ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
24 oktober 2013 ( *1 )
„Verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe gebruik van motorrijtuigen aanleiding kan geven — Richtlijn 72/166/EEG — Artikel 3, lid 1 — Richtlijn 90/232/EEG — Artikel 1 — Verkeersongeval — Overlijden van inzittende — Recht op schadevergoeding van echtgenoot en kind — Immateriële schade — Vergoeding — Dekking door verplichte verzekering”
In zaak C‑22/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský súd v Prešove (Slowakije) bij beslissing van 8 november 2011, ingekomen bij het Hof op 17 januari 2012, in de procedure
Katarína Haasová
tegen
Rastislav Petrík,
Blanka Holingová,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis, J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door B. Ricziová als gemachtigde,
—
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,
—
de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Linntam als gemachtigde,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Tokár als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juli 2013,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103, blz. 1; hierna: „Eerste richtlijn”), en van artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33, hierna: „Derde richtlijn”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K. Haasová, die in eigen naam optreedt en in naam van haar minderjarige dochter Kristína Haasová, geboren op 22 april 1999, en R. Petrík en B. Holingová over de vergoeding door laatstgenoemden op grond van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, van de schade die is veroorzaakt door het overlijden van Haas, echtgenoot van Haasová en vader van Kristína Haasová, bij een verkeersongeval op het Tsjechische grondgebied.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal privaatrecht
3
Artikel 3 van het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, gesloten te Den Haag op 4 mei 1971 (hierna: „Haags Verdrag van 1971”), dat is bekrachtigd door de Slowaakse Republiek, de Tsjechische Republiek, andere lidstaten van de Europese Unie alsmede door een aantal derde landen, bepaalt:
„De van toepassing zijnde wet is de interne wet van de Staat op welks grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden”.
4
In artikel 4 van dit verdrag is het volgende bepaald:
„Onverminderd de regeling vervat in artikel 5 wordt in de volgende gevallen afgeweken van het bepaalde in artikel 3:
a)
Wanneer slechts een enkel voertuig bij het ongeval is betrokken en dit voertuig is geregistreerd in een andere Staat dan die op welks grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden, is de interne wet van de Staat van registratie van toepassing op de aansprakelijkheid
—
jegens de bestuurder, houder, eigenaar of elke andere persoon die enig recht heeft op het voertuig, zonder acht te slaan op hun gewoon verblijf,
—
jegens een slachtoffer dat passagier was, indien het zijn gewoon verblijf had in een andere Staat dan in die op welk grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden,
—
jegens een slachtoffer dat zich ter plaatse van het ongeval buiten het voertuig bevond, indien het zijn gewoon verblijf had in de Staat van registratie.
Wanneer er twee of meer slachtoffers zijn, wordt de van toepassing zijnde wet ten aanzien van elk van hen afzonderlijk vastgesteld.
b)
Wanneer twee of meer voertuigen bij het ongeval zijn betrokken, is het bepaalde sub a alleen van toepassing, indien die voertuigen alle in dezelfde Staat geregistreerd zijn.
[...]”
5
Artikel 8 van dat verdrag preciseert:
„De van toepassing zijnde wet bepaalt in het bijzonder:
1.
de voorwaarden en de omvang van de aansprakelijkheid;
2.
de gronden voor uitsluiting van aansprakelijkheid, alsook elke beperking en verdeling van aansprakelijkheid;
3.
het bestaan en de aard van letsel of schade die voor vergoeding in aanmerking komen;
4.
op welke wijze en in welke omvang de schade moet worden vergoed;
5.
de overdracht of overgang van het recht op schadevergoeding;
6.
welke personen recht hebben op vergoeding van persoonlijk door hen geleden schade;
7.
de aansprakelijkheid van een principaal voor handelingen van degene, die voor hem optreedt;
8.
de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van die termijn en van zijn stuiting of schorsing.”
Regeling van de Unie
6
Artikel 28 van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) (PB L 199, blz. 40, hierna: „Rome II-verordening”), met als opschrift „Verhouding tot bestaande internationale overeenkomsten”, bepaalt:
„1. Deze verordening laat onverlet de toepassing van internationale overeenkomsten waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die regels bevatten inzake het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen.
2. Deze verordening heeft echter tussen de lidstaten voorrang op uitsluitend tussen lidstaten gesloten overeenkomsten, voor zover deze betrekking hebben op aangelegenheden waarop deze verordening van toepassing is.”
