ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
5 december 2013 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij Ambtenarenstatuut — Verordeningen (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 en (EG, Euratom) nr. 723/2004 — Ambtenaren van de Unie — In nationaal stelsel verworven pensioenrechten — Overdracht aan pensioenstelsel van de Unie — Berekeningsmethode — Begrip ‚kapitaal dat overeenkomt met pensioenrechten’”
In zaak C‑166/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský soud v Praze (Tsjechië) bij beslissing van 27 maart 2012, ingekomen bij het Hof op 3 april 2012, in de procedure
Radek Časta
tegen Česká správa sociálního zabezpečení,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur), A. Rosas, D. Šváby en C. Vajda, rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 maart 2013,
gelet op de opmerkingen van:
—
Časta, vertegenwoordigd door hemzelf,
—
de Česká správa sociálního zabezpečení, vertegenwoordigd door J. Laumannová, advokátka,
—
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en D. Hadroušek als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin en P. Němečková als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 juni 2013,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (PB 1968, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 (PB L 124, blz. 1; hierna: „Statuut”), en van artikel 4, lid 3, VEU.
2
Dit verzoek is gerezen in het kader van een geding tussen R. Časta en de Česká správa sociálního zabezpečení (het socialezekerheidsorgaan van de Tsjechische Republiek; hierna: „ČSSZ”) ter zake van de berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die hij in het nationale pensioenstelsel heeft verworven en dat ten behoeve van hem kan worden overgedragen aan het pensioenstelsel van de Unie.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, in de versie van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 571/92 van de Raad van 2 maart 1992 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (PB L 62, blz. 1), luidt:
„De ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na:
—
de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd, of,
—
in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt,
kan bij zijn aanstelling in vaste dienst hetzij de actuariële tegenwaarde van, hetzij de afkoopsom voor de rechten op ouderdomspensioen die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, aan de Gemeenschappen doen betalen.
[...]”
4
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, in de versie van verordening nr. 723/2004, bepaalt:
„De ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na:
—
de dienst bij een overheidsorgaan, of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd, of,
—
in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt,
kan, na zijn aanstelling in vaste dienst, doch vóór het tijdstip waarop hij het recht op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 van het Statuut verkrijgt, het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, geactualiseerd tot op de dag waarop de overdracht plaatsvindt, aan de Gemeenschappen doen betalen.
In dat geval bepaalt de instelling waarbij de ambtenaar werkzaam is, met inachtneming van het basissalaris, de leef[tijd] en de wisselkoers op het ogenblik dat om overdracht is verzocht, door middel van algemene uitvoeringsbepalingen het aantal pensioenjaren dat zij volgens de communautaire pensioenregeling aanrekent uit hoofde van de vroegere diensttijd op basis van het overgeschreven kapitaal, verminderd met het bedrag dat overeenkomt met de herwaardering van het kapitaal tussen de datum van het verzoek om overdracht en de datum waarop de overdracht plaatsvindt.
Van deze mogelijkheid kan de ambtenaar per lidstaat en per pensioenfonds slechts éénmaal gebruik maken.”
5
Artikel 6 van het besluit van de Commissie van 28 april 2004 betreffende de algemene uitvoeringsbepalingen van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Statuut (Mededelingen van de administratie nr. 60‑2004 van 9 juni 2004) luidt:
„Van elk over te dragen bedrag, verschuldigd door het pensioenstelsel waarbij de functionaris was aangesloten, moet worden bevestigd dat het het geactualiseerde kapitaal vormt overeenkomende met de pensioenrechten die vóór de indiensttreding bij de Gemeenschappen of, in het geval van een verzoek uit hoofde van artikel 11, lid 3, van bijlage VIII bij het Statuut, vóór zijn verzoek om herplaatsing zijn verworven.
Het over te dragen bedrag moet overeenkomen met dit gehele kapitaal. Het kan overeenkomen met rechten voortvloeiende uit tijdvakken die in dienst van verschillende overheidsorganen, organisaties of in het kader van verschillende werkzaamheden al dan niet in loondienst zijn vervuld.”
