ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
18 juli 2013 ( *1 )
„Verzoek om prejudiciële beslissing — Landbouw — Gemeenschappelijke ordening van markten — Verordening (EEG) nr. 3665/87 — Uitvoerrestituties — Omleiding van voor uitvoer bestemd product — Verplichting van exporteur tot terugbetaling — Niet-mededeling door bevoegde autoriteiten van informatie betreffende betrouwbaarheid van medecontractant die verdacht wordt van fraude — Geval van overmacht — Ontbreken daarvan”
In zaak C-99/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België) bij vonnis van 9 februari 2012, ingekomen bij het Hof op 24 februari 2012, in de procedure
Eurofit SA
tegen
Belgisch interventie- en restitutiebureau (BIRB),
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: M. Berger, kamerpresident, E. Levits en J.-J. Kasel (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: V. Trstenjak,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
Eurofit SA, vertegenwoordigd door S. Woog, advocaat,
—
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en J.-C. Halleux als gemachtigden, bijgestaan door B. De Moor en V. van Steenkiste, advocaten,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Burggraaf en D. Triantafyllou als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het begrip „overmacht” in de zin van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 (PB L 310, blz. 57; hierna: „verordening nr. 3665/87”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eurofit SA (hierna: „Eurofit”) en het Belgisch interventie- en restitutiebureau (BIRB) betreffende de terugbetaling van uitvoerrestituties die aan deze onderneming op basis van vervalste stukken zijn uitgekeerd.
Toepasselijke bepalingen
3
De eerste en de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 2945/94 preciseerden het volgende:
„Overwegende dat in de geldende communautaire regelgeving is bepaald dat de uitvoerrestituties op basis van louter objectieve criteria, met name inzake hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product en de geografische bestemming ervan worden verleend; dat het, gezien de ervaring die tot dusver is opgedaan, noodzakelijk is de strijd tegen onregelmatigheden, en met name tegen fraude ten nadele van de begroting van de Gemeenschap, te intensiveren; dat daartoe voorschriften inzake de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en inzake sancties moeten worden vastgesteld om de exporteurs ertoe aan te zetten de communautaire regelgeving beter in acht te nemen;
Overwegende dat, om te garanderen dat het stelsel van uitvoerrestituties naar behoren wordt toegepast, sancties zouden moeten worden toegepast zonder daarbij een subjectief schuldelement in aanmerking te nemen; dat het niettemin dienstig is in bepaalde gevallen geen sancties toe te passen, met name wanneer het een door de bevoegde autoriteit erkende duidelijke vergissing betreft, en bij opzet in een zwaardere sanctie te voorzien.”
4
Verordening nr. 3665/87 voorzag in de mogelijkheid om uitvoerrestituties toe te kennen aan ondernemers die landbouwproducten uitvoeren buiten het grondgebied van de Europese Unie.
5
Artikel 5 van verordening nr. 3665/87 bepaalde:
„1. Voor betaling van de al dan niet gedifferentieerde restitutie geldt niet alleen de voorwaarde dat het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat:
[...]
het product binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land en, in voorkomend geval, in een bepaald derde land is ingevoerd, tenzij het tijdens het vervoer als gevolg van overmacht verloren is gegaan.
[...]
3. Wanneer het product na het douanegebied van de Gemeenschap te hebben verlaten, onderweg als gevolg van overmacht verloren gaat, wordt in geval van:
—
een gedifferentieerde restitutie het overeenkomstig artikel 20 bepaalde gedeelte van de restitutie betaald,
—
een niet-gedifferentieerde restitutie het totale restitutiebedrag betaald.”
6
Artikel 11, lid 1, van deze verordening bepaalde:
„Wanneer wordt geconstateerd dat een exporteur een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de geldende, is de verschuldigde restitutie voor de betreffende uitvoer gelijk aan de geldende restitutie voor de werkelijke uitvoer, verminderd met een bedrag dat gelijk is aan:
a)
de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie voor het daadwerkelijk uitgevoerde product;
b)
het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.
[...]
