CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 21 mei 2014 ( 1 )
Zaak C‑575/12
AS Air Baltic Corporation
tegen
Valsts robežsardze
[verzoek van de administratīvā apgabaltiesa (Letland) om een prejudiciële beslissing]
„Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Grenstoezicht, asiel en immigratie — Verordening (EG) nr. 562/2006 — Artikel 5, lid 1 — Grensoverschrijding — Vereiste van geldig visum in geldig reisdocument — Verordening (EG) nr. 810/2009 — Invloed nietigverklaring reisdocument op geldigheid van daarin aangebracht visum”
1.
Kan aan een visumplichtige onderdaan van een derde land toegang worden verleend tot het grondgebied van de Europese Unie wanneer hij zich aan de buitengrens meldt met een geldig visum in een ongeldig reisdocument en een geldig reisdocument zonder visum? Dat is de inzet van de onderhavige prejudiciële verwijzing.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
1. Schengengrenscode
2.
Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) ( 2 ) heeft volgens artikel 1 tot doel „de maatregelen” vast te stellen „die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie overschrijden”.
3.
Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode somt de toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen op:
„Voor onderdanen van derde landen gelden de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:
a)
in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;
b)
indien vereist [...] in het bezit zijn van een geldig visum [...]
[...]”.
4.
Artikel 5, lid 4, sub b, van de Schengengrenscode bepaalt:
„In afwijking van lid 1:
[...]
b)
kan onderdanen van derde landen die aan de in lid 1 genoemde voorwaarden, met uitzondering van [de voorwaarde] sub b, voldoen en zich aan de grens aanbieden, toegang tot het grondgebied van de lidstaten worden verleend, indien aan de grens een visum wordt afgegeven [...]
[...]
Indien het niet mogelijk is op het document een visum aan te brengen, wordt het visum, bij wijze van uitzondering, op een apart blad aangebracht dat aan het document wordt gehecht. [...]”
5.
Artikel 7, lid 3, van de Schengengrenscode luidt:
„Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen aan een grondige controle onderworpen.
a)
De grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 5, lid 1, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs‑ en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht:
i)
of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning;
ii)
of het reisdocument eventuele tekenen van namaak of vervalsing vertoont;
iii)
aan de hand van de in‑ en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land, en met name door vergelijking van de data van in‑ en uitreis, of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten reeds heeft overschreden;
[...]”
6.
Artikel 10, lid 1, sub b, van de Schengengrenscode bepaalt dat „[d]e reisdocumenten van onderdanen van derde landen [...] bij inreis en bij uitreis systematisch [worden] afgestempeld. Er wordt met name een in-, respectievelijk uitreisstempel aangebracht in [...] de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen aan wie aan de grens een visum wordt afgegeven door een lidstaat.”
7.
Artikel 13, lid 1, van de Schengengrenscode vermeldt dat „[i]ndien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, [...] hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten [wordt] geweigerd”.
2. Visumcode
8.
Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) ( 3 ) heeft volgens artikel 1, lid 1, tot doel „de procedures en voorwaarden” vast te stellen „voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden”.
9.
Artikel 12 van de Visumcode, dat is gewijd aan het reisdocument, luidt als volgt:
„De aanvrager legt een geldig reisdocument over dat aan de volgende criteria voldoet:
a)
de geldigheid van het reisdocument verstrijkt niet eerder dan drie maanden na de voorgenomen datum van vertrek uit het grondgebied van de lidstaten of, in het geval van herhaalde bezoeken, na de voorgenomen datum van het laatste vertrek uit het grondgebied van de lidstaten. [...]
b)
het bevat ten minste twee blanco pagina’s;
c)
het is afgegeven in de voorafgaande tien jaar.”
10.
Artikel 21, lid 3, van de Visumcode preciseert: „Wanneer het consulaat controleert of de aanvrager voldoet aan de inreisvoorwaarden, gaat het na [...] of het overgelegde reisdocument niet vals, nagemaakt of vervalst is”.
11.
Artikel 34 van de Visumcode luidt als volgt:
„1. Een visum wordt nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden voldaan was [...]. Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig worden verklaard; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de nietigverklaring in kennis gesteld.
2. Een visum wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden voldaan wordt. Een visum wordt in beginsel ingetrokken door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat worden ingetrokken; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de intrekking in kennis gesteld.
[...]
5. Indien een visum wordt nietig verklaard of ingetrokken, wordt daarop het stempel ‚NIETIG VERKLAARD’ of ‚INGETROKKEN’ aangebracht [...].
6. De beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum en de gronden waarop deze is gebaseerd, wordt aan de aanvrager kenbaar gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI.
7. Visumhouders van wie het visum is nietig verklaard of ingetrokken, hebben een recht van beroep [...]”.
B – Lets recht
12.
Artikel 4, lid 1, punten 1 en 2, van de Letse immigratiewet (Imigrācijas likums) luidt als volgt:
„1. Een vreemdeling heeft het recht om het grondgebied van de Republiek Letland binnen te komen en er te verblijven als hij gelijktijdig beschikt over:
1)
een geldig reisdocument [...]
2)
een geldig visum in een geldig reisdocument [...]” ( 4 ).
13.
Artikel 21, lid 1, van de Letse immigratiewet bepaalt dat de vervoerder de plicht heeft om na te gaan of de door hem vervoerde vreemdeling over alle documenten beschikt die voor de toegang tot het grondgebied van de Republiek Letland zijn vereist. Bij schending van deze verplichting wordt een administratieve boete opgelegd.
II – Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14.
Tijdens een vlucht van Moskou (Rusland) naar Riga (Letland) op 8 oktober 2010 vervoerde de luchtvaartmaatschappij AS Air Baltic Corporation (hierna: „Air Baltic Corporation”) een Indiaas onderdaan die tijdens het bij aankomst uitgevoerde grenstoezicht een geldig Indiaas paspoort zonder Schengenvisum heeft overgelegd, alsook een nietig verklaard Indiaas paspoort met een meervoudig Schengenvisum van het type „C”, afgegeven door de Italiaanse Republiek en geldig van 25 mei 2009 tot en met 25 mei 2014. Het nietig verklaarde paspoort bevatte de vermelding: „Paspoort nietig verklaard. De geldige visa in dit paspoort zijn niet nietig verklaard”.
15.
De Letse autoriteiten, verantwoordelijk voor de controle of onderdanen van derde landen aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van de Unie voldoen, weigerden de Indiaas onderdaan de toegang omdat hij niet beschikt over een geldig visum in een geldig reisdocument.
16.
Bovendien stelden de Letse grenswachters zich op het standpunt dat de luchtvaartmaatschappij inbreuk had gemaakt op de nationale immigratiewetgeving door een reiziger naar Letland te vervoeren die niet beschikte over de vereiste documenten voor toegang tot het grondgebied van Letland. Daarom hebben zij de maatschappij bij besluit van 14 oktober 2010 een administratieve boete opgelegd ter hoogte van 2000 Letse lats (LVL).