7
Artikel 1 van de Eerste richtlijn bepaalt:
„In de zin van deze richtlijn moet worden verstaan onder:
[...]
2.
benadeelden: zij die recht hebben op vergoeding van door voertuigen veroorzaakte schade;
[...]”
8
Artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn luidt:
„Iedere lidstaat treft [...] de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in deze maatregelen vastgesteld.”
9
Artikel 1, leden 1 en 2, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 (PB L 149, blz. 14, hierna: „Tweede richtlijn”), bepaalt:
„1. De verzekering bedoeld in artikel 3, lid 1, van de [Eerste richtlijn] dekt zowel materiële schade als lichamelijk letsel.
2. Onverminderd door de lidstaten voorgeschreven hogere dekkingen, eist iedere lidstaat dat deze verzekering verplicht is voor ten minste de volgende bedragen:
a)
voor lichamelijk letsel, een minimumbedrag van EUR 1000000 per slachtoffer of van EUR 5000000 per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers;
b)
voor materiële schade, EUR 1000000 per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers.
Zo nodig kunnen de lidstaten een overgangsperiode van maximaal vijf jaar vaststellen te rekenen vanaf het tijdstip van omzetting van richtlijn [2005/14], om hun minimumdekkingsbedragen aan te passen aan de in dit lid voorgeschreven bedragen.
De lidstaten die een dergelijke overgangsperiode vaststellen, stellen de Commissie daarvan in kennis met opgave van de duur van de overgangsperiode.
Binnen 30 maanden na de datum van omzetting van richtlijn [2005/14] dienen de lidstaten de dekkingen te verhogen tot ten minste de helft van de in dit lid voorgeschreven bedragen.”
10
Artikel 1 van de Derde richtlijn bepaalt met name dat „de in artikel 3, lid 1, van de [Eerste richtlijn] bedoelde verzekering de aansprakelijkheid dekt voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.”
Nationaal recht
Slowaaks recht
11
Artikel 11 van wet nr. 40/1964, het burgerlijk wetboek (hierna: „Slowaaks burgerlijk wetboek”), bepaalt:
„De natuurlijke persoon heeft recht op bescherming van zijn persoon, in het bijzonder op bescherming van zijn leven en zijn gezondheid, zijn eer en zijn waardigheid, alsmede zijn privacy, zijn naam en de uitdrukkingen van zijn persoonlijkheid.”
12
Artikel 13 van het Slowaakse burgerlijk wetboek bepaalt:
„1. De natuurlijke persoon heeft in het bijzonder het recht, te eisen dat een einde wordt gemaakt aan onwettige aantastingen van het recht op bescherming van zijn persoon, dat de gevolgen van dergelijke aantastingen ongedaan worden gemaakt en dat hem een passende genoegdoening wordt toegekend.
2. Wanneer geen passende genoegdoening in de zin van lid 1 is verkregen, in het bijzonder omdat de waardigheid of het sociale aanzien van een natuurlijke persoon ernstig is aangetast, heeft de natuurlijke persoon bovendien recht op vergoeding van de niet-vermogensschade.
3. Het bedrag van de in lid 2 bedoelde schadevergoeding wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de ernst van de geleden schade en van de omstandigheden waarin de aantasting van het recht heeft plaatsgevonden.”
13
Artikel 4 van wet nr. 381/2001 betreffende de overeenkomst inzake verplichte verzekering tegen schade waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (hierna: „Slowaakse wet inzake verplichte verzekering”) bepaalt:
„1. De verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid dekt eenieder die aansprakelijk is voor de schade waartoe deelneming aan het verkeer van het in de verzekeringsovereenkomst aangeven motorrijtuig aanleiding kan geven.
2. De verzekerde kan op grond van de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid eisen dat de verzekeraar voor hem de geldend en aannemelijk gemaakte aanspraken van de gelaedeerde honoreert op:
a)
vergoeding van het lichamelijk letsel en van de kosten in geval van overlijden,
b)
vergoeding van de schade die voortvloeit uit de vernietiging, de diefstal of het verlies van de zaak,
c)
vergoeding van de kosten die verbonden zijn aan de vertegenwoordiging in rechte voor het uitoefenen van de sub a, b en d bedoelde rechten wanneer de verzekeraar zijn verplichtingen op grond van artikel 11, lid 6, sub a of b, niet is nagekomen of ten onrechte heeft geweigerd de verzekeringsovereenkomst uit te voeren of de verzekeringsuitkering ten onrechte heeft verminderd,
d)
vergoeding van gederfd inkomen.