De sub a bedoelde sanctie wordt niet toegepast:
—
in geval van overmacht;
—
in uitzonderlijke gevallen die zijn toe te schrijven aan niet aan de exporteur toe te rekenen omstandigheden en die zich voordoen na de aanvaarding door de bevoegde autoriteiten van de aangifte ten uitvoer of de betalingsaangifte, op voorwaarde dat de exporteur, onmiddellijk nadat hij van deze omstandigheden kennis heeft gekregen, en binnen de in artikel 47, lid 2, bedoelde termijn, deze omstandigheden aan de bevoegde autoriteiten meldt, tenzij de bevoegde autoriteiten reeds hebben vastgesteld dat de gevraagde restitutie onjuist was;
—
indien het een door de bevoegde autoriteit erkende klaarblijkelijke vergissing inzake de gevraagde restitutie betreft;
[...]
Indien de uitkomst van de sub a of b bedoelde vermindering een negatief bedrag is, moet de exporteur dit negatieve bedrag betalen.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
7
Eurofit is een vennootschap naar Belgisch recht die zich bezighoudt met melkverwerking en uitvoer van zuivelproducten naar landen buiten de Europese Unie.
8
In juli 1996 heeft Eurofit via Italië boter naar Albanië uitgevoerd. De koopwaar zou per vrachtwagen naar Bari (Italië) en vervolgens per schip naar Albanië worden vervoerd.
9
De Italiaanse tussenpersoon die met de uitvoer was belast, was de Italiaanse vennootschap Di Fenza & Figli (hierna: „Di Fenza”). De koopwaar diende te worden betaald vóór de levering en voor de restitutie moest een financiële zekerheid worden gesteld.
10
De eerste levering deed twijfels rijzen over de betrouwbaarheid van de tussenpersoon. De koopwaar is omgeleid naar Napels (Italië), het is onduidelijk waar zij is opgeslagen en tussen deze stad en Albanië varen geen schepen.
11
Eurofit heeft contact opgenomen met de Belgische consul te Napels, waarna zij heeft besloten de vrachtwagen met de koopwaar te repatriëren en het BIRB op de hoogte te brengen van deze beslissing.
12
Nadat zij vervolgens door voornoemde tussenpersoon is gerustgesteld, heeft Eurofit opnieuw een vrachtwagen met 22 ton boter laten vertrekken. Deze is op 14 augustus 1996 in Bari aangekomen.
13
Op 10 september 1996 heeft het BIRB aan Eurofit de ontvangst bevestigd van het T5-document, dat was voorzien van de nodige stempels die door de bevoegde autoriteiten waren aangebracht. Daarop heeft het BIRB de eerste uitvoerrestitutie betaald, te weten 1521670 BEF.
14
Bovendien heeft Eurofit van Di Fenza een document ontvangen dat het Italiaanse ministerie van Financiën aan het BIRB had gericht, alsook een document waaruit bleek dat de uitgevoerde waren in Albanië op de markt waren gebracht.
15
Vervolgens heeft Eurofit op 26 september 1996 een tweede levering verricht, die door Di Fenza onmiddellijk is betaald. De tot zekerheid van de restitutie uitgeschreven cheque bleek evenwel ongedekt.
16
Op 31 oktober 1996 heeft het BIRB de ontvangst van het T5-document betreffende deze tweede levering bevestigd.
17
Eurofit heeft op die manier van juli tot november 1996 in totaal tien vrachtwagens gestuurd met elk 22 ton boter.
18
Deze onderneming heeft voor de eerste vijf vrachtwagens, alsook voor de zevende vrachtwagen, van het BIRB uitvoerrestituties ontvangen voor een bedrag van 9266133 BEF (229701,44 EUR).
19
De betalingen voor de zesde, de negende en de tiende vrachtwagen heeft het BIRB daarentegen geblokkeerd.
20
Betreffende de achtste vrachtwagen, die door de Italiaanse autoriteiten in beslag was genomen, heeft Eurofit bij de bevoegde Italiaanse rechterlijke instanties een klacht ingediend tegen de heer Di Fenza, die in 2003 strafrechtelijk is veroordeeld wegens vervalsing van de T1- en T5-documenten.