Tsjechisch recht
6
Op grond van de §§ 3 tot en met 5 van wet nr. 589/1992 inzake de socialezekerheidsbijdragen en de bijdragen tot het werkgelegenheidsbeleid van de overheid, zoals gewijzigd, dienen de pensioenbijdragen door de werkgever en door de werknemer te worden betaald. Het bijdragepercentage van de werkgever bedroeg van 1996 tot en met 2003 19,5 % en bedraagt sinds 2004 21,5 %, waarbij de pensioengrondslag van die werkgeversbijdragen gelijk is aan de som van de pensioengrondslagen van alle werknemers van de betrokken werkgever. Gedurende deze periode bedroeg het bijdragepercentage van de werknemers 6,5 % van de pensioengrondslag.
7
Volgens de §§ 33 tot en met 36 van wet nr. 155/1995 inzake de pensioenverzekering, zoals gewijzigd (hierna: „wet nr. 155/1995”), bestaat het bedrag van het ouderdomspensioen uit de som van een basisbedrag, dat hetzelfde is voor alle pensioenaanvragers, en een variabel bedrag waarvan de hoogte afhankelijk is van de totale verzekeringsduur van de aanvrager en van de hoogte van zijn berekeningsgrondslag.
8
Volgens § 34, lid 1, van die wet komt de hoogte van het variabele bedrag voor elk volledig verzekeringsjaar overeen met maandelijks 1,5 % van de berekeningsgrondslag. Tijdvakken waarin doorgaans geen noemenswaardig inkomen werd verworven (zogenoemde „vervangende verzekeringstijdvakken”), bijvoorbeeld wegens de verzorging van minderjarige kinderen of studie, worden met het oog op de verzekeringsduur voor 80 % in aanmerking genomen.
9
Volgens § 15 van wet nr. 155/1995 is de berekeningsgrondslag afhankelijk van de individuele pensioengrondslag van de werknemer. Die bestaat volgens § 16 van die wet uit het gemiddelde maandinkomen, geactualiseerd op de datum van berekening, waarover gedurende de gehele verzekeringsduur, maar maximaal gedurende de laatste 30 jaar, pensioenbijdragen zijn betaald. Bij een individuele pensioengrondslag lager dan of gelijk aan 10000 CZK, komt de berekeningsgrondslag overeen met de individuele grondslag. Bedragen boven deze drempel worden tot 24800 CZK voor 30 % in aanmerking genomen in de berekeningsgrondslag, bedragen boven 24800 CZK voor 10 %.
10
Vervangende verzekeringstijdvakken worden meegeteld in de verzekeringsperiode. Ter berekening van de individuele pensioengrondslag wordt de betrokken periode verminderd met zogenoemde uitgesloten tijdvakken, die in wezen overeenkomen met de vervangende verzekeringstijdvakken.
11
Volgens § 105 bis, leden 1 en 4, van wet nr. 155/1995, die strekt tot omzetting van de bepalingen van het Statuut, hebben verzekerden die ambtenaar of een ander personeelslid van de Europese Gemeenschappen zijn geworden en hun winstgevende werkzaamheid in de Tsjechische Republiek hebben beëindigd, recht op overdracht van hun in die Republiek verworven pensioenrechten aan het pensioenstelsel van de Gemeenschappen indien zij uit hoofde van de Tsjechische pensioenverzekering geen pensioen ontvangen, met dien verstande dat onder „pensioenrechten wordt verstaan [...] een geldbedrag dat overeenkomt met de actuariële tegenwaarde op basis van de vervulde tijdvakken van verzekering en van de pensioengrondslagen”.