3. De verzekerde kan op grond van de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid eisen dat de verzekeraar aan de betrokkenen de geldend en aannemelijk gemaakte en betaalde medische kosten, dagvergoedingen, socialezekerheidsuitkeringen, ongevallenvergoedingen, verzekeringsuitkeringen bij ongeval, pensioenuitkeringen, pensioenuitkeringen voor politieagenten en militairen, uitkeringen uit aanvullende pensioenfondsen vergoedt, waartoe de verzekerde jegens die betrokkenen gehouden is.”
Tsjechisch recht
14
Artikel 11 van wet nr. 40/1964, het burgerlijk wetboek (hierna: „Tsjechisch burgerlijk wetboek”) bepaalt:
„De natuurlijke persoon heeft recht op bescherming van zijn persoon, in het bijzonder op bescherming van zijn leven en zijn gezondheid, zijn eer en zijn waardigheid, alsmede zijn privacy, zijn naam en de uitdrukkingen van zijn persoonlijkheid.”
15
Artikel 13 van het Tsjechisch burgerlijk wetboek bepaalt:
„1) De natuurlijke persoon heeft in het bijzonder het recht, te eisen dat een einde wordt gemaakt aan onwettige aantastingen van het recht op bescherming van zijn persoon, dat de gevolgen van dergelijke aantastingen ongedaan worden gemaakt en dat hem een passende genoegdoening wordt toegekend.
2) Wanneer geen passende genoegdoening in de zin van lid 1 is verkregen, in het bijzonder omdat de waardigheid of het sociale aanzien van een natuurlijke persoon ernstig is aangetast, heeft de natuurlijke persoon bovendien recht op vergoeding van de niet-vermogensschade.
3) Het bedrag van de in lid 2 bedoelde schadevergoeding wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de ernst van de geleden schade en van de omstandigheden waarin de aantasting van het recht heeft plaatsgevonden.”
16
Artikel 444 van dit wetboek luidt:
„1) Lichamelijk letsel geeft recht op een forfaitaire schadevergoeding voor het lijden van de gelaedeerde en de sociale schade.
[...]
3) In geval van overlijden hebben de nabestaanden recht op een forfaitaire vergoeding van:
a)
240000 [Tsjechische kronen (CZK)] voor het verlies van een echtgeno(o)t(e).
[...]”
17
Artikel 6 van wet nr. 168/1999 betreffende de verzekering tegen de aansprakelijkheid voor de schade waartoe deelneming aan het verkeer van een motorrijtuig aanleiding kan geven (hierna: „Tsjechische wet betreffende de verplichte verzekering”), luidt:
„1) De verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid dekt eenieder die aansprakelijk is voor de schade waartoe deelneming aan het verkeer van het in de verzekeringsovereenkomst aangeven motorrijtuig aanleiding kan geven.
2) Behoudens andersluidende bepaling in de onderhavige wet kan de verzekerde eisen dat de verzekeraar overeenkomstig de in het burgerlijk wetboek bepaalde voorwaarden en bedragen de gelaedeerde vergoedt voor
a)
het lichamelijk letsel of het overlijden,
b)
de schade van de gelaedeerde die is veroorzaakt door de beschadiging, de vernietiging of het verlies van de zaak, alsmede de schade die is veroorzaakt door de diefstal van de zaak, wanneer de natuurlijke persoon niet in staat is de bewaring ervan te verzekeren,
c)
gederfd inkomen,
d)
de kosten die daadwerkelijk verbonden zijn aan de vertegenwoordiging in rechte voor het uitoefenen van de sub a tot en met c bedoelde rechten; met betrekking tot de schade bedoeld sub b en c echter alleen ingeval de verzekeraar de in artikel 9, lid 3, bepaalde termijn niet is nagekomen of ten onrechte heeft geweigerd de verzekeringsovereenkomst uit te voeren of de verzekeringsuitkering ten onrechte heeft verminderd,
mits de gelaedeerde zijn vordering geldend en aannemelijk heeft gemaakt en het voorval dat tot die schade heeft geleid en waarvoor de verzekerde aansprakelijk is, zich heeft voorgedaan in de periode waarin de aansprakelijkheidsverzekering van kracht was, met uitzondering van de periode waarin de verzekering was geschorst.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18
Blijkens de verwijzingsbeslissing en de door de verwijzende rechter verstrekte uitleg in antwoord op een verzoek om toelichtingen dat het Hof hem krachtens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering had gestuurd, is Haas op 7 augustus 2008 op het Tsjechische grondgebied overleden bij een verkeersongeval dat was veroorzaakt door Petrík, die een personenauto bestuurde die aan Holingová toebehoorde.