21
Nadien is gebleken dat geen van de uitgevoerde waren hoogstwaarschijnlijk ooit de Unie heeft verlaten en dat de aan het BIRB toegestuurde documenten vals waren.
22
Op 10 maart 1998 heeft het BIRB van Eurofit terugbetaling gevorderd van de ten onrechte betaalde restituties, vermeerderd met de volgens artikel 11, lid 1, van verordening nr. 3665/87 geldende sanctie. Achteraf heeft het BIRB evenwel niet langer betaling van die geldstraf geëist.
23
In juli 1999 heeft Eurofit voorgesteld om de aan haar uitgekeerde restituties aan het BIRB terug te betalen. Niettemin heeft zij daarbij gepreciseerd dat deze betaling haar recht om in rechte op te komen tegen het BIRB onverlet liet.
24
In september 2001 heeft Eurofit het BIRB voor de verwijzende rechter gedagvaard tot terugbetaling van de voormelde restituties, voor een bedrag van 229701,43 EUR, alsook tot betaling van de restituties die waren verschuldigd voor de zesde, de achtste, de negende en de tiende vrachtwagen, voor een bedrag van 164299,79 EUR. Bovendien heeft Eurofit verzocht om kwijtschelding van de boetes die waren opgelegd wegens het niet-gebruik van de certificaten.
25
De vordering van Eurofit is gebaseerd op het beginsel van overmacht in de zin van verordening nr. 3665/87, welk begrip wordt gekenmerkt door abnormale, onvoorzienbare en van de wil van de marktdeelnemer onafhankelijke omstandigheden waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden.
26
Hoewel Eurofit erkent dat het feit dat haar medecontractant, te weten Di Fenza, fraude heeft gepleegd, op zich niet als een geval van overmacht kan worden aangemerkt aangezien de keuze van de medecontractant als een door de marktdeelnemer te dragen risico wordt beschouwd, betoogt zij onder verwijzing naar het arrest van 7 september 1999, De Haan (C-61/98, Jurispr. blz. I-5003), dat de bevoegde administratieve autoriteiten haar in casu hebben belet, de risico’s van de transactie juist te beoordelen, en dat deze autoriteiten haar niet hebben ontraden om met de uitvoer te beginnen dan wel deze voort te zetten, waardoor zij zich op de uitzondering van overmacht kan beroepen.
27
Het BIRB bestrijdt dat het een hem toerekenbare fout heeft begaan en stelt zich daarentegen op het standpunt dat Eurofit niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die noodzakelijk waren om de geleden schade te voorkomen. Wat het voornoemde arrest De Haan betreft, is het BIRB van mening dat in die zaak uitspraak is gedaan in een ander rechtskader dan in het hoofdgeding en dat dus het betrokken arrest niet op de bepalingen van verordening nr. 3665/87 kan worden toegepast.
28
Met betrekking tot het betoog van BIRB dat het geen fout heeft begaan, merkt de verwijzende rechter op dat de door Eurofit ingeroepen uitzondering van overmacht niet samenvalt met het begrip fout van de bevoegde nationale autoriteiten. Dat deze autoriteiten Eurofit in voorkomend geval bewust in het ongewisse hebben gelaten over factoren die verband hielden met haar uitvoer, zelfs indien dit gerechtvaardigd was omdat een strafonderzoek was ingeleid, is volgens de verwijzende rechter daarentegen wel relevant voor de beoordeling van het begrip overmacht, aangezien Eurofit de betrouwbaarheid van haar medecontractant daardoor niet correct heeft beoordeeld.
29
In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vraag:
„Is sprake van overmacht in de zin van verordening nr. 3665/87 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, wanneer de bevoegde autoriteiten een marktdeelnemer niet de gevraagde informatie of opzettelijk verkeerde informatie verstrekken, en aldus zijn beoordeling van de betrouwbaarheid van een van fraude verdachte medecontractant vertekenen?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
30
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de bepalingen van verordening nr. 3665/87 aldus moeten worden uitgelegd dat sprake is van een geval van overmacht in de zin van deze verordening wanneer de bevoegde nationale autoriteiten de exporteur niet ervan op de hoogte brengen dat zijn medecontractant mogelijkerwijs fraude heeft gepleegd.