17.
Air Baltic Corporation maakte daartegen bezwaar bij het hoofd van de nationale grenswacht, die bij besluit van 9 december 2010 de boete bekrachtigde. Air Baltic Corporation maakte de zaak daarna aanhangig bij de rechter van eerste aanleg, alwaar haar vordering op 12 augustus 2011 wordt afgewezen.
18.
Air Baltic Corporation stelde vervolgens hoger beroep in bij de administratīvā apgabaltiesa (Letland) en vorderde nietigverklaring van het besluit waarbij de administratieve boete was opgelegd.
19.
Volgens de verwijzende rechter staat het weliswaar vast dat volgens de Letse wetgeving aan de grens een geldig visum in een geldig reisdocument moet worden overgelegd, maar is het niet duidelijk of het Unierecht eveneens aan visumplichtige onderdanen van derde landen ( 5 ) voorschrijft dat zij op het moment van overschrijding van de buitengrenzen van de Unie in het bezit moeten zijn van een geldig visum in een eveneens geldig reisdocument, en ook niet of de nietigverklaring van het reisdocument waarin het visum is aangebracht de geldigheid van het daarin aangebrachte visum aantast. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af of de grenswachters zich op het standpunt konden stellen dat de Indiaas onderdaan niet beschikte over de voor het overschrijden van de grens vereiste reisdocumenten. Tot slot merkt hij op dat, zoals de partijen in het geding naar voren hebben gebracht, de autoriteiten van de lidstaten verschillend omgaan met gevallen waarin onderdanen van derde landen zich bij de buitengrenzen melden in het bezit van zowel een geldig visum in een ongeldig reisdocument als een geldig reisdocument zonder visum.
20.
Aldus geconfronteerd met een moeilijkheid bij de uitlegging van het Unierecht heeft de administratīvā apgabaltiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof, bij verwijzingsbeslissing ingekomen ter griffie van het Hof op 7 december 2012, op basis van artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet artikel 5 van de [Schengengrenscode] aldus worden uitgelegd dat het bezit van een geldig visum dat in een geldig reisdocument is aangebracht, een dwingende voorafgaande voorwaarde is voor de toegang van een onderdaan van een derde land?
2)
Leidt de nietigverklaring van een reisdocument waarin een visumsticker is aangebracht, krachtens het bepaalde in de [Visumcode] tevens tot ongeldigheid van het afgegeven visum?
3)
Zijn nationale bepalingen die het bezit van een geldig visum dat in een geldig reisdocument is aangebracht, als dwingende voorafgaande voorwaarde stellen voor de toegang van onderdanen van derde landen, verenigbaar met de bepalingen van de [Schengengrenscode] en de [Visumcode]?”
III – Procesverloop voor het Hof
21.
Air Baltic Corporation, de Letse, de Italiaanse en de Finse regering, de Zwitserse Bondsstaat ( 6 ) en de Europese Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.
22.
Ter terechtzitting van 19 maart 2014 hebben Air Baltic Corporation, de Letse en de Finse regering, en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV – Juridische analyse
23.
Als de ongeldigheid van het reisdocument waarin het visum is aangebracht tevens de geldigheid van het visum zelf zou aantasten zou de vraag of aan een derdelander toegang tot het grondgebied van de Unie kan worden verleend indien hij in het bezit is van een ongeldig reisdocument met daarin een visum alsmede een geldig reisdocument, niet aan de orde zijn.
24.
Ik moet derhalve de door de verwijzende rechter gestelde vragen enigszins aanpassen en zal beginnen met de bespreking van de tweede vraag. Daarna onderzoek ik de vraag of de Schengengrenscode voorschrijft dat het geldige visum zich op het moment van overschrijding van de buitengrens van de Unie moet bevinden in een geldig reisdocument. En ten slotte, indien het antwoord daarop ontkennend is, zal ik bezien of de lidstaten binnen het kader van de Schengengrenscode en de Visumcode bevoegd zijn om naast de daarin opgenomen toegangsvoorwaarden een aanvullende voorwaarde voor toegang op te leggen.
A – Tast het verlies van geldigheid van het reisdocument waarin het visum is aangebracht ook de geldigheid van het visum zelf aan?
25.
Om te beginnen wijs ik erop dat artikel 34 van de Visumcode bepaalt onder welke voorwaarden een visum nietig wordt verklaard of ingetrokken. Zo wordt het visum nietig verklaard wanneer blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden was voldaan ( 7 ) of ingetrokken wanneer blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden wordt voldaan ( 8 ).
26.
In beide gevallen preciseert de Visumcode dat de beslissing om het visum nietig te verklaren of in te trekken wordt genomen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven, dan wel de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat. ( 9 ) De bevoegdheid om te beslissen over de geldigheid van een visum komt dus uitsluitend toe aan de autoriteiten van de lidstaten.
27.
De nietigverklaring of intrekking wordt op het visum zelf vermeld. ( 10 ) De beslissing tot nietigverklaring of intrekking van het visum en de gronden waarop deze is gebaseerd moeten vervolgens aan de aanvrager kenbaar worden gemaakt door middel van een standaardformulier. ( 11 )
28.
Uit dit formulier blijkt dat het verlies van de geldigheid van het reisdocument dat is overgelegd op het moment van de visumaanvraag geen deel uitmaakt van de gronden die de nietigverklaring of intrekking van het visum kunnen rechtvaardigen. De enige grond die blijkens het formulier rechtstreeks het reisdocument betreft is de constatering dat het overgelegde reisdocument „vals, vervalst of nagemaakt” is.
29.
Omdat niet is betwist dat de Indiaas onderdaan van wie in het hoofdgeding sprake is op het moment van de aanvraag voldeed aan de afgiftevoorwaarden voor het visum, rijst de vraag of het verlies van geldigheid van het paspoort waarin het visum is aangebracht, had kunnen leiden tot de intrekking van dat visum.
30.
Op het moment van de visumaanvraag moet de betrokken persoon natuurlijk een geldig reisdocument overleggen. Uit een gecombineerde lezing van artikel 34 en bijlage VI van de Visumcode blijkt echter dat het verlies van geldigheid van dat document na de afgifte van het visum, mits de genoemde persoon tevens een nieuw geldig reisdocument kan overleggen, niet betekent dat niet meer aan de afgiftevoorwaarden voor het visum wordt voldaan.
31.
Benadrukt moet eveneens worden dat de Visumcode een recht van beroep garandeert voor diegenen van wie het visum nietig is verklaard of ingetrokken. Dit beroep wordt ingesteld tegen de lidstaat die de beslissing tot nietigverklaring of intrekking heeft genomen, en de genoemde personen moeten worden geïnformeerd over deze beroepsmogelijkheid. De nietigverklaring of intrekking moet ten slotte worden vermeld in het visuminformatiesysteem (VIS). ( 12 ) Dit informatie‑ en beroepsrecht zou niet kunnen worden gegarandeerd als de geldigheid van een Schengenvisum afhankelijk zou zijn van een beslissing van een derde land.