12
Verordening van de regering nr. 587/2006 houdende vaststelling van nadere bepalingen over de overdracht van pensioenrechten aan en van het pensioenstelsel van de Gemeenschappen (hierna: „verordening van de regering nr. 587/2006”), bevat nadere bepalingen over de overdracht van de pensioenrechten van een Tsjechisch ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen is getreden. In § 2 ervan zijn de regels opgenomen voor de berekening van het over te dragen bedrag aan pensioenrechten dat in de Tsjechische Republiek is verworven. Deze paragraaf luidt:
„1) De hoogte van het over te dragen bedrag overeenkomend met de in de Tsjechische Republiek verworven pensioenrechten wordt berekend door de eenheidswaarde van het uitgestelde pensioen te vermenigvuldigen met de som van het verwachte variabele gedeelte van het ouderdomspensioen en een proportioneel gedeelte van het basisbedrag van het ouderdomspensioen.
2) Het verwachte variabele bedrag van het ouderdomspensioen wordt volgens de procedure van § 34, lid 1, van de wet inzake de pensioenverzekering aldus berekend dat de verzekeringsduur en de berekeningsgrondslag worden bepaald op de peildatum; de peildatum is de datum waarop wordt verzocht om overdracht van de pensioenrechten bij de bevoegde instelling van de Europese Gemeenschappen [...]. Met het oog op de bepaling van de individuele berekeningsgrondslag wordt het tijdvak van aansluiting bij het pensioenstelsel van de Europese Gemeenschappen als uitgesloten tijdvak beschouwd. [...]
3) Het proportionele gedeelte van het basisbedrag van het ouderdomspensioen wordt berekend door het op de peildatum geldende basisbedrag van het ouderdomspensioen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het tijdvak van aansluiting bij het Tsjechische pensioenstelsel vanaf die datum en de verzekeringstijdvakken tot de datum waarop degene die om overdracht van pensioenrechten verzoekt [...] de pensioengerechtigde leeftijd overeenkomstig de op peildatum vigerende bepalingen heeft bereikt. [...]
4) De eenheidswaarde van het uitgestelde pensioen wordt bepaald met inaanmerkingneming van de leeftijd van de aanvrager op de peildatum, [...] de op de peildatum geldende sterftetabellen en 70 % van de waarde van de op de peildatum geldende maximale technische rentevoet die bij wettelijke bepaling is vastgesteld voor verzekeringsdoeleinden [...]
5) Ter bepaling van de eenheidswaarde van het uitgestelde pensioen wordt gebruik gemaakt van de sterftetabellen van het Ministerie van Werkgelegenheid en Sociale Zaken, die voor mannen en vrouwen gelijk zijn en worden vastgesteld voor periodes van telkens vijf opeenvolgende kalenderjaren.
6) Het overeenkomstig de leden 1 tot en met 5 berekende bedrag wordt verhoogd met een geldbedrag overeenkomend met de rente over de volgens de leden 1 tot en met 5 berekende som voor het tijdvak tussen de peildatum en de dag voorafgaand aan die van overdracht van het geldbedrag [...] op de rekening van pensioenstelsel van de Europese Gemeenschappen. [...]”
13
De bijlage bij verordening van de regering nr. 587/2006 bevat de formule voor de berekening van de eenheidswaarde van het uitgestelde pensioen. De maximale technische rentevoet is in artikel 12, lid 1, eerste volzin, van verordening van de regering nr. 434/2009 bepaald op de gemiddelde rentevoet van de Tsjechische overheidsobligaties.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14
Časta, ambtenaar van de Europese Commissie, was vóór zijn indiensttreding bij de Commissie op 1 december 2006 aangesloten bij het Tsjechische pensioenstelsel, waaraan de voor hem verschuldigde bijdragen zijn betaald.
15
Op 28 november 2008 vroeg hij de Commissie op basis van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut om overdracht van zijn in de Tsjechische Republiek verworven pensioenrechten.
16
Dit verzoek is voorgelegd aan de ČSSZ, die op 8 februari 2011 een besluit heeft genomen waarin hij voorstelde om een bedrag van 523584 CZK over te dragen, welk bedrag was berekend krachtens de nationale regeling. Dit bedrag was minder dan de helft van de totale bijdragen die tot die datum ten behoeve van Časta aan het Tsjechische pensioenstelsel waren betaald.
17
Časta tekende bezwaar aan tegen dat besluit. Zijns inziens is de in de Tsjechische regeling vastgestelde berekeningsmethode in strijd met artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en artikel 4, lid 3, VEU. Het over te dragen bedrag moet naar zijn mening bij benadering overeenkomen met het totale bedrag van de betaalde bijdragen of zelfs hoger liggen. Tevens is in zijn ogen sprake van schending van het beginsel van gelijke behandeling. Bovendien komt hij op tegen het feit dat bij de berekening van zijn pensioenrechten geen rekening is gehouden met het tijdvak waarin hij bijdragen aan het pensioenstelsel van de Unie heeft betaald.
18
De ČSSZ wees dit bezwaar af bij besluit van 10 mei 2011. Op 12 mei 2011 heeft Časta bij de Krajský soud v Praze (regionale rechtbank te Praag) beroep tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld.
19
Daarop heeft de Krajský soud v Praze de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Hoe moet het begrip ‚kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten’ in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij [het Statuut] worden begrepen? Omvat dit begrip zowel het bedrag van de pensioenrechten in de vorm van de actuariële tegenwaarde bedoeld in artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut in de versie die van kracht was vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 723/2004, als het bedrag van de pensioenrechten in de vorm van de afkoopsom bedoeld in deze bepaling, of moet het worden gelijkgesteld met slechts één van die twee begrippen, en, indien dit niet het geval is, waarin verschilt het van die begrippen?
2)
Staat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut, juncto artikel 4, lid 3, [VEU] eraan in de weg dat de methode voor de berekening van de pensioenrechten wordt toegepast waarin is voorzien in § 105 bis, lid 1, van wet nr. 155/1995 betreffende de pensioenverzekering en in verordening van de regering nr. 587/2006 [...]? Is het in dit verband relevant dat die berekeningsmethode in een concreet geval tot gevolg heeft dat de voor overdracht aan het pensioenstelsel [van de Unie] aangeboden pensioenrechten niet eens de helft bedragen van het bedrag van de door een ambtenaar aan het nationale pensioenstelsel betaalde bijdragen?
3)
Moet het arrest [van 16 december 2004, My (C-293/03, Jurispr. blz. I-12013)] aldus worden uitgelegd dat voor de berekening van de waarde van de aan het pensioenstelsel van de Unie over te dragen pensioenrechten volgens een actuariële methode gebaseerd op het tijdvak van verzekering, de individuele pensioengrondslag ook het tijdvak dient te omvatten waarin de ambtenaar van de [Unie] vóór de datum van indiening van een verzoek om overdracht van pensioenrechten al bijdragen heeft betaald aan het pensioenstelsel [van de Unie]?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
20
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat het bedrag van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten kan bepalen door middel van de actuariële tegenwaarde of de afkoopsom, zoals voorzien in deze bepaling van het Statuut vóór de wijziging ervan bij verordening nr. 723/2004, of dat hij uitsluitend één van die methodes moet toepassen.
21
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut in de versie van verordening nr. 571/92, vóór de wijziging ervan bij verordening nr. 723/2004, bepaalde dat de ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na de dienst bij een overheidsorgaan of bij een nationale of internationale organisatie te hebben beëindigd, dan wel na in loondienst of als zelfstandige te hebben gewerkt, bij zijn aanstelling in vaste dienst hetzij de actuariële tegenwaarde van hetzij de afkoopsom voor de rechten op ouderdomspensioen die hij uit hoofde van bovengenoemde activiteiten heeft verworven, aan de Gemeenschappen kon doen betalen.