19
Het voertuig van Holingová, dat in Slowakije was geregistreerd en waarin Haas had plaatsgenomen, is in botsing gekomen met een in Tsjechië geregistreerde vrachtwagen. Haasová en haar dochter bevonden zich op het ogenblik van het ongeval in Slowakije.
20
Bij strafvonnis van de Okresný súd Vranov nad Topľou (Slowakije) is Petrik schuldig bevonden aan doodslag en aan het toebrengen van lichamelijk letsel en veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar. Ingevolge de artikelen 50, lid 2, en 51, lid 4, sub c, van het Slowaaks strafwetboek is hij veroordeeld tot vergoeding van de veroorzaakte schade, waaronder met name de schade van Haasová, vastgesteld op 1057,86 EUR.
21
Tevens hebben Haasová en haar dochter Petrík en Holingová op basis van artikel 13, leden 2 en 3, van het Slowaakse burgerlijk wetboek aangesproken tot vergoeding van de immateriële schade die was veroorzaakt door het verlies van hun echtgenoot en vader. In eerste aanleg zijn Petrík en Holingová veroordeeld tot betaling aan Haasová van een vergoeding van 15000 EUR ter zake. Alle partijen hebben bij de Krajský súd v Prešove (Slowakije) tegen die veroordeling hoger beroep ingesteld.
22
Volgens de verwijzende rechter dient, gezien de feitelijke omstandigheden, het Tsjechische materiële recht te worden toegepast en in het bijzonder artikel 444, lid 3, van het Tsjechische burgerlijk wetboek, dat bepaalt dat in geval van overlijden de echtgeno(o)te, als nabestaande van het slachtoffer, recht heeft op een forfaitaire vergoeding van 240000 CZK. De vraag rijst of die vergoeding adequaat is en dus of er een recht bestaat op een aanvullende vergoeding op basis van artikel 11 van dat wetboek.
23
In dat verband is de verwijzende rechter van oordeel dat de rechten van Haasová en haar dochter zijn afgeleid van die van het slachtoffer, omdat het leven van Haas door artikel 11 van het burgerlijk wetboek werd beschermd. De verwijzende rechter preciseert dat de artikelen 11 tot en met 16 van het Slowaakse en het Tsjechische burgerlijke wetboek de bescherming van de persoon waarborgen, waaronder met name de bescherming van het leven, de gezondheid, de eer en de waardigheid, alsmede de privacy, de naam en de uitdrukkingen van zijn persoonlijkheid tegen „schade”, waarmee immateriële schade wordt bedoeld die voortvloeit uit een schending van het recht op die bescherming.
24
De verwijzende rechter merkt voorts op dat krachtens de Slowaakse wet betreffende de verplichte verzekering de eigenaar van een motorrijtuig kan eisen dat de verzekeraar voor hem instaat voor de geldend en aannemelijk gemaakte aanspraken ten aanzien van de persoon die gelaedeerd is door een ongeval waarvoor eerstgenoemde aansprakelijk is, in de mate als voorzien in deze wet en in de door de verzekeraar vastgestelde voorwaarden, en dus voor de vergoeding van het lichamelijk letsel en van de kosten die verband houden met het overlijden.
25
In casu heeft Holingová een overeenkomst inzake de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid gesloten met Allianz-Slovenská poisťovňa a.s. (hierna: „Allianz”). Aangezien de persoon die aansprakelijk is voor de schade zich tot de verzekeraar kan wenden opdat deze voor hem de schade vergoedt waarvoor hij aansprakelijk is, moet de verzekeraar in de schadevergoedingsprocedure in het geding worden geroepen als interveniërende partij, aangezien hij een legitiem belang heeft bij de beslechting van het geding. Aldus is Allianz op initiatief van de verwijzende rechter in die hoedanigheid in het geding geroepen.
26
Allianz heeft slechts een dergelijk legitiem belang indien het uitgeoefende recht door de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid wordt gedekt. Indien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde immateriële schade niet door de verplichte verzekering wordt gedekt, zou de tussenkomst van Allianz in de procedure niet gerechtvaardigd zijn.
27
Volgens de verwijzende rechter omvat de vergoeding van het lichamelijk letsel ook bepaalde niet-vermogensschade, te weten de geleden pijn en de moeilijkheden in de sociale betrekkingen. Onder het begrip „door de verzekeringsovereenkomst gedekte schade” valt dus ook niet-vermogensschade, met name immateriële, morele of affectieve schade.
28
Bovendien zijn de lidstaten volgens de verwijzende rechter krachtens de Eerste en de Derde richtlijn verplicht de nodige maatregelen te treffen opdat de wettelijke aansprakelijkheid voor de schade veroorzaakt door het gebruik van motorrijtuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering wordt gedekt ter bescherming van de verzekerden en van de slachtoffers van ongevallen en om te verzekeren dat alle schade en nadelen die onder de dekking van de verplichte verzekering van inzittenden van motorrijtuigen vallen, worden vergoed.
29
Allianz weigert om de geleden niet-vermogensschade te vergoeden op grond dat de vergoeding van die schade in de zin van artikel 13 van het Slowaakse burgerlijk wetboek niet valt onder de dekking van de overeenkomst inzake de verplichte verzekering tegen de aansprakelijkheid waartoe het gebruik van motorrijtuigen aanleiding geeft, aangezien het recht op een dergelijke vergoeding niet onder de dekking valt waarin de Slowaakse en de Tsjechische wet betreffende de verplichte verzekering voorzien.
30
Volgens de verwijzende rechter is het antwoord op die vraag beslissend, aangezien tevens de niet-vermogensschade zou moeten worden vergoed die de nabestaande van het slachtoffer van een verkeersongeval heeft geleden en die krachtens artikel 13, leden 2 en 3, van het toepasselijke burgerlijk wetboek kan worden vergoed en die, volgens een ruime uitlegging, moet worden beschouwd als een lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 4, lid 2, sub a, van de Slowaakse wet betreffende de verplichte verzekering. Dit zou betekenen dat de vergoeding van die niet-vermogensschade uit hoofde van de overeenkomst inzake verplichte verzekering onder de aansprakelijkheid van de verzekeraar valt.
31
Daarop heeft de Krajský súd v Prešove de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1)
Moet artikel 1, eerste alinea, van de [Derde Richtlijn], juncto artikel 3, lid 1, van de [Eerste richtlijn] aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling (zoals artikel 4 van Slowaakse wet [betreffende de verplichte verzekering], en artikel 6 van de Tsjechische wet [betreffende de verplichte verzekering]), volgens welke de wettelijke aansprakelijkheid waartoe het gebruik van motorrijtuigen aanleiding kan geven, de in geld uitgedrukte niet-vermogensschade van de nagelaten betrekkingen van de slachtoffers van een verkeersongeval ten gevolge van het gebruik van motorrijtuigen niet dekt?
2)
Voor het geval dat op de eerste vraag wordt geantwoord dat bovengenoemde nationale bepaling niet in strijd is met het [Unie]recht, moeten artikel 4, leden 1, 2 en 4, van de Slowaakse wet [betreffende de verplichte verzekering] en artikel 6, leden 1 tot en met 3, van de Tsjechische wet [betreffende de verplichte verzekering] aldus worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staan dat de nationale rechter overeenkomstig artikel 1, eerste alinea, van de [Derde richtlijn], juncto artikel 3, lid 1, van de [Eerste richtlijn], aan de nagelaten betrekkingen van de slachtoffers van een verkeersongeval ten gevolge van het gebruik van motorrijtuigen, in hun hoedanigheid van gelaedeerden, het recht toekent om voor de niet-vermogensschade ook een financiële vergoeding te krijgen?”
Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
32
De Slowaakse regering en de Commissie hebben twijfel geuit over de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen. Volgens hen bevat de verwijzingsbeslissing geen omschrijving van de feiten waarin het verkeersongeval plaatsvond en die noodzakelijk zijn om het hoofdgeding te begrijpen. De Slowaakse regering is daarenboven van mening dat die vragen niet relevant zijn voor de beslechting van dit geding, aangezien Allianz geen partij bij dat geding is en de beslissing die de nationale rechterlijke instantie in het kader van dat geding zal geven, niet bindend zal zijn voor die verzekeringsmaatschappij.
33
In dat verband zij opgemerkt dat, in antwoord op een verzoek om toelichtingen dat het Hof hem krachtens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering had gestuurd, de verwijzende rechter enerzijds de feiten heeft uiteengezet waarin het in het hoofdgeding aan de orde zijnde verkeersongeval heeft plaatsgevonden, en anderzijds heeft verduidelijkt dat het antwoord van het Hof beslissend zal zijn om te kunnen oordelen over de tussenkomst van Allianz in het hoofdgeding, en dus voor het dwingend karakter, ten aanzien van die onderneming, van het in deze procedure te wijzen arrest.
34
De prejudiciële vragen zijn derhalve ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
35
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn en artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe het gebruik van motorrijtuigen aanleiding kan geven, de vergoeding moet dekken van de immateriële schade van de naasten van bij een verkeersongeval overleden slachtoffers.
36
Vooraf dient te worden vastgesteld dat de verwijzende rechter enerzijds heeft gepreciseerd dat het op de feiten in het hoofdgeding toepasselijke recht inzake wettelijke aansprakelijkheid, gelet op de artikelen 3 en 4 van het Verdrag van den Haag en op artikel 28 van de Rome II-verordening, het Tsjechische recht is, en anderzijds, dat de gestelde vragen geen betrekking hebben op de dekking door de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid, die door het zesde deel van het Tsjechische burgerlijk wetboek is geregeld en dus de in artikel 444 van dat wetboek bedoelde forfaitaire vergoeding. De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat de artikelen 11 en 13 van het Tsjechische burgerlijk wetboek, die de bescherming van de persoon betreffen, van toepassing zijn los van die bepalingen betreffende de verplichte verzekering en heeft verduidelijkt dat die vragen uitsluitend betrekking hebben op de dekking door de verplichte verzekering van de vergoeding van immateriële schade die verschuldigd is op grond van bepalingen tot bescherming van de persoon.
37
In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de considerans van de Eerste en de Tweede richtlijn duidelijk blijkt dat deze richtlijnen enerzijds het vrije verkeer beogen te waarborgen, zowel van gewoonlijk op het grondgebied van de Europese Unie gestalde motorrijtuigen als van de inzittenden, en anderzijds willen verzekeren dat de slachtoffers van door deze motorrijtuigen veroorzaakte ongevallen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Unie waar het ongeval zich heeft voorgedaan (arrest van 23 oktober 2012, Marques Almeida, C‑300/10, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
De Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede en de Derde richtlijn, verplicht de lidstaten dus ervoor te zorgen dat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die gewoonlijk op hun grondgebied zijn gestald, door een verzekering wordt gedekt en preciseert met name welke soorten schade en welke derden die het slachtoffer van een ongeval zijn geworden, door deze verzekering moeten worden gedekt (arrest Marques Almeida, reeds aangehaald, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Er zij evenwel aan herinnerd dat de verplichting om bij wege van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering de door motorrijtuigen aan derden veroorzaakte schade te dekken, moet worden onderscheiden van de omvang van die schadeloosstelling op grond van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde. Terwijl de verplichte dekking is vastgesteld en gewaarborgd door de regeling van de Unie, wordt de omvang van de schadeloosstelling immers hoofdzakelijk door het nationale recht bepaald (arrest Marques Almeida, reeds aangehaald, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat uit het doel en de bewoordingen van de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn blijkt dat zij er niet toe strekken de wettelijkeaansprakelijkheidsregelingen van de lidstaten te harmoniseren en dat de lidstaten bij de huidige stand van het Unierecht bevoegd blijven om te bepalen welke regeling inzake wettelijke aansprakelijkheid geldt voor ongevallen ten gevolge van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen (arrest Marques Almeida, reeds aangehaald, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Gelet op met name artikel 1, punt 2, van de Eerste richtlijn blijven de lidstaten in de huidige stand van het Unierecht in beginsel dus bevoegd om in het kader van hun wettelijkeaansprakelijkheidsregelingen met name te bepalen welke soorten door motorrijtuigen veroorzaakte schade moeten worden vergoed, wat de omvang van de vergoeding is en wie recht op die vergoeding heeft.