32.
De regeling van nietigverklaring en intrekking in de Visumcode lijkt dus te zijn gebaseerd op het postulaat dat het de autoriteiten van de lidstaten zijn die over nietigverklaring of intrekking beslissen. In die zin wordt een zekere formele parallellie in acht genomen, want het zijn diezelfde autoriteiten die de visa afgeven. ( 13 )
33.
Het afgegeven visum werkt immers voor alle lidstaten. Het is van belang dat de bevoegdheid om een visum af te geven of te weigeren niet wordt omzeild door beslissingen die worden genomen door autoriteiten van derde landen. Anders gezegd, het beginsel van wederzijdse erkenning moet prevaleren totdat de grenswachters van de Unie in voorkomend geval een zodanige aanzienlijke wijziging in de situatie van de betrokken derdelander constateren dat de afweging die de autoriteit van afgifte heeft gemaakt, in heroverweging moet worden genomen.
34.
Ik deel derhalve niet het door de Letse regering ter terechtzitting naar voren gebrachte standpunt dat als het paspoort waarin het visum is aangebracht ongeldig is geworden, het gehele paspoort – dat wil zeggen met inbegrip van het Schengenvisum – niet meer waard is dan een simpel stuk papier.
35.
Gezien het voorgaande moet worden geconstateerd dat de beslissing over de ongeldigheid van een Schengenvisum slechts kan worden genomen onder de in artikel 34 van de Visumcode beschreven voorwaarden en in ieder geval behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de autoriteiten van de lidstaten. Aldus kan het enkele feit dat het reisdocument waarin het Schengenvisum is aangebracht niet meer geldig is, niet de geldigheid van het visum zelf aantasten, hetgeen ook werd erkend door de autoriteiten die het betrokken paspoort hebben afgegeven toen ze op het paspoort aantekenden dat hoewel het paspoort nietig was verklaard, dat niet het geval was voor de daarin aangebrachte geldige visa.
B – Bestaat er een verplichting tot overlegging van een geldig visum in een geldig reisdocument?
36.
Nu de toegang tot het grondgebied van de Unie niet aan de Indiaas onderdaan kon worden geweigerd om de enkele reden dat het paspoort waarin het Schengenvisum was aangebracht nietig was verklaard – de enkele ongeldigheid van het paspoort heeft immers geen invloed op de geldigheid van het visum – moet nog worden vastgesteld of de Schengengrenscode het bezit van een geldig visum in een geldig reisdocument als toegangsvoorwaarde voorschrijft.
37.
Daartoe zal ik eerst aantonen dat een letterlijke uitlegging ontoereikend is vanwege taalkundige verschillen en dat derhalve gebruik moet worden gemaakt van een systematische analyse. Vervolgens ga ik na of de teleologische uitlegging de uit die systematische analyse getrokken conclusies staaft, voordat ik nog enkele slotopmerkingen formuleer.
1. Ontoereikendheid van de letterlijke uitlegging en taalkundige verschillen
38.
Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode somt de vijf cumulatieve voorwaarden op waaraan onderdanen van derde landen moeten voldoen om toegang te krijgen tot het grondgebied van de Unie. Volgens artikel 5, lid 1, sub a, moet een derdelander „in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten [...] die recht geven op grensoverschrijding”, en artikel 5, lid 1, sub b, bepaalt dat die onderdaan, indien vereist, „in het bezit [moet] zijn van een geldig visum”.
39.
Een strikt letterlijke uitlegging van dit artikel 5, lid 1, laat al zien dat er enerzijds onderscheid wordt gemaakt tussen bezit van een geldig reisdocument en bezit van een visum en dat anderzijds de wetgever niets naders heeft bepaald ten aanzien van de „fysieke” overlegging van die twee documenten.
40.
Ik ben echter, in het licht van hetgeen de Finse regering heeft aangevoerd, van mening dat artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, hoewel het niet de uitdrukkelijke verplichting bevat om op het moment van overschrijding van de buitengrenzen van de Unie een geldig visum in een geldig reisdocument over te leggen, rekening houdend met het systeem waar het deel van uitmaakt niet afzonderlijk kan worden beoordeeld. Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode moet dus zowel in samenhang met de andere bepalingen van de Schengengrenscode worden gelezen, als in samenhang met de relevante bepalingen van de Visumcode waar de Schengengrenscode nauw mee is verbonden. ( 14 )
41.
Zoals te doen gebruikelijk zal de letterlijke uitlegging dus worden aangevuld met een systematische en een teleologische analyse. Dat is des te meer noodzakelijk nu de belanghebbende partijen die in de onderhavige procedure hebben geïntervenieerd, hebben gerefereerd aan artikel 7, lid 3, sub a‑i, van de Schengengrenscode in hun discussie over de vraag of het geldige visum zich, zowel in de zin van artikel 5, lid 1, van die code als in de zin van de Visumcode, moet bevinden in een geldig reisdocument. Voor de Finse regering brengt artikel 7, lid 3, sub a‑i, van de Schengengrenscode, waarin staat dat het reisdocument „vergezeld gaat” van het geldige visum, met zich dat aan de grens alleen een geldig visum in een geldig reisdocument mag worden overgelegd.
42.
Verzoekster in het hoofdgeding merkt op dit punt op dat, hoewel de Letse versie van artikel 7, lid 3, sub a‑i, van de Schengengrenscode expliciet vermeldt dat het visum in een geldig reisdocument moet zijn aangebracht, dat in andere taalversies niet het geval zou zijn. De Deense de Engelse, de Franse en de Zweedse versies zouden slechts eisen dat het reisdocument „vergezeld gaat” van het visum, hetgeen niet noodzakelijk betekent dat het visum in het reisdocument moet zijn aangebracht.
43.
Hoewel de gestelde vraag gaat over de uitlegging van artikel 5 van de Schengengrenscode, in verband waarmee niet is aangevoerd dat er verschillen tussen de taalversies zouden bestaan, meen ik dat artikel 7 van diezelfde code een essentiële bepaling is voor het gezamenlijke toezicht aan de buitengrenzen van de Unie en dat die bepaling van nut kan zijn bij het ophelderen van de uitlegging die aan artikel 5 moet worden gegeven.
44.
Dienaangaande wil ik in herinnering roepen dat het vereiste van uniforme toepassing en uitlegging van een Uniehandeling gebiedt dat een tekst niet op zichzelf in een van zijn versies wordt beschouwd, maar wordt uitgelegd zowel naar de werkelijke bedoeling van de auteur ervan als naar het door hem nagestreefde doel, gelet op onder meer de in alle talen geredigeerde versies. ( 15 ) De in een van die taalversies van een bepaling gebruikte formulering kan niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of in zoverre voorrang hebben boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht. ( 16 )
45.
Zowel de noodzaak om de eerste conclusie te bevestigen die uit de letterlijke uitlegging van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode is getrokken, als de noodzaak om de uitleggingsmoeilijkheid te overwinnen die samenhangt met de verschillen in taalversies van artikel 7, lid 3, sub a‑i, van die code, vereisen dat de redenering wordt aangevuld door een systematische en een teleologische analyse.
2. Systematische analyse
46.
Omdat de afgifte van het visum voorafgaat aan het toezicht dat wordt uitgevoerd aan de buitengrenzen van de Unie, begin ik met de analyse van de Visumcode.
47.
De derdelander mag, kort gezegd, zijn visumaanvraag ten hoogste drie maanden voor het begin van de voorgenomen reis bij het bevoegde consulaat indienen. ( 17 ) Hij moet met name een standaard aanvraagformulier overleggen ( 18 ) en een reisdocument ( 19 ) waarvan de geldigheid niet eerder dan drie maanden na de voorgenomen datum van het laatste vertrek uit het grondgebied van de lidstaten verstrijkt ( 20 ), welk document ten minste twee blanco pagina’s bevat en in de voorafgaande tien jaar is afgegeven ( 21 ). De vakjes 12 tot en met 16 van het standaard aanvraagformulier moeten bovendien informatie bevatten over het type reisdocument dat door de aanvrager wordt overgelegd, het nummer ervan en de data van afgifte en verval ervan, alsmede de autoriteit die het heeft afgegeven.
48.
Nadat de visumaanvraag is ingevuld en ingediend bij de bevoegde autoriteit, moet deze nagaan of „de aanvrager aan de inreisvoorwaarden als omschreven in artikel 5, lid 1, sub a, c, d en e, van de Schengengrenscode voldoet” ( 22 ), en in het bijzonder of „het overgelegde reisdocument niet vals, nagemaakt of vervalst is” ( 23 ). Een meervoudig visum, zoals het visum dat aan de orde is in het hoofdgeding, heeft een geldigheidsduur tussen zes maanden en vijf jaar. ( 24 )
49.
Vervolgens wordt de visumsticker ingevuld overeenkomstig de voorwaarden van artikel 27 en bijlage VII van de Visumcode. De sticker vermeldt de periode gedurende welke de visumhouder tot verblijf gerechtigd is en, tenzij het visum is aangebracht op een afzonderlijk blad, het nummer van het reisdocument waarin de visumsticker wordt aangebracht. ( 25 ) De sticker wordt vervolgens aangebracht overeenkomstig de voorschriften van artikel 29 en bijlage VIII van de Visumcode. Dit geschiedt in beginsel „op de eerste bladzijde van het reisdocument waarop geen vermeldingen of stempels staan” ( 26 ), tenzij het visum is aangebracht op een afzonderlijk blad ( 27 ).
50.
Het moment van afgifte van het visum valt niet samen met het moment van overschrijding van de buitengrens van de Unie ( 28 ), en dat vooral omdat een meervoudig visum, zoals we gezien hebben, een geldigheidsduur tussen zes maanden en vijf jaar kan hebben. De Visumcode beperkt zich tot de eis dat de geldigheidsduur van het op het moment van de visumaanvraag overgelegde reisdocument niet eerder dan drie maanden na de voorgenomen datum van het laatste vertrek uit het grondgebied van de Unie verstrijkt. ( 29 ) Ik herhaal dat deze precisering alleen geldt voor de voorwaarden waaraan op het moment van de visumaanvraag moet worden voldaan, want de consulaire autoriteiten hebben hoe dan ook geen vat op wat er met het reisdocument gebeurt tussen het moment van indiening van de visumaanvraag en het daadwerkelijke moment van overschrijding van de Uniegrenzen.
51.
Als het visum eenmaal is afgegeven en nadat de consulaire autoriteiten met name de geldigheid van het overgelegde reisdocument hebben gecontroleerd, vormt het grenstoezicht een volgende fase. ( 30 )
52.
Wat betreft de Schengengrenscode merk ik om te beginnen op dat deze tot doel heeft „de maatregelen [...] die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten [...] overschrijden” vast te stellen. ( 31 ) Het lijkt essentieel dat die maatregelen op uniforme wijze worden toegepast, en ik deel in dit opzicht de zorgen die verzoekster in het hoofdgeding heeft geuit toen zij verslag deed van het verschil in nationale praktijken.
53.
Zoals gezegd omvatten de toegangsvoorwaarden van artikel 5 van de Schengengrenscode een verplichting om in het bezit te zijn van één of meer geldige reisdocumenten die recht geven op grensoverschrijding, alsmede een verplichting om, indien vereist, in het bezit te zijn van een geldig visum. Ik merk op dat in deze lijst van toegangsvoorwaarden geen verplichting voorkomt om het geldige reisdocument met het daarin aangebrachte geldige visum over te leggen.
54.
De derdelander wordt op het moment van grensoverschrijding onderworpen aan een grondige controle van de toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode en in dat verband wordt nauwgezet onderzocht of de betrokken derdelander in het bezit is van een reisdocument dat „geldig is [...] en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken” en tevens „vergezeld” gaat van het vereiste visum. ( 32 ) De in‑ en uitreisstempels „in het reisdocument” worden eveneens onderzocht teneinde door vergelijking van de data van in- en uitreis vast te stellen of de onderdaan de maximumduur van het toegestane verblijf in de Unie nog niet heeft overschreden.
55.
Bij de grondige controle krachtens artikel 7, lid 3, van de Schengengrenscode moeten twee fasen worden onderscheiden. Eerst wordt het enkele bezit geverifieerd – beschikt de derdelander over een geldig reisdocument en een geldig visum – waarna het echte onderzoek volgt, dat wil zeggen een diepgaande verificatie bestaande uit het zoeken naar eventuele tekenen van namaak of vervalsing, vergelijking van data van in‑ en uitreis, verificatie of de onderdaan voor de terugreis over voldoende middelen van bestaan beschikt, etc. ( 33 )
56.
De ontkoppeling van de verplichting tot overlegging van een geldig reisdocument en de verplichting tot overlegging van een geldig visum die wij al vermoedden bij lezing van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, wordt derhalve bevestigd.
57.
Zodra deze controle heeft plaatsgevonden, wordt toegang verleend of geweigerd. Bij het verlenen van toegang wordt door de autoriteiten systematisch een stempel aanbracht ( 34 ) in de door de derdelander bij de in‑ en uitreis overgelegde grensoverschrijdingsdocumenten die „voorzien” zijn van een geldig visum. ( 35 ) Het geldigheidsvereiste wordt alleen genoemd voor het visum en niet voor het reisdocument.