31
Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof onder het begrip „overmacht” abnormale en onvoorzienbare omstandigheden moeten worden verstaan die zich hebben voorgedaan buiten toedoen van degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen ondanks alle voorzorgsmaatregelen niet konden worden vermeden (arresten van 5 februari 1987, Denkavit België, 145/85, Jurispr. blz. 565, punt 11; 5 oktober 2006, Commissie/België, C-377/03, Jurispr. blz. I-9733, punt 95, en 18 maart 2010, SGS Belgium e.a., C-218/09, Jurispr. blz. I-2373, punt 44).
32
Aangezien het begrip overmacht op de verschillende gebieden van het recht van de Unie niet dezelfde inhoud heeft, moet de betekenis ervan worden vastgesteld met inachtneming van het wettelijk kader waarin het effect dient te sorteren (zie met name arresten van 7 december 1993, Huygen e.a., C-12/92, Jurispr. blz. I-6381, punt 30; 13 oktober 1993, An Bord Bainne Co-operative en Compagnie Inter-Agra, C-124/92, Jurispr. blz. I-5061, punt 10, en arrest SGS Belgium e.a., reeds aangehaald, punt 45).
33
Wat verordening nr. 3665/87 betreft, moet erop worden gewezen dat de artikelen 5 en 11 van deze verordening, betreffende de voorwaarden voor de betaling van de restitutie en de terugbetaling van ten onrechte betaalde bedragen en de toepasselijke sancties, uitdrukkelijk van het geval van overmacht gewagen.
34
Deze bepalingen hebben tot doel, de gevolgen van overmacht op het gebied van uitvoerrestituties te verduidelijken en te beperken (zie in die zin arrest van 29 september 1998, First City Trading e.a., C-263/97, Jurispr. blz. I-5537, punt 41).
35
Wat in de eerste plaats artikel 5, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 3665/87 betreft, geldt voor betaling van de restitutie niet alleen de voorwaarde dat het product het douanegebied van de Unie heeft verlaten, maar ook dat het in het derde land van uitvoer is ingevoerd (zie in die zin reeds aangehaalde arresten First City Trading e.a., punt 27, en SGS Belgium e.a., punt 40). De op het tijdstip van de feiten geldende regelgeving van de Unie bepaalt immers dat de uitvoerrestituties worden verleend op basis van louter objectieve criteria, met name inzake hoeveelheid, aard en kenmerken van het uitgevoerde product en de geografische bestemming ervan (arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister, C-210/00, Jurispr. blz. I-6453, punt 40).
36
In afwijking daarvan bepaalt artikel 5, lid 3, van verordening nr. 3665/87 dat de betaling van een restitutie niettemin is verzekerd wanneer het product, na het douanegebied van de Unie te hebben verlaten, onderweg als gevolg van overmacht verloren gaat, zodat het niet voor verbruik in het derde land van uitvoer kan worden vrijgegeven (arrest SGS Belgium e.a., reeds aangehaald, punt 43).
37
Aangezien artikel 5, lid 3, van verordening nr. 3665/87 een uitzondering op de normale regeling inzake uitvoerrestituties vormt, moet het strikt worden uitgelegd. Het bestaan van overmacht geldt als absolute voorwaarde voor aanspraak op uitbetaling van restituties voor uitgevoerde goederen die niet voor verbruik in het derde land van uitvoer zijn vrijgegeven, zodat dit begrip aldus moet worden uitgelegd dat het aantal gevallen dat voor uitbetaling in aanmerking komt, beperkt blijft (arrest SGS Belgium e.a., reeds aangehaald, punt 46, alsook, naar analogie, arrest van 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading/Commissie, C-38/07 P, Jurispr. blz. I-8599, punt 60).
