ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
5 juni 2014 ( *1 )
„Niet-nakoming — Interne markt voor energie — Gastransport — Verordening (EG) nr. 715/2009 — Artikelen 14, lid 1, en 16, lid 1 en lid 2, sub b — Verplichting om maximale capaciteit te garanderen — Virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting — Ontvankelijkheid”
In zaak C‑198/12,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 26 april 2012,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, S. Petrova, O. Beynet en T. Scharf als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Republiek Bulgarije, vertegenwoordigd door D. Drambozova, E. Petranova en Y. Atanasov als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász, A. Rosas, D. Šváby en C. Vajda (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 september 2013,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 november 2013,
het navolgende
Arrest
1
De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Republiek Bulgarije door geen diensten voor virtueel gastransport in tegengestelde richting te hebben aangeboden aan alle marktspelers, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 14, lid 1, juncto artikel 16, lid 1 en lid 2, sub b, van verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1775/2005 (PB L 211, blz. 36).
Toepasselijke bepalingen
2
De niet-nakomingsprocedure die de Commissie tegen de Republiek Bulgarije heeft gestart, was aanvankelijk gebaseerd op de artikelen 4, lid 1, en 5, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 1775/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (PB L 289, blz. 1), die tijdens de precontentieuze procedure bij verordening nr. 715/2009 is ingetrokken met ingang van 3 maart 2011. Die bepalingen zijn vervangen door de artikelen 14, lid 1, en 16, leden 1 en 2, van verordening nr. 715/2009.
3
Artikel 1 van verordening nr. 1775/2005 is vervangen door artikel 1 van verordening nr. 715/2009, „Toepassingsgebied”. Artikel 1, eerste alinea, sub a, van deze verordening luidt als volgt:
„Deze verordening beoogt:
a)
niet-discriminerende regels vast te stellen betreffende de toegangsvoorwaarden voor aardgastransmissiesystemen, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van nationale en regionale markten, teneinde een goede werking van de interne markt voor gas te waarborgen”.
4
Artikel 2 van verordening nr. 715/2009 heeft als opschrift „Definities”. Artikel 2, lid 1, van deze verordening, dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1775/2005 vervangt, bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:
1)
‚transmissie’: het transport van aardgas door een net dat vooral bestaat uit hogedrukpijpleidingen, met uitzondering van een upstreampijpleidingnet en van het gedeelte van hogedrukpijpleidingen dat in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie wordt gebruikt, met het oog op de belevering van afnemers, de levering zelf niet inbegrepen;
[...]
3)
‚capaciteit’: de maximale flow, uitgedrukt in normale kubieke meter per tijdseenheid of in energie-eenheid per tijdseenheid, waarop de netgebruiker op grond van het transportcontract recht heeft;
[...]
5)
‚congestiebeheer’: beheer van de capaciteitsportefeuille van de transmissiesysteembeheerder met het oog op het optimale en maximale gebruik van de technische capaciteit en de tijdige detectie van toekomstige congestie‑ en saturatiepunten;
[...]
7)
‚nominatie’: het vooraf opgeven door de netgebruiker aan de transmissiesysteembeheerder van de werkelijke flow die hij wil invoeden op of onttrekken aan het systeem;
[...]
9)
‚systeemintegriteit’: elke situatie met betrekking tot een transmissienet, met inbegrip van de noodzakelijke transmissiefaciliteiten, waarin de druk en de kwaliteit van het aardgas binnen de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde minimum‑ en maximumgrenzen blijven, zodat de transmissie van aardgas uit een technisch oogpunt gegarandeerd is;
[...]
18)
‚technische capaciteit’: de maximale vaste capaciteit die de transmissiesysteembeheerder aan de netgebruikers kan aanbieden, rekening houdend met de systeemintegriteit en de operationele eisen van het transmissienet;
[...]
20)
‚beschikbare capaciteit’: het deel van de technische capaciteit dat niet is gealloceerd en op een gegeven moment nog beschikbaar is voor het systeem;
21)
‚contractuele congestie’: een situatie waarbij het niveau van de vraag naar vaste capaciteit groter is dan de technische capaciteit;
[...]
23)
‚fysieke congestie’: een situatie waarbij op een bepaald tijdstip het niveau van de vraag naar werkelijke leveringen groter is dan de technische capaciteit”.
5
Artikel 14 van verordening nr. 715/2009 heeft als opschrift „Derdentoegangsdiensten bij transmissiesysteembeheerders”. Artikel 14, lid 1, van deze verordening, dat artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1775/2005 vervangt, bepaalt:
„Transmissiesysteembeheerders:
a)
waarborgen dat zij op niet-discriminerende basis diensten aan alle netgebruikers aanbieden;
b)
bieden zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten aan. De prijs van afschakelbare capaciteit is een afspiegeling van de waarschijnlijkheid van afschakeling;
c)
[bieden] de netgebruikers zowel lange‑ als kortetermijndiensten [aan.]
Wanneer in verband met punt [a] van de eerste alinea een transmissiesysteembeheerder dezelfde dienst aan meerdere afnemers aanbiedt, geschiedt dit onder gelijkwaardige contractuele voorwaarden, met gebruikmaking van geharmoniseerde transportcontracten of een [gemeenschappelijke netcode, goedgekeurd] door de bevoegde instantie volgens de procedure van artikel 41 van richtlijn 2009/73/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG (PB L 211, blz. 94)].”