22
Deze bepaling bood de lidstaten een alternatief bij de vervulling van hun verplichting om de noodzakelijke nationale maatregelen te treffen om de ambtenaren van de instellingen de mogelijkheid te garanderen, hun ouderdomspensioenrechten over te dragen aan het communautaire pensioenstelsel. Daar zij niet gehouden waren om de ambtenaren de mogelijkheid te bieden te kiezen tussen de overdracht van de actuariële tegenwaarde of van de afkoopsom, waren de lidstaten dus vrij om één van de twee berekeningsmethodes te kiezen (zie in die zin arrest van 17 december 1987, Commissie/Luxemburg, 315/85, Jurispr. blz. 5391, punten 20‑22).
23
Deze keuzevrijheid van de lidstaten is uitgebreid door de wijziging van het Statuut bij verordening nr. 723/2004, waarna artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bepaalt dat de ambtenaar die in dienst van de Gemeenschappen treedt na zijn aanstelling in vaste dienst, doch vóór het tijdstip waarop hij het recht op een ouderdomspensioen in de zin van artikel 77 van het Statuut verkrijgt, het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die hij uit hoofde van zijn vroegere activiteiten heeft verworven, geactualiseerd tot op de dag waarop de overdracht plaatsvindt, aan de Gemeenschappen kan doen betalen.
24
Doordat thans alleen het begrip „kapitaal dat overeenkomt met de verworven pensioenrechten” wordt gebruikt, heeft de wetgever van de Unie de lidstaten de mogelijkheid geboden om de methode van hun keuze toe te passen bij de bepaling van het geldbedrag dat aan het pensioenstelsel van de Unie moet worden overgemaakt, voor zover dat bedrag feitelijk de pensioenrechten vertegenwoordigt die uit hoofde van de vroegere werkzaamheden van de betrokken ambtenaar zijn verworven.
25
De lidstaten kunnen dus hetzij de methode van de „actuariële tegenwaarde” toepassen, die dient ter berekening van de actuele waarde van een toekomstige en onzekere pensioenuitkering, waarvan het bedrag normaliter wordt verminderd teneinde rekening te houden met vervroegde betaling en het risico van overlijden vóór de vervaldatum, hetzij de methode van de „afkoopsom”, welke wordt verkregen door optelling van de bijdragen die de verzekerde en zijn werkgever hebben betaald, eventueel vermeerderd met rente (zie met betrekking tot die berekeningsmethodes, arrest van 18 maart 1982, Bodson, 212/81, Jurispr. blz. 1019, punten 7 en 8), hetzij andere methodes.
26
In deze omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat het bedrag van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten kan bepalen door zich hetzij op de methode van de actuariële tegenwaarde te baseren, hetzij op die van de afkoopsom hetzij op andere methodes, voor zover het over te dragen bedrag feitelijk overeenkomt met de pensioenrechten die zijn verworven uit hoofde van de vroegere activiteiten van de betrokken ambtenaar.
Tweede vraag
27
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en artikel 4, lid 3, VEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen het gebruik van een berekeningsmethode van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten die uit hoofde van vroegere activiteiten in het nationale pensioenstelsel zijn verworven zoals gedefinieerd door de Tsjechische regeling, en of het antwoord op die vraag wordt beïnvloed door de omstandigheid dat die methode tot gevolg heeft dat het bedrag van het aan het pensioenstelsel van de Unie over te dragen kapitaal wordt vastgesteld op een hoogte die niet eens de helft bedraagt van de bijdragen die de ambtenaar en zijn voormalig werkgever aan het nationale pensioenstelsel hebben betaald.
28
Om de coördinatie van de nationale pensioenstelsels en dat van de Unie te verzekeren, moeten twee opeenvolgende handelingen worden verricht, waarvan de tweede bestaat in de omzetting van het kapitaal dat overeenkomt met de in het nationale stelsel verworven pensioenrechten in dienstjaren die in het pensioenstelsel van de Unie in aanmerking moeten worden genomen. Deze omzetting wordt door de instellingen verricht overeenkomstig de door hen vastgestelde algemene uitvoeringsbepalingen van voormeld artikel 11. Deze handeling wordt beheerst door het Unierecht.
29
De eerste handeling behoort echter tot de uitsluitende bevoegdheid van het nationaal orgaan dat belast is met het beheer van het pensioenstelsel waarbij de betrokkene vóór zijn indiensttreding bij de Unie was aangesloten, daar bij die handeling het kapitaal wordt bepaald dat overeenkomt met de pensioenrechten die op grond van de relevante regeling van de betrokken lidstaat in het nationale stelsel zijn verworven (zie arrest van 9 november 1989, Bonazzi-Bertottilli e.a./Commissie, 75/88, 146/88 en 147/88, Jurispr. blz. 3599, punt 17).
30
Met betrekking tot de verschillende nationale stelsels zij opgemerkt dat de wetgever van de Unie met artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut geen harmonisatie beoogde van de verschillende nationale bepalingen op pensioengebied die worden gekenmerkt door een grote verscheidenheid en ingewikkeldheid (zie arrest Commissie/Luxemburg, reeds aangehaald, punt 21). Zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt uit artikel 48 VWEU en artikel 153, lid 4, VWEU overigens dat in het Unierecht wordt erkend dat de lidstaten bevoegd zijn om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen.
31
Hieruit volgt dat de lidstaten over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken bij de vaststelling van hun nationale regelingen ter uitvoering van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut.
32
Dit geldt met name voor de methode waarbij de lidstaten het bedrag bepalen van het kapitaal dat overeenkomt met de in het nationale stelsel verworven pensioenrechten die door het pensioenstelsel van de Unie in aanmerking moeten worden genomen, waarbij die methode echter moet worden vastgesteld in overeenstemming met de aard van de beginselen en regels die hun pensioenstelsel beheersen.
33
De lidstaten hebben met name de mogelijkheid om een pensioenstelsel in te voeren door middel van kapitalisatie, waarbij de ouderdomspensioenen evenredig zijn aan de bijdragen, of juist een stelsel gebaseerd op een zekere mate van solidariteit, waarbij de pensioenen die in het kader van dat stelsel worden betaald niet noodzakelijkerwijs evenredig zijn aan de bijdragen.
34
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat in het in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale pensioenstelsel de pensioenbedragen waarop de gepensioneerden recht hebben worden berekend volgens een formule die rekening houdt met de volledige periode waarin bijdragen aan de ouderdomsverzekering werden betaald en met het niveau van het inkomen, waarbij dit laatste bestanddeel echter duidelijk degressief is. In dat stelsel geeft een hoger inkomen weliswaar recht op een hoger pensioen, maar wordt slechts in beperkte mate rekening gehouden met bedragen boven bepaalde inkomensgrenzen.
35
Daar een dergelijk omslagstelsel een sterk solidair karakter heeft, is duidelijk dat het kapitaal dat overeenkomt met de verworven pensioenrechten niet overeenstemt met de volledige bijdragen die de werkgever en zijn werknemer uit hoofde van de ouderdomsverzekering van laatstgenoemde hebben betaald.
36
Indien de berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten logischerwijs voortvloeit uit de aard, de beginselen en de regels van het in een lidstaat geldende pensioenstelsel, kan de conformiteit van die berekeningsmethode met het recht van de Unie niet ter discussie worden gesteld. Alleen wanneer de berekeningswijzen van dat kapitaal ten voor‑ of ten nadele van de ambtenaar aanzienlijk afwijken van de beginselen en de regels van het nationale pensioenstelsel, kan de regeling van de betrokken lidstaat mogelijk een belemmering opleveren van het door artikel 45 VWEU gegarandeerde vrije verkeer van werknemers of in strijd zijn met de verplichtingen van artikel 4, lid 3, VEU.
37
Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft een ambtenaar van de Unie de hoedanigheid van migrerend werknemer (zie arresten My, reeds aangehaald, punt 37, en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsmede van 16 februari 2006, Öberg, C-185/04, Jurispr. blz. I-1453, punt 12, en 4 juli 2013, Gardella, C‑233/12, punt 25) en zijn de lidstaten krachtens artikel 4, lid 3, VEU gehouden om de overdracht aan het pensioenstelsel van de Unie mogelijk te maken van pensioenrechten die haar ambtenaren uit hoofde van hun vroegere werkzaamheden hebben verworven en om daartoe een berekeningsmethode te definiëren (zie in die zin arrest van 17 juli 1997, Commissie/Spanje, C-52/96, Jurispr. blz. I-4637, punt 9).
38
De in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals uiteengezet in de punten 11 en 12 van dit arrest, lijkt niet af te wijken van de aard van de beginselen en de regels van het nationale pensioenstelsel. Niettemin dient de nationale rechter na te gaan of dit daadwerkelijk zo is, met name in het geval waarin een verzoeker sterke aanwijzingen voor het tegendeel zou geven. Wanneer de nationale bepalingen de overdracht van pensioenrechten naar een ander nationaal stelsel of naar een stelsel van een internationale organisatie mogelijk maken, moet hij tevens nagaan of de berekening van het aan het pensioenstelsel van de Unie over te dragen bedrag niet is geschied op een wijze die ongunstiger is dan de berekening van het aan die andere stelsels over te dragen bedrag. Dat de toegepaste berekeningsmethode leidt tot een over te dragen bedrag dat minder dan de helft bedraagt van de bijdragen die de ambtenaar en zijn voormalige werkgever aan het nationale pensioenstelsel hebben betaald, vormt op zich niet een dergelijke aanwijzing. Voorts volgt uit het aan het Hof overgelegde dossier niet dat de nationale bepalingen de overdracht van pensioenrechten aan een ander (inter)nationaal stelsel mogelijk maken.
39
Overigens kan een ambtenaar die vraagt om zijn in een pensioenstelsel van een lidstaat verworven pensioenrechten te mogen overdragen aan het pensioenstelsel van de Unie niet met succes stellen dat er sprake is van een verboden discriminatie in vergelijking met ambtenaren van de Unie die uit andere lidstaten afkomstig zijn en welke volgt uit het gebruik van een andere methode om het over te dragen kapitaal te berekenen. In dat geval is de verschillende behandeling immers het gevolg van de bevoegdheid van de lidstaten om hun pensioenstelsel te organiseren en van de beoordelingsbevoegdheid waarover zij in dat opzicht beschikken.
40
In deze omstandigheden moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en artikel 4, lid 3, VEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen het gebruik van een methode ter berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de eerder verworven pensioenrechten zoals gedefinieerd in de Tsjechische regeling, zelfs al heeft die methode tot gevolg dat het bedrag van het aan het pensioenstelsel van de Unie over te dragen kapitaal wordt vastgesteld op een hoogte die niet eens de helft bedraagt van de bijdragen die de ambtenaar en zijn vroegere werkgever aan het nationale pensioenstelsel hebben betaald.
Derde vraag
41
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en artikel 4, lid 3, VEU aldus moeten worden uitgelegd dat voor de berekening van het bedrag van het kapitaal dat overeenkomt met de eerder verworven pensioenrechten en bestemd is om te worden overgedragen aan het pensioenstelsel van de Unie, rekening moet worden gehouden met de periode gedurende welke de ambtenaar reeds bij laatstgenoemd stelsel was aangesloten.
42
Met betrekking tot het reeds aangehaalde arrest My, dat de verwijzende rechter in zijn derde vraag noemt, zij eraan herinnerd dat het Hof in punt 49 van dat arrest heeft geoordeeld dat artikel 4, lid 3, VEU, in samenhang met het Statuut, zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan het niet is toegestaan dat voor het ontstaan van een recht op een ouderdomspensioen krachtens het nationale stelsel rekening wordt gehouden met de door een onderdaan van de Unie in dienst van een instelling van de Unie gewerkte jaren.
43
Terwijl het in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest My heeft geleid ging om de inaanmerkingneming van tijdvakken van werkzaamheden bij instellingen van de Unie met het oog op het ontstaan van een recht op een ouderdomspensioen krachtens het nationale pensioenstelsel, vraagt verzoeker in het hoofdgeding voor de verwijzende rechter echter om in de betrokken lidstaat rekening te houden met tijdvakken van werkzaamheden als ambtenaar van de Commissie met het oog op de bepaling van het bedrag dat van het nationale pensioenstelsel wordt overgedragen aan dat van de Unie.
44
Daar de situatie die tot het reeds aangehaalde arrest My heeft geleid verschilt van die van het hoofdgeding, kan dat arrest geen gegevens verstrekken voor het antwoord dat op de derde vraag moet worden gegeven.
45
Uit artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut volgt ondubbelzinnig dat de pensioenrechten die een ambtenaar vanuit het in een lidstaat geldende pensioenstelsel mag doen overdragen aan het pensioenstelsel van de Unie, alleen die zijn welke zijn verworven uit hoofde van werkzaamheden die hij vóór zijn indiensttreding bij de Unie heeft verricht.
46
Deze bepaling wordt overigens gepreciseerd in het besluit van de Commissie van 28 april 2004 betreffende de algemene uitvoeringsbepalingen van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Statuut, waarvan artikel 6, eerste alinea, bepaalt dat „[v]an elk over te dragen bedrag, verschuldigd door het pensioenstelsel waarbij de functionaris was aangesloten, moet worden bevestigd dat het het geactualiseerde kapitaal vormt overeenkomende met de pensioenrechten die vóór de indiensttreding bij de Gemeenschappen [...] zijn verworven”.
47
Gelet op het voorgaande, moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut en artikel 4, lid 3, VEU aldus moeten worden uitgelegd dat voor de berekening van het bedrag van het kapitaal dat overeenkomt met de in het nationale pensioenstelsel verworven pensioenrechten en bestemd is om te worden overgedragen aan het pensioenstelsel van de Unie, geen rekening behoeft te worden gehouden met de periode gedurende welke de ambtenaar reeds bij laatstgenoemd stelsel was aangesloten.
Kosten
48
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1)
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn, zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat het bedrag van het kapitaal dat overeenkomt met de pensioenrechten kan bepalen door zich hetzij op de methode van de actuariële tegenwaarde te baseren, hetzij op die van de afkoopsom hetzij op andere methodes, voor zover het over te dragen bedrag feitelijk overeenkomt met de pensioenrechten die zijn verworven uit hoofde van de vroegere activiteiten van de betrokken ambtenaar.
2)
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij verordening nr. 259/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 723/2004, en artikel 4, lid 3, VEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen het gebruik van een methode ter berekening van het kapitaal dat overeenkomt met de eerder verworven pensioenrechten zoals gedefinieerd in de Tsjechische regeling, zelfs al heeft die methode tot gevolg dat het bedrag van het aan het pensioenstelsel van de Unie over te dragen kapitaal wordt vastgesteld op een hoogte die niet eens de helft bedraagt van de bijdragen die de ambtenaar en zijn vroegere werkgever aan het nationale pensioenstelsel hebben betaald.
3)
Artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij verordening nr. 259/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 723/2004, en artikel 4, lid 3, VEU moeten aldus worden uitgelegd dat voor de berekening van het bedrag van het kapitaal dat overeenkomt met de in het nationale pensioenstelsel verworven pensioenrechten en bestemd is om te worden overgedragen aan het pensioenstelsel van de Unie, geen rekening behoeft te worden gehouden met de periode gedurende welke de ambtenaar reeds bij laatstgenoemd stelsel was aangesloten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.
Full & Egal Universal Law Academy