38
Wat in de tweede plaats artikel 11 van verordening nr. 3665/87 betreft, volgt uit de eerste en de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 2945/94 dat het, gezien de ervaring die tot dusver is opgedaan, noodzakelijk is de strijd tegen onregelmatigheden – en met name tegen fraude ten nadele van de begroting van de Unie – te intensiveren, en dat derhalve voorschriften inzake de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en sancties moeten worden vastgesteld, waarbij het subjectieve schuldelement van de gepleegde fraude in dit opzicht irrelevant is (zie in die zin arrest Käserei Champignon Hofmeister, reeds aangehaald, punten 40 en 60). Voornoemd artikel 11 legt dan ook de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de aangifte, op straffe van sancties, bij de exporteur, juist om rekening te houden met diens rol als laatste schakel in de keten van productie, verwerking en uitvoer van landbouwproducten (zie in die zin arrest Käserei Champignon Hofmeister, reeds aangehaald, punten 62 en 81).
39
Aangaande de toepasselijke sanctie bepaalt artikel 11, lid 1, eerste alinea, sub a en b, van verordening nr. 3665/87 dat, wanneer een exporteur een hogere uitvoerrestitutie heeft gevraagd dan de voor het uitgevoerde product werkelijk geldende restitutie, de restitutie wordt verminderd met een bedrag dat gelijk is aan ofwel de helft van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de voor het daadwerkelijk uitgevoerde product geldende restitutie, ofwel het dubbele van het verschil tussen de gevraagde restitutie en de geldende restitutie, indien de exporteur opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt.
40
Het is dus enkel de hoogte van de sanctie die in geval van opzet toeneemt, en de in artikel 11, lid 1, eerste alinea, sub a, vastgestelde sanctie is ook van toepassing wanneer de exporteur niet verwijtbaar heeft gehandeld. In dit laatste geval blijft toepassing van de sanctie van artikel 11, lid 1, eerste alinea, uitsluitend achterwege in de gevallen die limitatief staan opgesomd in de derde alinea van deze bepaling (arrest van 24 april 2008, AOB Reuter, C-143/07, Jurispr. blz. I-3171, punt 17).
41
Tot de uitzonderingen van artikel 11, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 3665/87 behoren onder meer het geval van overmacht, enkele uitzonderlijke gevallen die zijn toe te schrijven aan niet aan de exporteur toe te rekenen omstandigheden, en een door de bevoegde autoriteit erkende klaarblijkelijke vergissing inzake de gevraagde restitutie.
42
Onderstreept moet evenwel worden dat exporteurs volgens deze bepalingen wel worden ontslagen van de verplichting een geldstraf te betalen, doch niet van de verplichting de als voorschot ontvangen restituties terug te betalen (zie in die zin arrest First City Trading e.a., reeds aangehaald, punt 46).
43
Het Hof heeft in dit verband geoordeeld dat de uitputtende opsomming in artikel 11, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 3665/87 niet kan worden uitgebreid met een nieuwe, met name aan het ontbreken van verwijtbaar gedrag van de exporteur ontleende, uitsluitingsgrond. Zelfs indien de fout of vergissing van een medecontractant van de exporteur voor deze laatste mogelijkerwijs een omstandigheid vormt die hem niet kan worden toegerekend, neemt dit immers niet weg dat die fout of vergissing tot de normale handelsrisico’s behoort en in het kader van handelstransacties dus niet als een onvoorzienbare omstandigheid kan worden aangemerkt. De exporteur is vrij bij de keuze van zijn medecontractanten en dient de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen, hetzij door daartoe strekkende clausules op te nemen in de met hen te sluiten overeenkomsten, hetzij door een bijzondere verzekering aan te gaan (zie in die zin de reeds aangehaalde arresten Käserei Champignon Hofmeister, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest AOB Reuter, punt 36).
44
In casu moet erop worden gewezen dat de feiten die in het hoofdgeding aan de orde zijn, geen geval van overmacht in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 3665/87 kunnen opleveren.
45
Het betrokken product, dat blijkens de verwijzingsbeslissing het grondgebied van de Unie waarschijnlijk nooit heeft verlaten, kan immers niet worden geacht onderweg verloren te zijn gegaan als gevolg van overmacht in de zin artikel 5, lid 3, van verordening nr. 3665/87.