58.
Als daarentegen de inreis wordt geweigerd omdat de derdelander niet aan alle toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode voldoet, geschiedt dat in een met redenen omklede beslissing die wordt medegedeeld door middel van een standaardformulier. ( 36 ) Onder de weigeringsgronden op het formulier bevindt zich enerzijds de omstandigheid dat de betrokken persoon niet in het bezit is van geldige reisdocumenten ( 37 ), en anderzijds de omstandigheid dat de betrokkene niet in het bezit is van een geldig visum. ( 38 )
59.
Uit de voorgaande analyse blijkt dat de wetgever niet uitdrukkelijk de eis heeft gesteld dat het geldige visum in een geldig reisdocument moet zijn aangebracht. De twee genoemde toegangsvoorwaarden worden niet alleen los van elkaar genoemd in artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, maar dit onderscheid vloeit ook voort uit de structuur van andere bepalingen. ( 39 )
60.
Uit zowel letterlijk als systematisch oogpunt verzet zich dan ook niets tegen een uitlegging van dit artikel 5 in die zin dat een visumplichtige derdelander voor toegang tot het grondgebied van de Unie niet in het bezit hoeft te zijn van een geldig visum in een geldig reisdocument.
61.
Wel moet nog worden nagegaan of een dergelijke uitlegging de door de Visumcode en de Schengencode nagestreefde doelen niet in gevaar brengt.
3. Teleologische uitlegging
62.
De Schengengrenscode heeft een grensbewakingssysteem in het leven geroepen dat beoogt onrechtmatige grensoverschrijding te voorkomen, grensoverschrijdende criminaliteit te bestrijden, en maatregelen tegen illegaal binnengekomen personen te nemen en deze personen aan te houden. ( 40 ) Punt 6 van de considerans van de Schengengrenscode vermeldt bovendien dat het grenstoezicht „in het belang [is] van niet alleen de lidstaat aan de buitengrenzen waarvan het wordt uitgeoefend maar van alle lidstaten die het grenstoezicht aan hun binnengrenzen hebben afgeschaft” en dat het moet helpen „de illegale immigratie en mensenhandel te bestrijden en bedreigingen van de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen van de lidstaten te voorkomen”. ( 41 )
63.
De Schengengrenscode past volgens het Hof „in de ruimere context van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen, waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit [...] De bij het Schengenakkoord ingevoerde regeling berust dus op de naleving van de geharmoniseerde voorschriften inzake controles aan de buitengrenzen en, in casu, op de strikte naleving van de bij de [Schengengrenscode] vastgestelde voorwaarden voor de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de lidstaten die partij zijn bij dit akkoord. Iedere lidstaat waarvan het grondgebied tot de Schengenruimte behoort, moet er namelijk op kunnen vertrouwen dat iedere andere lidstaat van die ruimte de controles op een doeltreffende en strikte wijze verricht”. ( 42 ) Het Hof is tevens van mening dat „met de grenscontroles [wordt] beoogd, zekerheid te verkrijgen dat de personen het grondgebied van de lidstaat mogen binnenkomen dan wel verlaten, en voorts te voorkomen dat personen zich aan de grenscontroles onttrekken”. ( 43 )
64.
De vaststelling van de Visumcode maakt ook deel uit van de algemene doelstelling om geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te creëren, en de Visumcode zelf streeft het tweeledige doel na om een gelaagd systeem tot stand te brengen dat erop is gericht legaal reizen te bevorderen en illegale immigratie te bestrijden door verdere harmonisatie van de nationale wetgevingen en van de uitvoeringspraktijken voor de afgifte van visa. ( 44 ) Bij de uitlegging van de Visumcode waakt het Hof er aldus voor dat noch de doelstelling van het bevorderen van legaal reizen, noch de doelstelling van het voorkomen van ongelijke behandeling van visumaanvragers in het gedrang komt. ( 45 )
65.
De Finse regering stelt dat de realisatie van de doelstellingen van veiligheid, de vlotte doorstroming aan de grenzen, het voorkomen van bedreigingen van de openbare orde, de veiligheid of de volksgezondheid, en de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, illegale immigratie en mensenhandel, wordt vergemakkelijkt als het geldige visum is aangebracht in een eveneens geldig reisdocument.
66.
De betekenis van deze stelling moet niet overschat worden, en zij is hoe dan ook niet doorslaggevend.
67.
Bij mijn eerdere beschrijving van het door de Schengengrenscode in samenhang met de Visumcode ingevoerde systeem heb ik gewezen op het bestaan van een aantal waarborgen voor de doeltreffendheid van het grenstoezicht die het onmogelijk maken om de stelling van de Finse regering te ondersteunen. Aan de met het toezicht aan de buitengrenzen belaste autoriteiten werd in het kader van het hoofdgeding zowel het reisdocument op basis waarvan het visum was afgegeven, als het „nieuwe” reisdocument overgelegd. Daardoor waren zij in staat zich te vergewissen van de „overeenstemming” tussen het bij de visumaanvraag overgelegde document – dat daadwerkelijk was onderzocht door de bevoegde consulaire autoriteiten – en het reisdocument met het geldige visum dat werd overgelegd bij het overschrijden van de buitengrens van de Unie. De overlegging van het geldige reisdocument maakte het hen bovendien mogelijk om de identiteit van de betrokken derdelander vast te stellen en om na te gaan of aan de eerste toegangsvoorwaarde was voldaan. De gelijktijdige overlegging van de twee reisdocumenten, die elkaar chronologisch opvolgden, maakte ten slotte een afdoende controle van de in‑ en uitreisstempels mogelijk, op basis waarvan de autoriteiten verifiëren of de maximumduur van het toegestane verblijf niet is overschreden.
68.
Hoewel moet worden erkend dat een daadwerkelijk en doeltreffend toezicht aan de buitengrenzen van de Unie voor de betrokken lidstaten van essentieel belang is, en ook dat de overlegging van twee afzonderlijke reisdocumenten, het een geldig en het ander ongeldig – misschien – de taak van de met het toezicht aan de buitengrenzen belaste autoriteiten enigszins bemoeilijkt ( 46 ), is evenwel niet aangetoond dat in het onderhavige geval de veiligheidsdoelstelling van de Schengengrenscode in bijzondere mate in gevaar is of zou zijn gebracht.
69.
In dit verband merk ik op dat er een significant verschil is tussen het onderhavige geval en de terugkerende praktische moeilijkheden bij het grenstoezicht die de Finse regering ter sprake heeft gebracht, welke moeilijkheden voortkomen uit het feit dat sommige onderdanen van derde landen zich bij de grenscontroles melden met veel meer dan twee reisdocumenten, zowel geldige als ongeldige.
4. Slotopmerkingen
70.
Het verlenen van toegang aan een derdelander die tijdens het aan de buitengrenzen van de Unie uitgevoerde toezicht zowel een ongeldig reisdocument met een voor de toegang tot het grondgebied van de Unie vereist visum als een geldig reisdocument overlegt, lijkt ten slotte in lijn te liggen met de internationale standaard. Air Baltic Corporation en de Letse regering hebben zelf onweersproken aangevoerd dat punt 3.53 van bijlage 9 van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, ondertekend te Chicago op 7 december 1944, aanbeveelt om, indien de geldigheid van een reisdocument is verlopen terwijl het een geldig visum bevat, het visum als geldig te blijven beschouwen tot aan zijn vervaldatum, mits het vergezeld gaat van een geldig reisdocument.
71.
De Letse regering twijfelt er niettemin aan of deze praktijk ook in de context van de Schengengrenscode toepassing zou kunnen vinden, omdat genoemd verdrag die praktijk aanbeveelt in een context waarin het visum de derdelander slechts toegang verleent tot het grondgebied van het land dat het heeft afgegeven. Geconstateerd moet echter worden dat de Unie, hoewel zij geen partij bij genoemd verdrag is, zich die internationale standaard op zekere wijze al heeft eigen gemaakt, want aan de handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa ( 47 ) is bij uitvoeringsbesluit van de Commissie C(2011) 5501 definitief van 4 augustus 2011 een nieuwe alinea toegevoegd aan punt 4.1.1, volgens hetwelk „[e]en reiziger [...] in beginsel in het bezit [moet] zijn van een geldig visum dat is aangebracht in een geldig reisdocument. Wanneer alle blanco pagina’s van het reisdocument van de houder van het Schengenvisum echter zijn gebruikt voor het aanbrengen van visa of in‑ en uitreisstempels, mag die visumhouder reizen met het ‚volle’ maar ongeldig gemaakte reisdocument waarin het geldige visum is aangebracht, en een nieuw reisdocument”. ( 48 )
72.
Hiermee geeft de Commissie dus aan van mening te zijn dat het overleggen van twee afzonderlijke reisdocumenten, het ene ongeldig maar met een geldig visum, en het andere zonder visum, de doeltreffendheid van het toezicht aan de buitengrenzen van de Unie niet in gevaar brengt. De Letse regering preciseerde ter terechtzitting dat zij de genoemde aanbeveling heeft geïmplementeerd bij een hervorming van de nationale wetgeving.
73.
Natuurlijk heeft punt 4.1.1 van de handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa alleen het specifieke geval voor ogen waarin het document met het daarin aangebrachte visum ongeldig is wegens het niet beschikbaar zijn van blanco pagina’s, en bovendien gaat het slechts om een aanbeveling. Het is evenwel van belang dat de realisatie van alle doelstellingen van de Visumcode wordt gewaarborgd, met inbegrip van het voorkomen van visumshopping en ongelijke behandeling van visumaanvragers. ( 49 )
74.
In dit opzicht zijn de verschillen in nationale praktijken die door de verwijzende rechter, verzoekster in het hoofdgeding en de Letse regering worden benadrukt verontrustend, want daardoor zijn de buitengrenzen van de Unie min of meer doorlatend. Er bestaat dus een wezenlijk risico, waar Air Baltic Corporation op heeft gewezen, dat de vrijheid van handelen die de nationale autoriteiten hebben om toegang tot het grondgebied te verlenen of te weigeren in het geval dat er twee reisdocumenten worden overgelegd, het ene ongeldig met daarin het visum en het andere geldig maar zonder visum, een criterium wordt voor de selectie van de lidstaat via welke de derdelander het grondgebied van de Unie wil binnenkomen. Het lijkt derhalve noodzakelijk om de praktijken van de grenswachters verder te harmoniseren dan alleen in het geval dat het reisdocument geen blanco pagina’s meer bevat.
75.
Bovendien zijn de redenen die de autoriteit van het derde land van afgifte van het reisdocument heeft gehad voor het ongeldig verklaren ervan meestal niet bekend bij de autoriteiten van de lidstaten die belast zijn met het toezicht aan de buitengrenzen. Ook in het hoofdgeding blijven die redenen onbekend. Maar voor zover de ongeldigheid wordt „gecorrigeerd” door de overlegging van een reisdocument waarvan de geldigheidsduur de maximumduur van het toegestane verblijf in de Unie dekt, en nadat de noodzakelijke controles van de authenticiteit van het nieuwe document dat is overgelegd zijn uitgevoerd, is er volgens mij geen reden om het verlenen van toegang aan de derdelander die een ongeldig en een geldig reisdocument overlegt te beperken tot het enkele geval waarin de ongeldigheid voortkomt uit het ontbreken van blanco pagina’s.
76.
Nu de Commissie en de lidstaten die haar aanbeveling hebben opgevolgd, zich in dat laatste geval niet op het standpunt hebben gesteld dat de controle van de verblijfsduur wordt bemoeilijkt door de overlegging van afzonderlijke documenten, begrijp ik niet waarom dat in de onderhavige situatie wel het geval zou moeten zijn. Zoals ik immers al heb benadrukt stelde de chronologische opeenvolging van de twee door de Indiaas onderdaan overgelegde reisdocumenten de grenswachters in staat zich ervan te vergewissen dat het toegestane aantal verblijfsdagen op het grondgebied van de Unie niet was overschreden. Ten slotte preciseer ik dat een dergelijke mogelijkheid de toepassing van artikel 11 van de Schengengrenscode onverlet laat, waarin wordt bepaald dat „[w]anneer in het reisdocument van een onderdaan van een derde land geen inreisstempel is aangebracht, [...] de bevoegde autoriteiten hier het vermoeden aan [mogen] verbinden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden inzake verblijfsduur die in de betrokken lidstaat van toepassing zijn”, welk vermoeden weerlegbaar is.
77.
Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode aldus moet worden uitgelegd dat het geldige visum dat van de visumplichtige derdelander wordt verlangd op het moment dat hij de buitengrenzen van de Unie overschrijdt, zich niet noodzakelijkerwijs hoeft te bevinden in een geldig reisdocument en dat de toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, sub a en b, van die code los van elkaar kunnen worden gezien, mits de genoemde onderdaan op het moment van overschrijding van de buitengrenzen een rechtsgeldig reisdocument overlegt waarvan de geldigheidsduur de maximaal toegestane verblijfsduur van het Schengenvisum dekt, welk visum zelf is aangebracht in een reisdocument waarvan de geldigheid is vervallen.
C – Derde prejudiciële vraag
78.
Uitgaande van de veronderstelling dat de Schengengrenscode en de Visumcode de visumplichtige derdelander niet verplichten tot het overleggen van een visum dat zich bevindt in een geldig reisdocument, vraagt de verwijzende rechter in essentie of de lidstaten de bevoegdheid bezitten om nieuwe toegangsvoorwaarden toe te voegen aan de voorwaarden die al in de bovenbedoelde twee codes zijn opgenomen.
79.
Hoewel de toegangsvoorwaarden zijn opgesomd in artikel 5 van de Schengengrenscode, moet dit artikel noodzakelijkerwijs worden gelezen in samenhang met artikel 13 van die code, welk artikel betrekking heeft op die gevallen waarin de toegang wordt geweigerd.
80.
Zo wordt „een onderdaan van een derde land [die] niet aan alle in artikel 5, lid 1, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet” de toegang geweigerd. De derdelander wordt van de weigeringsbeslissing in kennis gesteld door middel van een standaardformulier. ( 50 ) Dit formulier bevat negen weigeringsgronden. Acht daarvan sluiten aan bij de toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode. ( 51 )
81.
Een van de weigeringsgronden heeft geen rechtstreeks verband met dat artikel 5, te weten de weigeringsgrond die betrekking heeft op het overschrijden van de maximumduur van het toegestane verblijf.
82.
Maar het standaardformulier voorziet hoe dan ook niet in de mogelijkheid dat de grenswachters een aanvullende weigeringsgrond toevoegen aan de erin opgenomen lijst.
83.
In het licht van de uitspraak van het Hof in het arrest Koushkaki ( 52 ) met betrekking tot artikel 32 van de Visumcode, vormt de omstandigheid dat artikel 13 van de Schengengrenscode, onder verwijzing naar artikel 5 van diezelfde code, een lijst geeft van gronden op basis waarvan een beslissing tot weigering van de toegang wordt genomen – welke grond vervolgens nauwkeurig aan de aanvrager kenbaar moet worden gemaakt door middel van het formulier van bijlage V van de Schengengrenscode – „een gegeven dat pleit voor de uitlegging dat de lijst van [...] weigeringsgronden uitputtend is”.
84.
Verder zou de bevordering van het legaal reizen, een doelstelling van de Visumcode die het Hof in punt 52 van het arrest Koushkaki in herinnering roept, in het gedrang komen als de autoriteiten van een lidstaat een derdelander de toegang zouden kunnen weigeren terwijl hij voldoet aan alle in artikel 5 van de Schengengrenscode opgesomde toegangsvoorwaarden en de maximumduur van het toegestane verblijf niet heeft overschreden.
85.
Bovendien vereist de bestrijding van visumshopping dat een geharmoniseerde toepassing van de toegangsvoorwaarden en, als uitvloeisel daarvan, van de weigeringsgronden wordt gegarandeerd. ( 53 )
86.
Ik voeg daar nog aan toe dat, anders dan in de zaak Koushkaki, de aanvullende voorwaarde die de nationale wetgever heeft gesteld niet valt binnen de marge die de wetgever volgens het Hof opzettelijk aan de lidstaten heeft gelaten bij de beoordeling in concreto van bepaalde weigeringsgronden voor het afgeven van visa, welke beoordeling complexe evaluaties van individuele situaties impliceert. ( 54 )
87.
Zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft gesignaleerd, kan met betrekking tot de eerste twee meer technische toegangsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode geen sprake zijn van een beoordelingsbevoegdheid zoals geconstateerd in het arrest Koushkaki. Derhalve beschikt de nationale wetgever niet alleen niet over de bevoegdheid om een aanvullende voorwaarde aan die toegangsvoorwaarden toe te voegen, maar evenmin kan in het onderhavige geval worden gesteld dat die wetgever gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsmarge voor de uitlegging van de twee eerste voorwaarden, welke zodanig met elkaar zijn verbonden dat aan de eerste slechts gelijktijdig met de andere kan worden voldaan.
88.
Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode moet derhalve in samenhang met artikel 13 van diezelfde code aldus worden uitgelegd dat de lidstaten aan derdelanders geen aanvullende voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van de Unie mogen opleggen.
V – Conclusie
89.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de administratīvā apgabaltiesa – zoals door mij aangepast – te beantwoorden als volgt:
„1)
De beslissing waarbij de ongeldigheid van een Schengenvisum wordt vastgesteld mag uitsluitend worden genomen onder de voorwaarden die zijn beschreven in artikel 34 van verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode), en valt in ieder geval onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten. Zo kan het enkele verlies van de geldigheid van een reisdocument waarin een Schengenvisum is aangebracht, de geldigheid van het visum zelf niet aantasten.
2)
Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) moet aldus worden uitgelegd dat een visumplichtige onderdaan van een derde land die zich aan de buitengrens van de Unie meldt met een ongeldig reisdocument dat een geldig visum bevat, en een geldig reisdocument zonder visum, voldoet aan de in artikel 5, lid 1, sub a, en in artikel 5, lid 1, sub b, van die code vastgestelde toegangsvoorwaarden, mits de geldigheidsduur van het nieuwe reisdocument daadwerkelijk de door het Schengenvisum toegestane maximumduur van het verblijf dekt.
3)
Artikel 5, lid 1, van de Schengengrenscode, gelezen in samenhang met artikel 13 van die code, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten geen aanvullende voorwaarden voor het verlenen van toegang tot het grondgebied van de Europese Unie mogen opleggen aan onderdanen van derde landen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 105, blz. 1.
( 3 ) PB L 243, blz. 1.
( 4 ) Deze bepaling moet aldus worden opgevat dat de visumplichtige derdelander voor de verkrijging van toegang een geldig reisdocument moet overleggen met daarin een geldig visum.
( 5 ) Zie verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81, blz. 1), en de latere wijzigingen.
( 6 ) Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB 2008, L 53, blz. 52).
( 7 ) Artikel 34, lid 1, van de Visumcode. Zie ook bijlage V, deel A, punt 2, van de Schengengrenscode.
( 8 ) Artikel 34, lid 2, van de Visumcode.
( 9 ) Zie over de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat dan die welke het visum heeft afgegeven om visa nietig te verklaren, arrest Vo (C‑83/12 PPU, EU:C:2012:202, punt 39). Wanneer de autoriteiten van een andere lidstaat dan die welke het visum heeft afgegeven het visum nietig verklaren of intrekken, moeten die autoriteiten de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven daarvan in kennis stellen (zie artikel 34, leden 1 en 2, in fine, van de Visumcode).
( 10 ) Artikel 34, lid 5, van de Visumcode.
( 11 ) Artikel 34, lid 6, en bijlage VI van de Visumcode.
( 12 ) Artikel 34, leden 6‑8, van de Visumcode.
( 13 ) Het is dan ook begrijpelijk dat verzoekster in het hoofdgeding op de enkele grond dat het overgelegde paspoort niet geldig was, niet heeft kunnen anticiperen op wat de grenswachters van de Unie met het visum zouden doen, en dat zij de passagier niet bij het aan boord gaan in Moskou al had kunnen weigeren omdat, ten eerste, in het paspoort uitdrukkelijk stond vermeld dat de daarin aangebrachte visa geldig bleven en, ten tweede, de Visumcode de bevoegdheid om het visum in te trekken hoe dan ook aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toekent. Als de maatschappij anders had gehandeld, als zij het visum ongeldig had geacht enkel en alleen omdat het paspoort niet meer geldig was en daarom de passagier in Moskou bij het aan boord gaan had geweigerd, zouden de waarborgen van artikel 34 van de Visumcode geen enkel nuttig effect hebben gehad.
( 14 ) Zie bijvoorbeeld artikel 21, lid 1, van de Visumcode.
( 15 ) Arrest Zurita García en Choque Cabrera (C‑261/08 en C‑348/08, EU:C:2009:648, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 16 ) Arrest Zurita García en Choque Cabrera (EU:C:2009:648, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 17 ) Artikel 9, lid 1, van de Visumcode.
( 18 ) Artikel 10, lid 3, sub a, en bijlage I van de Visumcode.
( 19 ) Artikel 10, lid 3, sub b, van de Visumcode.
( 20 ) Indien sprake is van herhaalde bezoeken, zoals ook in het hoofdgeding het geval is, zie artikel 12, sub a, van de Visumcode.
( 21 ) Respectievelijk artikel 12, sub b en sub c, van de Visumcode.
( 22 ) Artikel 21 van de Visumcode.
( 23 ) Artikel 21, lid 3, sub a, van de Visumcode.
( 24 ) Artikel 24, lid 2, van de Visumcode.
( 25 ) Zie punt 6 van bijlage VII van de Visumcode.
( 26 ) Punt 1 van bijlage VIII van de Visumcode.
( 27 ) Zie artikel 29, leden 2, 3 en 5, van de Visumcode.
( 28 ) Behoudens uitzonderingen: zie hoofdstuk VI van de Visumcode.
( 29 ) Artikel 12, sub a, van de Visumcode.
( 30 ) Artikel 30 van de Visumcode preciseert dat aan het bezit van een visum als zodanig geen automatisch recht op binnenkomst kan worden ontleend.
( 31 ) Artikel 1 van de Schengengrenscode.
( 32 ) Artikel 7, lid 3, sub a‑i, van de Schengengrenscode. De cursivering is van mij.
( 33 ) Artikel 7, lid 3, sub a‑ii tot en met a‑vi, van de Schengengrenscode. Bij het vertrek van de derdelander uit het nationale grondgebied maakt de Schengengrenscode opnieuw een zeker onderscheid door te bepalen dat de grondige controles bij uitreis de verificatie behelzen dat de onderdaan in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument (artikel 7, lid 3, sub b‑i, van de Schengengrenscode) en „ook [kunnen] behelzen dat de betrokkene in het bezit is van een geldig visum, indien zulks [...] vereist is” (artikel 7, lid 3, sub c‑i, van die code).
( 34 ) Artikel 10, lid 1, van de Schengengrenscode.
( 35 ) Artikel 10, lid 1, sub a, van de Schengengrenscode. Cursivering van mij.
( 36 ) Zie artikel 13, lid 2, van de Schengengrenscode.
( 37 ) Zie punt A van het formulier in deel B van bijlage V van de Schengengrenscode.
( 38 ) Zie punt C van het formulier in deel B van bijlage V van de Schengengrenscode.
( 39 ) Deze conclusie lijkt overigens te worden bevestigd in punt 6.1 van het Praktisch handboek voor grenswachters (Schengenhandboek) dat door de Commissie is vastgesteld [C(2006) 5186 definitief van 6 november 2006].
( 40 ) Artikel 12, lid 1, van de Schengengrenscode en arrest Parlement/Raad (C‑355/10, EU:C:2012:516, punt 70).
( 41 ) Arresten Parlement/Raad (EU:C:2012:516, punt 70) en ANAFE (C‑606/10, EU:C:2012:348, punt 24).
( 42 ) Arrest ANAFE (EU:C:2012:348, punten 25 en 26).
( 43 ) Arrest Adil (C‑278/12 PPU, EU:C:2012:508, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 44 ) Zie punt 3 van de considerans van de Visumcode en arrest Vo (EU:C:2012:202, punten 34 en 35).
( 45 ) Arrest Koushkaki (C‑84/12, EU:C:2013:862, punten 52 en 54).
( 46 ) In ieder geval is die taak niet zwaarder dan in het uitzonderlijke geval waarin artikel 10, lid 3, tweede alinea, van de Schengengrenscode voorziet, krachtens hetwelk op verzoek van de betrokken derdelander kan worden afgezien van een in‑ of uitreisstempel. De in‑ of uitreis wordt dan met een aantal vermeldingen geregistreerd op een afzonderlijk blad dat aan de derdelander ter hand wordt gesteld. In een dergelijk geval moeten de autoriteiten om de maximaal toegestane verblijfsduur te kunnen controleren ook minimaal twee afzonderlijke documenten verifiëren, enerzijds het afzonderlijke blad en anderzijds het reisdocument dat, in voorkomend geval, het geldige visum bevat. De visumsticker kan onder bepaalde voorwaarden ook op een afzonderlijk blad worden aangebracht (zie artikel 29, leden 2, 3 en 5 van de Visumcode).
( 47 ) Besluit C(2010) 1620 definitief van 19 maart 2010.
( 48 ) Het Schengenhandboek gaf al aan dat het ontbreken van blanco pagina’s in een paspoort op zichzelf geen geldige en voldoende reden is om een persoon de toegang te weigeren (zie punt 4.5 van dat handboek).
( 49 ) Zie punt 18 van de considerans van de Visumcode. De Indiaas onderdaan die aanleiding was voor het geschil in het hoofdgeding had immers, blijkens de opmerkingen van de Letse regering, onder dezelfde omstandigheden wel toegang gekregen tot het grondgebied van andere lidstaten dan Letland.
( 50 ) Deel B van bijlage V van de Schengengrenscode.
( 51 ) De weigeringsgronden A en B hebben betrekking op artikel 5, lid 1, sub a, van de Schengengrenscode. De weigeringsgronden C en D zijn vergelijkbaar met artikel 5, lid 1, sub b, van de genoemde code. De weigeringsgronden E en G hebben betrekking op artikel 5, lid 1, sub c, van die code. Weigeringsgrond H is vergelijkbaar met artikel 5, lid 1, sub d en e, van diezelfde code, terwijl weigeringsgrond I ook betrekking heeft op artikel 5, lid 1, sub e, van die code.
( 52 ) EU:C:2013:862, punt 38.
( 53 ) Zie naar analogie arrest Koushkaki (EU:C:2013:862, punt 53).
( 54 ) Zie arrest Koushkaki (EU:C:2013:862, punten 56 e.v.).
Full & Egal Universal Law Academy