niet de vorm waarin verordening nr. 1279/2007 de toekomstanalyse van de betrouwbaarheid van de uitvoerprijzen van SSM heeft uitgevoerd ter discussie heeft gesteld, maar alleen de wijziging van de methode waarmee die rechten werden berekend. Het lijkt mij echter onontbeerlijk om rekening te houden met de wijze waarop verordening nr. 1279/2007 de betrouwbaarheid van de uitvoerprijzen van SSM heeft geanalyseerd, teneinde op een correcte wijze de manier waarop de verordening de vraag over de methode van vaststelling van de uitvoerprijzen heeft aangesneden te evalueren.
55.
Pas daarna zal ik op basis van de bevindingen waartoe ik met betrekking tot de zojuist geschetste vraag ben gekomen, de kern van de door de verwijzende rechter opgeworpen problematiek onderzoeken, namelijk of de wijziging van de methode van vaststelling van de uitvoerprijzen al dan niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig het in artikel 11, lid 9, van de basisverordening bepaalde. Ten slotte zal ik in dit kader onderzoeken of er rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat verordening nr. 1279/2007 de aan SSM opgelegde maatregel heeft verlaagd en of het van belang is dat die verordening niet uitdrukkelijk een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening heeft geconstateerd. Het antwoord op de derde vraag van de verwijzende rechter zal meteen duidelijk worden uit het antwoord op de eerste twee vragen.
56.
Ten slotte moet bij dit onderzoek rekening worden gehouden met de vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke de instellingen van de Unie in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek en in het bijzonder op het gebied van de handelspolitieke beschermingsmaatregelen over een ruime beoordelingsvrijheid dienen te beschikken gezien de complexiteit van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten beoordelen ( 39 ), zodat de Unierechter zijn rechterlijke toetsing moet beperken tot de vraag of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel misbruik van bevoegdheid ( 40 ).
VI – Het bestaan van een ingrijpende wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 3, van de basisverordening
57.
Een exporterende onderneming die getroffen wordt door een antidumpingmaatregel en die verzoekt om de intrekking daarvan moet bewijzen dat de omstandigheden met betrekking tot de dumping en de schade ingrijpend zijn gewijzigd.
58.
Het toezicht dat de Commissie hierop moet uitvoeren kan niet alleen aanleiding geven tot een „retrospectieve analyse” van het verloop van de situatie, te rekenen vanaf het moment van instelling van de definitieve maatregel, teneinde te kunnen oordelen over de noodzaak tot handhaving of wijziging van die maatregel om de dumping die aan de schade ten grondslag ligt te neutraliseren, maar ook tot een „prospectieve analyse” van de te verwachten ontwikkeling van de situatie vanaf het moment van instelling van de maatregel tot nieuw onderzoek, teneinde de te verwachten invloed van een intrekking of aanpassing van de definitieve maatregel te evalueren. ( 41 )
59.
De instellingen hebben in het onderhavige geval gemeend voor de beoordeling van de opportuniteit van het door SSM gevraagde nieuwe onderzoek, gelet op de prijsverbintenissen die zij was aangegaan, te moeten overgaan tot een diepgaande analyse van de betrouwbaarheid en de uitvoerbaarheid van haar uitvoerprijzen. Zo hebben zij de uitvoerprijzen van SSM zowel onderzocht in het kader van een mogelijke voortzetting en/of terugkeer van de dumping ( 42 ) als in het kader van een blijvende verandering van omstandigheden ( 43 ).
60.
Zij waren van mening dat de door SSM gedurende de periode van het tussentijdse nieuwe onderzoek gehanteerde prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap ( 44 ) ten gevolge van de door haar aangegane prijsverbintenissen kunstmatig en dus niet betrouwbaar waren ( 45 ), dat ze derhalve niet konden dienen ter vaststelling van de dumpingmarge, en dat ze derhalve moesten worden samengesteld rekening houdend met haar prijzen bij uitvoer naar derde landen.
61.
Hier moet worden gepreciseerd dat er in dit verband rekening is gehouden met zowel het eerdere gedrag (retrospectieve analyse) als het te verwachten toekomstige gedrag (prospectieve analyse) van SSM. ( 46 )
62.
Deze conclusie steunt immers enerzijds, wat het verleden betreft, op de vaststelling dat de door SSM gehanteerde prijzen bij uitvoer naar de toenmalige vijftien lidstaten van de Gemeenschap door de prijsverbintenissen gedwongen „lager” waren dan die welke werden gehanteerd in de tien lidstaten die zich tijdens het tussentijdse nieuwe onderzoek bij de Unie aansloten ( 47 ) en „aanzienlijk lager” of „gemiddeld veel lager” dan die welke werden toegepast in derde landen ( 48 ), waar de uitgevoerde hoeveelheden overigens veel groter waren ( 49 ). Uit het onderzoek kon ook de conclusie worden getrokken dat „het betrokken product tegen dumpingprijzen aan niet-EU-landen werd verkocht”. ( 50 )
63.
Anderzijds steunt de conclusie van de instellingen, wat de toekomst betreft, op de prospectieve beoordeling van het uitvoergedrag van SSM ( 51 ), in het bijzonder en in hoofdzaak op de mate van waarschijnlijkheid dat SSM na beëindiging van de prijsverbintenis ( 52 ) en rekening houdend met haar productiecapaciteit, haar producten in grote hoeveelheden en tegen dumpingprijzen zou verkopen op de markt van de Unie ( 53 ).
64.
Uit de voorgaande uiteenzetting volgt dat de instellingen tot de conclusie zijn gekomen dat de aan SSM opgelegde antidumpingmaatregelen, nu die laatste de duurzaamheid van een „wijziging van omstandigheden” met betrekking tot haar uitvoerprijzen in de strikte zin van artikel 11, lid 3, van de basisverordening niet had aangetoond ( 54 ), niet moesten worden ingetrokken, hetgeen zij baseerden op de constatering dat het bestaan van de prijsverbintenissen die SSM was aangegaan een „wijziging van omstandigheden” vormde in de specifieke betekenis van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, die een wijziging van de methode van vaststelling van haar uitvoerprijzen ter berekening van de dumpingmarge rechtvaardigde.
65.
Ik wijs erop dat deze analyse in haar wezenlijke onderdelen niet ter discussie is gesteld.
66.
Zo is niet aangevoerd dat de instellingen van de Unie zich, door hun oordeel over de afwezigheid van zowel de betrouwbaarheid als de bruikbaarheid van de door SSM gehanteerde prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap te baseren op deze, niet ter discussie gestelde, feiten schuldig zouden hebben gemaakt aan een kennelijke beoordelingsfout.
67.
Tevens is onbetwist gebleven dat de instellingen voor hun onderzoek naar de opportuniteit van het nieuwe onderzoek waar SSM om had verzocht, op basis van de hun ter beschikking staande gegevens een prospectieve analyse konden of moesten verrichten naar het te verwachten gedrag van SSM, om de waarschijnlijkheid van voortzetting of hernieuwd optreden van de schade en de duurzaamheid van de aangevoerde wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 3, tweede alinea, van de basisverordening te kunnen inschatten.
68.
Er zijn derhalve, onder voorbehoud van strikte controle van de naleving van de in de basisverordening neergelegde procedureregels, hetgeen in het hiernavolgende wordt onderzocht, geen aanwijzingen om aan te nemen dat de instellingen in de feitelijke en procedurele omstandigheden van het onderhavige geval en gezien de ruime bevoegdheden waarover zij beschikken, kennelijke fouten zouden hebben begaan.
VII – Het bestaan van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, die een wijziging in de methode van vaststelling van de uitvoerprijzen rechtvaardigt
69.
De verwijzende rechter vraagt in zijn tweede prejudiciële vraag het Hof heel concreet of, het antwoord op zijn eerste vraag in aanmerking genomen, de instellingen bij gebreke van een „uitdrukkelijke vaststelling” van het bestaan van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, in het nieuwe onderzoek dezelfde methode van vaststelling van de uitvoerprijzen van SSM hadden moeten toepassen als in het oorspronkelijke onderzoek, te weten de methode bedoeld in artikel 2, lid 8, van de basisverordening. Het is in deze context dat ook rekening kan worden gehouden met het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag, waarin de verwijzende rechter zich in hoofdzaak afvraagt of hij het gegeven dat de instellingen tot een verlaging van het aan SSM opgelegde antidumpingrecht hebben besloten, in zijn afweging moet betrekken.
70.
Zoals het Hof heeft benadrukt ( 55 ), moet artikel 11, lid 9, van de basisverordening, aangezien het derogeert aan de algemene regel volgens welke de Commissie in alle nieuwe onderzoeken dezelfde methode moet hanteren als tijdens het oorspronkelijke onderzoek, in beginsel strikt worden geïnterpreteerd ( 56 ), maar dat betekent niet dat het daarin bepaalde door de instellingen mag worden toegepast op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen en het doel ervan ( 57 ).
71.
De basisverordening verschaft echter geen verdere uitleg over de bestaansgrond van de algemene regel die is neergelegd in haar artikel 11, lid 9, evenmin als een nadere precisering van wat de „methode” waaraan zij refereert precies beoogt en aanwijzingen over de exacte voorwaarden waarop ervan mag worden afgeweken, noch een verdere uitleg over de aard van de beoogde omstandigheden en de reikwijdte van de vereiste wijzigingen.
72.
Het is derhalve aan het Hof om deze bepaling uit te leggen, niet alleen rekening houdend, conform zijn eigen rechtspraak, met haar bewoordingen maar ook met haar context en de doelen die zij nastreeft ( 58 ), alsmede met de algemene opzet van de basisverordening en de door die verordening nagestreefde doelen ( 59 ). Haar ontstaansgeschiedenis kan zo nodig ook relevante gegevens voor haar uitlegging aan het licht brengen. ( 60 )
73.
Wat die ontstaansgeschiedenis betreft moet worden opgemerkt dat de in artikel 11, lid 9, van de basisverordening neergelegde regel bij verordening (EG) nr. 3283/94 ( 61 ) is opgenomen in de regeling die van toepassing is op nieuw onderzoek van antidumpingmaatregelen ( 62 ) en dat deze regel in identieke bewoordingen is terug te vinden in alle daaropvolgende verordeningen. ( 63 )
74.
De ontstaansgeschiedenis verschaft echter geen enkele aanwijzing voor de interpretatie van deze bepaling, want het oorspronkelijke voorstel van de Commissie ( 64 ) heeft geen enkele substantiële wijziging ondergaan. ( 65 ) Verder kan worden opgemerkt dat de antidumpingcode van de GATT van 1994 geen aan artikel 11, lid 9, van de basisverordening equivalente bepalingen bevat, waardoor de regel die dat artikel behelst niet kan worden beschouwd als een omzetting van een van de gedetailleerde regels van die code die in overeenstemming daarmee zou moeten worden geïnterpreteerd. ( 66 )
75.
Er mag overigens ook niet aan worden voorbijgegaan dat de Commissie bij de herziening van verordening nr. 1225/2009 ( 67 ) heeft voorgesteld om deze algemene regel af te schaffen, enerzijds met het argument dat de toepassing daarvan in de praktijk onzekerheid had gecreëerd, in het bijzonder voor wat betreft de vereiste wijziging van omstandigheden, en anderzijds met het argument dat de regel had geleid tot bestendiging van het gebruik van duidelijk verouderde methodes.
76.
Blijft het feit dat de bepalingen van artikel 11, lid 9, van de basisverordening van toepassing waren ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 1279/2007, dat zij bindend waren voor de instellingen en dat het dus aan het Hof is om ze te interpreteren en toe te passen in het kader van het onderhavige prejudiciële verzoek.
77.
Uit lezing van het gehele artikel 11 van de basisverordening en in het bijzonder de leden 1, 3 en 9 daarvan kan, in het licht van de daarin vastgelegde systematiek, worden afgeleid dat de gelijkheid van methodes enerzijds logischerwijs noodzakelijk is om vast te stellen of de dumping zoals die is geconstateerd tijdens het oorspronkelijke onderzoek, voortduurt en of de oorspronkelijk ingestelde maatregelen in hun vorm en hoogte moeten worden gehandhaafd, gewijzigd of ingetrokken. ( 68 ) Anderzijds garandeert die gelijkheid van methodes aan door antidumpingmaatregelen getroffen ondernemingen een zekere mate van voorspelbaarheid, en dus een zekere mate van rechtszekerheid in de uitvoering van de antidumpingregelgeving van de Unie.
78.
In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de instellingen in verordening nr. 1279/2007 niet dezelfde methode van vaststelling van de uitvoerprijzen van SSM hebben gebruikt als in verordening nr. 1601/2001. Van mening dat de prijzen van SSM bij uitvoer naar de Gemeenschap die waren gebruikt tijdens het oorspronkelijke onderzoek als gevolg van de door haar aangegane prijsverbintenissen noch betrouwbaar noch bruikbaar waren, hebben zij de uitvoerprijzen vastgesteld rekening houdend met haar prijzen bij uitvoer naar derde landen.
79.
Ook staat niet ter discussie dat verordening nr. 1279/2007 niet uitdrukkelijk spreekt van een „wijziging van omstandigheden” in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening die de toegepaste wijziging in de methode van vaststelling van de uitvoerprijzen van SSM rechtvaardigde. Die enkele omstandigheid kan echter niet leiden tot de constatering dat genoemde verordening onwettig is.
80.
Uit de hierboven aangehaalde punten van de considerans van verordening nr. 1279/2007 blijkt immers impliciet maar duidelijk dat het bestaan van de door SSM aangegane prijsverbintenissen werd beschouwd als de voornaamste oorzaak van deze wijziging.
81.
De vraag die nu moet worden beantwoord is dus of het juist is om de prijsverbintenissen op zichzelf als een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening te beschouwen. Het blijkt evenwel dat verordening nr. 1279/2007 zich hierover uitgebreid heeft uitgesproken ( 69 ) door gedetailleerd uit te leggen dat de prijzen van SSM bij uitvoer naar de Gemeenschap noch betrouwbaar noch bestendig waren, juist door het bestaan van de prijsverbintenissen. In andere woorden: de redenen waarom werd aangenomen dat de omstandigheden met betrekking tot de dumping niet gewijzigd waren in de zin van artikel 11, lid 3, van de basisverordening zijn dezelfde als de redenen die de noodzaak rechtvaardigden om af te wijken van de methode tot vaststelling van de uitvoerprijzen die met toepassing van artikel 11, lid 9, van die verordening oorspronkelijk was gebruikt. Simpeler gezegd was de methode die oorspronkelijk was gebruikt, in het kader van het nieuwe onderzoek niet meer betrouwbaar. In een dergelijke situatie kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de instellingen niet meer gehouden zijn aan de regel van artikel 11, lid 9, van genoemde verordening, die het gebruik van dezelfde methode voorschrijft.
82.
De tweede vraag van de verwijzende rechter moet daarom aldus worden beantwoord dat artikel 11, lid 9, van de basisverordening aldus moet worden uitgelegd dat het de Commissie in het kader van het nieuwe onderzoek van een antidumpingmaatregel niet verplicht om dezelfde methode te gebruiken voor de vaststelling van de uitvoerprijzen als is toegepast in het oorspronkelijke onderzoek, wanneer wettig is komen vast te staan dat de uitvoerprijzen die volgens deze methode zijn vastgesteld noch betrouwbaar noch bestendig waren, en dat specifiek wegens het bestaan van prijsverbintenissen.
83.
Van daaruit komt ten slotte de aanvullende vraag aan de orde over de rechtmatigheid van de door de instellingen ter vaststelling van de uitvoerprijzen van SSM specifiek gebruikte methode, welke vraag door de verwijzende rechter is opgeworpen in zijn prejudiciële verzoek, ook al heeft hij haar niet met zoveel woorden opgenomen ( 70 ), en op welke vraag artikel 11, lid 9, van de basisverordening geen expliciet antwoord geeft.
84.
De Raad heeft in zijn schriftelijke opmerkingen uiteengezet dat de instellingen in het onderhavige geval niet artikel 2, lid 9, van de basisverordening hebben toegepast, maar enkel artikel 11, lid 3, van die verordening en dat zij er, gezien de door de prijsverbintenissen gecreëerde omstandigheden, voor hebben gekozen om de prijzen van SSM voor de uitvoer naar derde landen te gebruiken. De Raad voegde daaraan toe dat artikel 11, lid 9, van de basisverordening aan de instellingen een beoordelingsmarge verleent bij de keuze van de methode van vaststelling van de uitvoerprijzen, waarbij met het bepaalde in artikel 2 van die verordening alleen „naar behoren rekening diende te worden gehouden”.
85.
In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat het inderdaad juist is dat verordening nr. 1279/2007, wat betreft SSM ( 71 ), op geen enkel moment noch expliciet noch impliciet refereert aan het bepaalde in artikel 2, lid 9, van de basisverordening.
86.
Verder is van belang dat, zoals reeds vermeld, artikel 11 van de basisverordening niet de minste aanwijzing geeft over de methode volgens welke de uitvoerprijzen in het kader van een nieuw onderzoek bij een wijziging van omstandigheden in de zin van lid 9 vastgesteld dienen te worden. ( 72 )
87.
Er kan derhalve niet worden aangenomen dat de instellingen bij de toepassing daarvan de grenzen van de ruime beoordelingsvrijheid waarover zij ter voorziening in leemten in de basisverordening beschikken kennelijk hebben overschreden.
88.
Anderzijds vormt het bepaalde in artikel 2, lid 9, van de basisverordening, dat alleen toepassing vindt bij de oorspronkelijke instelling van een antidumpingrecht en dat niet zomaar kan worden toegepast in het kader van een nieuw onderzoek, wel een referentiekader. Artikel 2, lid 9, eerste alinea, van de basisverordening bepaalt immers dat de uitvoerprijzen, voor zover aan alle gestelde voorwaarden is voldaan, mogen worden vastgesteld op basis van „elke redelijke grondslag”.
89.
Daaruit kan worden afgeleid dat de instellingen, nu zij terecht tot de vaststelling waren gekomen dat de uitvoerprijzen van SSM niet betrouwbaar waren en dat er sprake was van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, mochten afwijken van de letter van artikel 2, lid 8, van genoemde verordening en iedere gewenste methode van vaststelling van de uitvoerprijzen, mits redelijk, mochten hanteren.
90.
Er is dus niet gebleken noch aangevoerd dat het feit dat de instellingen voor het samenstellen van de uitvoerprijzen van SSM haar prijzen bij uitvoer naar derde landen hanteerden onredelijk was.
91.
Ook moet in aanmerking worden genomen dat verordening nr. 1279/2007 geenszins heeft geconcludeerd tot de noodzaak van handhaving van de oorspronkelijke aan SSM opgelegde antidumpingmaatregel, maar rekening houdend met de afwezigheid van een ingrijpende wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 3, van de basisverordening, de hoogte van het op SSM toegepaste antidumpingrecht juist definitief heeft verlaagd. Aldus moet, mede gelet op het tweede deel van de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter, worden geconstateerd dat verordening nr. 1279/2007 volledig beantwoordt aan het primaire doel van de basisverordening, te weten dat het instellen van een antidumpingrecht strikt noodzakelijk moet zijn om een einde te maken aan een schadeveroorzakende dumping.
92.
Er is derhalve niet gebleken dat de instellingen, door de uitvoerprijzen van SSM vast te stellen rekening houdend met, onder meer, haar prijzen bij uitvoer naar derde landen, een kennelijk onjuiste en onredelijke keuze zouden hebben gemaakt. ( 73 )
93.
Er moet dan ook worden geconcludeerd dat bij het onderzoek van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van verordening nr. 1279/2007 zouden kunnen aantasten.
VIII – Conclusie
94.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door de Varhoven administrativen sad gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
„1)
Artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, moet aldus worden uitgelegd dat het de Europese Commissie niet verplicht om in het kader van een nieuw onderzoek van een antidumpingmaatregel dezelfde methode tot vaststelling van de uitvoerprijzen te gebruiken als in het oorspronkelijke onderzoek, wanneer wettig is komen vast te staan dat de volgens deze methode vastgestelde uitvoerprijzen juist door het bestaan van de prijsverbintenissen noch betrouwbaar, noch bestendig waren.
2)
Bij onderzoek van de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid zouden kunnen aantasten van verordening (EG) nr. 1279/2007 van de Raad van 30 oktober 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels van oorsprong uit de Russische Federatie en tot intrekking van de antidumpingmaatregelen met betrekking tot bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels van oorsprong uit Thailand en Turkije.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 285, blz. 1, met rectificatie in PB 2009, L 96, blz. 39. Zie over deze verordening het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 17 december 2010, EWRIA e.a./Commissie (T-369/08, Jurispr. blz. II-6283).
( 3 ) PB 1996, L 56, blz. 1 (hierna: „basisverordening”).
( 4 ) Zie arrest van 19 september 2013, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad (C‑15/12 P).
( 5 ) In het arrest van 8 juli 2008, Huvis/Raad (T‑221/05, punten 38‑60), verklaarde het Gerecht een verordening waarbij een definitief antidumpingrecht was ingesteld nietig omdat de instellingen artikel 11, lid 9, van de basisverordening hadden geschonden; zij hadden niet aangetoond dat de wijziging van de methode van vergelijking van de uitvoerprijs met de normale waarde, gehanteerd tijdens het oorspronkelijke en het nieuwe onderzoek, werd gerechtvaardigd door een wijziging van omstandigheden. In het arrest van 17 november 2009, MTZ Polyfilms/Raad (T-143/06, Jurispr. blz. II-4133), verklaarde het Gerecht een verordening waarbij een nieuw onderzoek van een antidumpingmaatregel werd afgesloten nietig, omdat de instellingen daarin de uitvoerprijzen hadden vastgesteld in afwijking van de door artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening voorgeschreven methode, zonder zich te beroepen op enige wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 11, lid 9, van die verordening. Zie over deze bepaling ook de arresten van het Gerecht van 8 juli 2003, Euroalliages e.a./Commissie (T-132/01, Jurispr. blz. II-2359, punten 39‑44); 18 maart 2009, Shanghai Excell M&E Enterprise en Shanghai Adeptech Precision/Raad (T-299/05, Jurispr. blz. II-565, punten 176‑178); 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad (T-423/09, Jurispr. blz. II-8369, punten 54‑65), en 7 februari 2013, Acron/Raad (T‑118/10); tegen dit arrest is hogere voorziening ingesteld, zaak Acron/Raad (C‑216/13 P), nog aanhangig bij het Hof.
( 6 ) PB 1994, L 336, blz. 103 (hierna: „antidumpingcode van 1994”).
( 7 ) PB L 336, blz. 1.
( 8 ) Zie met name arrest van 9 januari 2003, Petrotub en Republica (C-76/00 P, Jurispr. blz. I-79, punt 56).
( 9 ) Deze verordening is sindsdien vervangen door verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22). De belangrijkste bepalingen van de basisverordening zijn in de nieuwe verordening onveranderd gebleven.
( 10 ) PB L 211, blz. 1.
( 11 ) Verordening (EG) nr. 230/2001 van de Commissie van 2 februari 2001 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Rusland, Thailand, Tsjechië, en Turkije en tot aanvaarding van verbintenissen die zijn aangeboden door bepaalde exporteurs in Tsjechië en Turkije (PB L 34, blz. 4).
( 12 ) PB L 211, blz. 47.
( 13 ) Hierna: „ChSPZ”.
( 14 ) Zie de punten 4‑7 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 15 ) Zie het bericht van inleiding van een procedure voor een tussentijdse herziening van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit Rusland (PB 2004, C 202, blz. 12).
( 16 ) Hierna: „SSM”.
( 17 ) Zie het bericht over de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Gemeenschap van bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit, onder andere, Rusland: naamswijziging van een vennootschap waarvan een verbintenis was aanvaard (PB 2006, C 51, blz. 2).
( 18 ) Bericht van inleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Rusland, Thailand en Turkije en van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van bepaalde soorten ijzeren en stalen kabels uit Turkije (PB 2006, C 181, blz. 15).
( 19 ) Zie punt 202 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 20 ) Besluit 2007/704/EG van de Commissie van 30 oktober 2007 tot intrekking van besluit 2001/602 (PB L 285, blz. 52).
( 21 ) Hierna: „Valimar”.
( 22 ) PB L 302, blz. 1.
( 23 ) Arrest van 9 maart 1994 (C-188/92, Jurispr. blz. I-833).
( 24 ) In casu op 10 augustus 2004.
( 25 ) Het verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije tot de Europese Unie, ondertekend te Luxemburg op 25 april 2005, is conform zijn artikel 4 in werking getreden op 1 januari 2007 (PB 2005, L 157, blz. 11), evenals de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2005, L 157, blz. 203).
( 26 ) Deze exceptie is niet aan de orde wanneer het verzoek om toetsing van de geldigheid niet is ingediend door een natuurlijke of rechtspersoon, maar ambtshalve door de verwijzende rechter. Zie arrest van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a. (C-222/04, Jurispr. blz. I-289, punten 72‑74).
( 27 ) Arresten van 12 december 1996, Accrington Beef e.a. (C-241/95, Jurispr. blz. I-6699, punt 15); 11 november 1997, Eurotunnel e.a. (C-408/95, Jurispr. blz. I-6315, punt 29), en 23 februari 2006, Atzeni e.a. (C-346/03 en C-529/03, Jurispr. blz. I-1875, punten 30‑34).
( 28 ) Arresten van 30 januari 1997, Wiljo (C-178/95, Jurispr. blz. I-585, punt 21); 15 februari 2001, Nachi Europe (C-239/99, Jurispr. blz. I-1197, punt 30); 20 september 2001, Banks (C-390/98, Jurispr. blz. I-6117, punt 111); 22 oktober 2002, National Farmers’ Union (C-241/01, Jurispr. blz. I-9079, punten 35 en 36); 18 juli 2007, Lucchini (C-119/05, Jurispr. blz. I-6199, punten 54‑56); 29 juni 2010, E en F (C-550/09, Jurispr. blz. I-6213, punten 46‑48); 17 februari 2011 (Bolton Alimentari, C-494/09, Jurispr. blz. I-647, punten 22 en 23); 9 juni 2011, Comitato „Venezia vuole vivere” e.a./Commissie (C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, Jurispr. blz. I-4727, punt 58), en 27 november 2012, Pringle (C‑370/12, punten 41 en 42).
( 29 ) Arrest E en F, reeds aangehaald (punt 52).
( 30 ) Arrest Eurotunnel e.a., reeds aangehaald (punt 28).
( 31 ) Arrest Nachi Europe, reeds aangehaald (punten 38‑40).
( 32 ) Zie naar analogie arrest van 19 december 2013, Telefónica/Commissie (C‑274/12 P, punten 36 en 58).
( 33 ) Hier moet voorlopig gepreciseerd worden dat de wijziging van omstandigheden waarop wordt gedoeld in artikel 11, lid 3, derde alinea, van de basisverordening niet noodzakelijkerwijs correspondeert met de wijziging van omstandigheden in artikel 11, lid 9, van die verordening.
( 34 ) Zie artikel 11, lid 3, derde alinea, van de basisverordening.
( 35 ) Zie punt 4 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 36 ) Zie punt 13 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 37 ) Verordening nr. 1279/2007 noemt de twee bepalingen van de basisverordening in haar visa.
( 38 ) Dit vloeit uitdrukkelijk voort uit artikel 11, lid 3, derde alinea, van de basisverordening die in de mogelijkheid voorziet dat een bestaande antidumpingmaatregel niet, of niet meer, afdoende is om de dumping die aan de schade ten grondslag ligt tegen te gaan. Zie in dit verband arrest van 11 februari 2010, Hoesch Metals and Alloys (C-373/08, Jurispr. blz. I-951, punten 76‑78).
( 39 ) Zie met name arresten van 4 oktober 1983, Fediol/Commissie (191/82, Jurispr. blz. 2913, punt 26), en 27 september 2007, Ikea Wholesale (C-351/04, Jurispr. blz. I-7723, punt 40).
( 40 ) Zie arrest van 7 mei 1987, NTN Toyo Bearing e.a./Raad (240/84, Jurispr. blz. 1809, punt 19), en arrest Ikea Wholesale, reeds aangehaald (punt 41).
( 41 ) Zie voor deze dubbele toetsing met name bkp Development, Research & Consulting, Evaluation of the European Union’s Trade Defence Instruments, Final Evaluation Study van 27 februari 2012, contract nr. SI2.581682, in het bijzonder blz. 402.
( 42 ) De punten 41‑102 en vooral de punten 59‑63 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 43 ) De punten 103‑134 en vooral de punten 107‑112 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 44 ) Punt 28 van de considerans van verordening nr. 1279/2007 preciseert dat deze periode zich uitstrekte van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2004.
( 45 ) Zie punt 61 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 46 ) Zie punt 61 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 47 ) Het op 16 april 2003 te Athene ondertekende verdrag van toetreding tot de Europese Unie van de tien lidstaten die dit betreft is conform zijn artikel 2, lid 2, in werking getreden op 1 mei 2004 (PB 2003, L 236, blz. 17), evenals de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB 2003, L 236, blz. 33).
( 48 ) Zie punt 63 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 49 ) Zie punt 107 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 50 ) Zie punt 110 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 51 ) Zie de laatste zin van punt 61 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 52 ) Zie punt 108 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 53 ) De instellingen komen tot diezelfde conclusie bij het onderzoek van de intrekking van de antidumpingmaatregelen. Zie punt 126 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 54 ) Zie in het bijzonder de conclusie in punt 112 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 55 ) Zie arrest van het Hof Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, reeds aangehaald (punt 17).
( 56 ) Zie in deze zin ook arrest Huvis/Raad, reeds aangehaald (punt 41).
( 57 ) Zie arrest van het Hof Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, reeds aangehaald (punt 19).
( 58 ) Zie met name arrest van 1 april 1993, Findling Wälzlager (C-136/91, Jurispr. blz. I-1793, punt 11).
( 59 ) Zie met name arrest van 16 september 2008, Isle of Wight Council e.a. (C-288/07, Jurispr. blz. I-7203, punt 25).
( 60 ) Zie arrest Pringle, reeds aangehaald (punt 135), en arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, punt 50).
( 61 ) Verordening van de Raad van 22 december 1994 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 349, blz. 1), artikel 11, lid 9.
( 62 ) De voorafgaande basisverordeningen bevatten geen equivalente bepalingen. Zie met name artikel 14 van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 209, blz. 1). Een vergelijkbare regel, gewijd aan de teruggave van ten onrechte betaalde rechten, was echter opgenomen in artikel 16 van genoemde verordening.
( 63 ) Zie, naast de basisverordening, artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51).
( 64 ) Zie mededeling van de Commissie van 5 april 1994, „Uitvoeringswetgeving in het kader van de Uruguayronde” [COM(1994) 414 def., blz. 160 e.v. en in het bijzonder blz. 212].
( 65 ) Zie voor de amendementen van het Europees Parlement de wetgevingsresolutie houdende advies van het Europees Parlement inzake het voorstel voor een verordening van de Raad inzake beschermende maatregelen tegen de invoer met dumping uit derde landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1995, C 18, blz. 66).
( 66 ) Zie over deze voorwaarde met name arrest Petrotub en Republica, reeds aangehaald (punt 56).
( 67 ) Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 10 april 2013 inzake de modernisering van handelsbeschermingsinstrumenten – Aanpassing van de handelsbeschermingsinstrumenten aan de huidige behoeften van de Europese economie [COM(2013) 191 final]. Artikel 1, lid 5, sub b, van het voorstel van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van met name verordening nr. 1225/2009 [COM(2013) 192 final] van 10 april 2013, stelt dienovereenkomstig voor artikel 11, lid 9, van de basisverordening simpelweg af te schaffen. Het wetgevingstraject met betrekking tot de vaststelling van de nieuwe verordening is nog altijd in gang.
( 68 ) Zie met name Müller, W., Khan, N., en Scharf, T., EC and WTO Anti-Dumping Law, Oxford University Press, 2009, nr. 11.41, 2e druk, in het bijzonder blz. 521,
( 69 ) Zie in het bijzonder de punten 107‑112 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 70 ) De verwijzende rechter refereert, zonder het te noemen, aan het reeds aangehaalde arrest Huvis/Raad. Overigens moet eraan worden herinnerd dat het arrest van het Hof Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad, reeds aangehaald, gewezen is nadat het onderhavige prejudiciële verzoek bij het Hof is ingediend.
( 71 ) Deze bepaling is daarentegen toegepast op andere ondernemingen. Zie de punten 49, 81 en 87 van de considerans van verordening nr. 1279/2007.
( 72 ) De antidumpingcode van 1994, die geen regel bevat die vergelijkbaar is met die van artikel 11, lid 9, van de basisverordening, zwijgt logischerwijs op dit punt.
( 73 ) Zie naar analogie arresten van 22 oktober 1991, Nölle (C-16/90, Jurispr. blz. I-5163, punten 11‑13), en 29 mei 1997, Rotexchemie (C-26/96, Jurispr. blz. I-2817, punten 9‑12).
Full & Egal Universal Law Academy