46
Bovendien kan Eurofit zich evenmin beroepen op het geval van overmacht van artikel 11, lid 1, derde alinea, eerste streepje, van verordening nr. 3665/87. De medecontractant van Eurofit is namelijk strafrechtelijk veroordeeld voor vervalsing van documenten die voor uitvoerrestituties zijn gebruikt. Overeenkomstig de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak behoort een dergelijke omstandigheid tot de normale handelsrisico’s in het kader van handelstransacties, zodat deze omstandigheid in de contractuele verhouding betreffende een uitvoerverrichting waarvoor een restitutie wordt betaald, niet als een onvoorzienbare omstandigheid kan worden beschouwd.
47
Voorts moet worden benadrukt dat weliswaar rekening kan worden gehouden met de gedraging van een douaneautoriteit, zoals die welke in het hoofdgeding wordt verweten aan het BIRB, namelijk dat het de exporteur geen informatie heeft verstrekt of hem zelfs opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt, bij de beoordeling van de vraag of het om een uitzonderlijk geval gaat in de zin van artikel 11, lid 1, derde alinea, tweede streepje, van verordening nr. 3665/87, maar dat een dergelijke gedraging de betrokken exporteur niet vrijstelt van zijn verplichting om de ten onrechte ontvangen restituties terug te betalen (zie naar analogie arrest Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods Trading/Commissie, reeds aangehaald, punt 65).
48
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het voormelde arrest De Haan. In punt 32 van dat arrest heeft het Hof enerzijds verklaard dat het belang van een onderzoek dat erop gericht is, de daders of medeplichtigen van gepleegde of voorgenomen fraude te identificeren of aan te houden, kan rechtvaardigen dat de betrokken marktdeelnemer weloverwogen niet van alle of van bepaalde informatie in kennis wordt gesteld. In de punten 53 en 54 van datzelfde arrest heeft het Hof anderzijds geoordeeld dat het belang van een dergelijk onderzoek, wanneer de belastingplichtige geen enkele manipulatie of nalatigheid valt te verwijten, vanuit billijkheidsoogmerk een bijzondere situatie kon opleveren in de zin van de wettelijke regeling die voor de in die zaak aan de orde zijnde feiten gold, namelijk artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 (PB L 286, blz. 1).
49
Gelet op alle voorgaande overwegingen moet de gestelde vraag aldus worden beantwoord dat de omstandigheid dat de bevoegde douaneautoriteiten de exporteur niet op de hoogte hebben gebracht van het feit dat zijn medecontractant mogelijkerwijs fraude had gepleegd, geen geval van overmacht vormt in de zin van de bepalingen van verordening nr. 3665/87 en inzonderheid van artikel 11, lid 1, derde alinea, eerste streepje, van deze verordening. Ook al levert dit verzuim mogelijkerwijs een uitzonderlijk geval op in de zin van artikel 11, lid 1, derde alinea, tweede streepje, van verordening nr. 3665/87, het stelt de betrokken exporteur evenwel niet vrij van zijn verplichting om de ten onrechte ontvangen restituties terug te betalen en deze laatste hoeft daardoor enkel de bij voornoemd artikel 11 vastgestelde geldstraffen niet te betalen.
Kosten
50
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:
De omstandigheid dat de bevoegde douaneautoriteiten de exporteur niet op de hoogte hebben gebracht van het feit dat zijn medecontractant mogelijkerwijs fraude had gepleegd, vormt geen geval van overmacht in de zin van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2945/94 van de Commissie van 2 december 1994 en inzonderheid van artikel 11, lid 1, derde alinea, eerste streepje, van deze verordening. Ook al levert dit verzuim mogelijkerwijs een uitzonderlijk geval op in de zin van artikel 11, lid 1, derde alinea, tweede streepje, van verordening nr. 3665/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2945/94, het stelt de betrokken exporteur evenwel niet vrij van zijn verplichting om de ten onrechte ontvangen restituties terug te betalen en deze laatste hoeft daardoor enkel de bij voornoemd artikel 11 vastgestelde geldstraffen niet te betalen.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy