C‑579/12 RX62012CD0579EU:C:2012:78500011122CJ
BESLISSING VAN HET HOF (Kamer van heroverweging)
11 december 2012
„Heroverweging”
In zaak C‑579/12 RX,
betreffende een voorstel tot heroverweging dat de eerste advocaat-generaal op 23 november 2012 krachtens artikel 62 van het Statuut van het Hof van de Europese Unie heeft gedaan,
neemt HET HOF (Kamer van heroverweging),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, J. Malenovský, U. Lõhmus, M. Safjan en A. Prechal (rapporteur), rechters,
de navolgende
Beslissing
1
Het door de eerste advocaat-generaal gedane voorstel tot heroverweging betreft het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Kamer voor hogere voorzieningen) van 8 november 2012, Commissie/Strack (T‑268/11 P), houdende toewijzing van de hogere voorziening die de Europese Commissie had ingesteld tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 15 maart 2011, Strack/Commissie (F‑120/07), voor zover daarbij de beschikking van de Commissie van 15 maart 2007, waarbij de overdracht van de in 2004 niet-opgenomen verlofdagen van Strack is beperkt tot twaalf dagen, nietig is verklaard.
2
Uit artikel 256, lid 2, VWEU volgt dat de door het Gerecht gegeven beslissingen in hogere voorziening tegen de beslissingen van het Gerecht voor ambtenarenzaken, op de wijze en binnen de grenzen die in het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden bepaald, bij uitzondering kunnen worden heroverwogen door het Hof van Justitie, wanneer er een ernstig gevaar bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.
3
Krachtens artikel 62 van het Statuut van het Hof kan de eerste advocaat-generaal het Hof voorstellen een beslissing van het Gerecht te heroverwegen, wanneer hij van oordeel is dat er een ernstig risico bestaat dat de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie wordt aangetast.
4
In dat verband volgt uit artikel 193, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat wanneer bij de Kamer van heroverweging een dergelijk voorstel wordt ingediend, deze Kamer beslist of de beslissing van het Gerecht moet worden heroverwogen en dat, wanneer dit het geval is, de beslissing tot heroverweging van de beslissing van het Gerecht enkel de vragen vermeldt die voorwerp van de heroverweging zijn.
5
In de onderhavige zaak is de Kamer van heroverweging van oordeel dat het reeds aangehaalde arrest Commissie/Strack moet worden heroverwogen.
6
De vragen die voorwerp van die heroverweging zijn, zijn opgenomen in punt 2 van het dispositief van de onderhavige beslissing.
Het Hof (Kamer van heroverweging) beslist:
1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Kamer voor hogere voorzieningen) van 8 november 2012, Commissie/Strack (T‑268/11 P), moet worden heroverwogen.
2)
De heroverweging zal betrekking hebben op de vraag of, gelet op de rechtspraak van het Hof over het recht op vakantieverlof met behoud van loon als beginsel van het sociale recht van de Unie, dat ook uitdrukkelijk is neergelegd in artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met name voorwerp is van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9), het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 8 november 2012, Commissie/Strack (T‑268/11 P), de eenheid of de samenhang van het recht van de Unie aantast, in die zin dat dit Gerecht, als rechter in hogere voorziening:
—
artikel 1 sexies, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie aldus heeft uitgelegd dat de voorschriften over de organisatie van de arbeidstijd bedoeld in richtlijn 2003/88, en meer bepaald het vakantieverlof met behoud van loon, daar niet onder vallen, en,
—
artikel 4 van bijlage V bij dit statuut vervolgens zo heeft uitgelegd dat het recht op overdracht van meer vakantiedagen dan bij die bepaling vastgesteld, slechts kan worden toegekend in geval van een verhindering die verband houdt met de werkzaamheden van de ambtenaar in de uitoefening van zijn functie.
3)
De in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden en de partijen in de procedure voor het Gerecht van de Europese Unie kunnen binnen een maand te rekenen vanaf de betekening van deze beslissing schriftelijke opmerkingen over deze vragen indienen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
ondertekeningen
Full & Egal Universal Law Academy