42
Het Hof heeft evenwel gepreciseerd dat de lidstaten bij de uitoefening van hun bevoegdheden op dit gebied het Unierecht in acht dienen te nemen en dat de nationale bepalingen die de vergoeding regelen van schade veroorzaakt door ongevallen ten gevolge van de deelneming van motorrijtuigen aan het verkeer, de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn niet hun nuttige werking mogen ontnemen (arrest Marques Almeida, reeds aangehaald, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43
Aangaande de dekking door de verplichte verzekering van door motorrijtuigen veroorzaakte schade die volgens het nationale recht inzake wettelijke aansprakelijkheid moet worden vergoed, liet artikel 3, lid 1, tweede volzin, van de Eerste richtlijn het, zoals de Duitse regering heeft opgemerkt, inderdaad aan de lidstaten over om de dekking van de schade en de voorwaarden van de verplichte verzekering te bepalen (zie in die zin arrest van 28 maart 1996, Ruiz Bernáldez, C-129/94, Jurispr. blz. I-1829, punt 15).
44
Ter verkleining van de verschillen die er tussen de wetgevingen van de onderscheiden lidstaten nog bestonden betreffende de omvang van de verzekeringsplicht, is in artikel 1 van de Tweede richtlijn op het gebied van de wettelijke aansprakelijkheid evenwel voorzien in een verplichte dekking van materiële schade en lichamelijk letsel, ten belope van vastgestelde bedragen. Bij artikel 1 van de Derde richtlijn is deze verplichting uitgebreid tot de dekking van lichamelijk letsel van andere inzittenden dan de bestuurder (arrest Ruiz Bernáldez, reeds aangehaald, punt 16).
45
De lidstaten zijn aldus verplicht te garanderen dat de naar hun nationaal recht geldende wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, wordt gedekt door een verzekering die in overeenstemming is met de bepalingen van de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn (arrest Marques Almeida, reeds aangehaald, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46
Daaruit volgt dat de vrijheid van de lidstaten om de dekking van de schade en de voorwaarden van de verplichte verzekering te bepalen door de Tweede en de Derde richtlijn is beperkt, aangezien zij de dekking van bepaalde soorten schade verplicht hebben gesteld ten belope van bepaalde minimumbedragen. Volgens artikel 1, lid 1, van de Tweede richtlijn moet met name materiële schade en lichamelijk letsel verplicht worden gedekt.
47
Zoals de advocaat-generaal in de punten 68 tot en met 73 van zijn conclusie heeft opgemerkt en zoals het EVA-Hof in zijn arrest van 20 juni 2008, Celina Nguyen/The Norwegian State (E-8/07, EFTA Court Report, blz. 224, punten 26 en 27), heeft geoordeeld, dient te worden aangenomen dat, gelet op de verschillende taalversies van de artikelen 1, lid 1, van de Tweede richtlijn, en 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn, en op de doelstelling van bescherming van de drie bovengenoemde richtlijnen dat het begrip „lichamelijk letsel” alle soorten schade omvat, waarvan het op het geding toepasselijke nationale recht in de vergoeding voorziet op grond van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde en die het gevolg is van een aantasting van de persoonlijke integriteit, wat zowel lichamelijk als psychisch lijden omvat.
48
Volgens vaste rechtspraak moeten de Unierechtelijke bepalingen namelijk uniform moeten worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een tekst van de Unie, moet bij de uitlegging van de betrokken bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie met name arrest van 8 december 2005, Jyske Finans, C-280/04, Jurispr. blz. I-10683, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Aangezien de verschillende taalversies van artikel 1, lid 1, van de Tweede richtlijn in wezen zowel het begrip „lichamelijk letsel” als het begrip „persoonlijke schade” gebruiken, moet worden uitgegaan van het opzet en de doelstelling van die bepaling en van de richtlijn. In dat verband zij enerzijds vastgesteld dat die begrippen het begrip „materiële schade” aanvullen en zij er anderzijds aan herinnerd dat die bepaling en de richtlijn in het bijzonder slachtoffers een betere bescherming willen bieden. Derhalve moet de in punt 47 van het onderhavige arrest genoemde ruime uitlegging van die begrippen worden gevolgd.
50
Tot de schade die krachtens de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn moet worden vergoed, behoort bijgevolg de immateriële schade waarvan vergoeding in het op het geding toepasselijke nationale recht uit hoofde van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde is voorzien.
51
Wat de vraag betreft welke personen voor vergoeding van die immateriële schade in aanmerking komen, zij enerzijds vastgesteld dat uit artikel 1, punt 2, juncto artikel 3, lid 1, eerste volzin, van de Eerste richtlijn volgt dat de bescherming die krachtens die richtlijn moet worden geboden, geldt voor eenieder die overeenkomstig het nationale recht inzake wettelijke aansprakelijkheid recht heeft op vergoeding van door motorrijtuigen veroorzaakte schade.
52
Anderzijds dient te worden gepreciseerd dat, zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt en anders dan de Duitse regering betoogt, de Derde richtlijn de kring van beschermde personen niet heeft beperkt, maar integendeel de dekking van schade die bepaalde bijzonder kwetsbaar geachte personen hebben geleden, verplicht heeft gesteld.
53
Aangezien voorts het in artikel 1, punt 2, van de Eerste richtlijn opgenomen begrip „schade” niet nader is omschreven, wijst, anders dan de Estse regering aanvoert, niets erop dat bepaalde schade, zoals immateriële schade, voor zover deze volgens het toepasselijke nationale recht inzake wettelijke aansprakelijkheid moet worden vergoed, van dat begrip zou moeten worden uitgesloten.
54
Niets in de Eerste, de Tweede en de Derde richtlijn wijst erop dat de wetgever van de Unie de door die richtlijnen geboden bescherming had willen beperken tot personen die rechtstreeks bij een schadegeval waren betrokken.
55
Bijgevolg moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de vergoeding die, volgens hun nationale recht inzake wettelijke aansprakelijkheid, verschuldigd is voor de immateriële schade die de naaste familieleden van slachtoffers van verkeersongevallen hebben geleden, wordt gedekt door de verplichte verzekering ten belope van de in artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn vastgestelde minimumbedragen.
56
Dit zou het geval moeten zijn in de onderhavige zaak, aangezien volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter, personen in de situatie van Haasová en haar dochter overeenkomstig de artikelen 11 en 13 van het Tsjechische burgerlijk wetboek recht hebben op de vergoeding van de immateriële schade die zij ingevolge het overlijden van hun echtgenoot en vader hebben geleden.
57
Aan deze overweging wordt niet afgedaan door de omstandigheid waarop de Slowaakse regering zich beroept, dat die artikelen onder een deel van het Slowaaks en het Tsjechisch burgerlijk wetboek vallen dat schendingen van de rechten van de persoon betreft en dat losstaat van het deel dat betrekking heeft op de eigenlijke wettelijke aansprakelijkheid in de zin van die wetboeken.
58
Aangezien de aansprakelijkheid van de verzekerde, die volgens de verwijzende rechter in casu volgt uit de artikelen 11 en 13 van het Tsjechisch burgerlijk wetboek, haar oorsprong vindt in een verkeersongeval en het om een burgerlijke aansprakelijkheid gaat, wijst niets er immers op dat een dergelijke aansprakelijkheid niet valt onder het materiële recht inzake wettelijke aansprakelijkheid, waarnaar bovengenoemde richtlijnen verwijzen.
59
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, artikel 1, leden 1 en 2, van de Tweede richtlijn en artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe gebruik van motorrijtuigen aanleiding kan geven de vergoeding moet dekken van immateriële schade die is geleden door de naasten van bij een verkeersongeval overleden slachtoffers voor zover een dergelijke vergoeding in het op het hoofdgeding toepasselijke nationale recht uit hoofde van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde is voorzien.
Tweede vraag
60
Gelet op het antwoord van het Hof op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
61
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, artikel 1, leden 1 en 2, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zoals gewijzigd bij richtlijn 2005/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005, en artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn (90/232/EG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moeten aldus worden uitgelegd dat de verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe gebruik van motorrijtuigen aanleiding kan geven de vergoeding moet dekken van immateriële schade die is geleden door de naasten van bij een verkeersongeval overleden slachtoffers voor zover een dergelijke vergoeding in het op het hoofdgeding toepasselijke nationale recht uit hoofde van de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde is voorzien.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Slowaaks.
Full & Egal Universal Law Academy