6
Artikel 16 van verordening nr. 715/2009 heeft als opschrift „Beginselen inzake mechanismen voor capaciteitsallocatie en procedures voor congestiebeheer bij transmissiesysteembeheerders”. Artikel 16, leden 1 en 2, van deze verordening, dat artikel 5, leden 1 en 2, van verordening nr. 1775/2005 vervangt, luidt:
„1. Marktspelers krijgen de beschikking over de maximale capaciteit op alle relevante punten waaraan in artikel 18, lid 3, wordt gerefereerd, met inachtneming van systeemintegriteit en efficiënte netexploitatie.
2. Transmissiesysteembeheerders implementeren en publiceren niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie, welke:
a)
passende economische signalen geven voor een efficiënt en maximaal gebruik van de technische capaciteit en investeringen in nieuwe infrastructuur vergemakkelijken en de grensoverschrijdende uitwisseling van aardgas bevorderen;
b)
zorgen voor compatibiliteit met de marktmechanismen, met inbegrip van spotmarkten en trading hubs en tevens flexibel en in staat zijn zich aan veranderende marktomstandigheden aan te passen;
c)
compatibel zijn met de nettoegangssystemen van de lidstaten.”
Precontentieuze procedure
7
Op 26 juni 2009 heeft de Commissie de Republiek Bulgarije een aanmaningsbrief gestuurd, waarin zij stelde dat deze lidstaat met name niet had voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 4, lid 1, en 5, leden 1 en 2, van verordening nr. 1775/2005, welke artikelen zijn vervangen door de artikelen 14, lid 1, en 16, lid 1 en lid 2, sub b, van verordening nr. 715/2009.
8
Aangezien de Commissie geen genoegen kon nemen met het door de Republiek Bulgarije in een brief van 26 augustus 2009 gegeven antwoord, heeft zij de Republiek Bulgarije op 28 juni 2010 een met redenen omkleed advies gestuurd. De Republiek Bulgarije heeft daarop geantwoord op 27 augustus 2010 en heeft de Commissie aanvullende inlichtingen verschaft in een aantal brieven van 24 augustus 2011, 28 december 2011 en 19 januari 2012.
9
Daar de antwoorden op het met redenen omkleed advies volgens de Commissie onbevredigend waren, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
Beroep
Ontvankelijkheid van het beroep
Argumenten van partijen
10
Om te beginnen betoogt de Republiek Bulgarije dat het beroep van de Commissie niet-ontvankelijk is omdat sprake is van discrepantie tussen de motivering van het met redenen omkleed advies en de motivering van het verzoekschrift.
11
Volgens de Republiek Bulgarije wordt in de aanmaningsbrief en het met redenen omkleed advies herhaaldelijk gewag gemaakt van de verplichting om diensten voor „transport in tegengestelde richting op afschakelbare basis” aan te bieden, hetgeen slechts betrekking kan hebben op fysiek gastransport in tegengestelde richting. In haar met redenen omkleed advies heeft de Commissie echter gesteld dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1775/2005 voorziet in een verplichting om te zorgen voor fysieke capaciteit voor gastransport in twee richtingen of, wanneer dat technisch niet mogelijk is, fysieke capaciteit voor transport in de hoofdrichting en virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting.
12
De Republiek Bulgarije wijst er ook op dat de Commissie het in het verzoekschrift heeft over een ruimere verplichting om transportcapaciteit in tegengestelde richting ter beschikking te stellen, ongeacht of het om fysieke dan wel virtuele capaciteit gaat. In het petitum van het verzoekschrift heeft de Commissie echter uitsluitend het aanbieden van diensten voor virtueel transport in tegengestelde richting genoemd.
13
De Republiek Bulgarije meent dat zij door deze inconsistenties niet heeft kunnen vaststellen welke niet-nakoming haar wordt verweten, noch relevant verweer heeft kunnen voeren tegen de grieven van de Commissie, zodat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
14
De Commissie voert aan dat het met redenen omkleed advies betrekking heeft op gastransport in tegengestelde richting, zowel fysiek als virtueel, aangezien het aanbieden van die twee soorten transportdiensten wordt geacht voort te vloeien uit de op de gastransportnetbeheerder rustende verplichting om marktspelers de maximale capaciteit van zijn net aan te bieden, hetgeen uitdrukkelijk blijkt uit het met redenen omkleed advies. In wezen heeft de Commissie zowel in het met redenen omkleed advies als in de aanmaningsbrief meermaals aangegeven dat virtueel gastransport in tegengestelde richting voldoet aan het bepaalde in artikel 14, lid 1, juncto artikel 16, lid 1 en lid 2, sub b, van verordening nr. 715/2009 wanneer de netbeheerder niet kan zorgen voor fysiek transport in tegengestelde richting.
Beoordeling door het Hof
15
Volgens vaste rechtspraak wordt het voorwerp van het geschil bepaald door de door de Commissie aan de betrokken lidstaat gezonden aanmaningsbrief en het daaropvolgende door haar uitgebrachte met redenen omkleed advies, en kan het daarna derhalve niet meer worden verruimd. Bijgevolg moeten het met redenen omkleed advies en het beroep op dezelfde grieven berusten (zie met name arresten Commissie/Duitsland, C‑191/95, EU:C:1998:441, punt 55, en Commissie/Spanje, C‑67/12, EU:C:2014:5, punt 52).
16
Dit vereiste betekent evenwel niet dat de formulering van de grieven in de aanmaningsbrief, in het dispositief van het met redenen omkleed advies en in het petitum van het verzoekschrift steeds volkomen gelijkluidend moet zijn wanneer het voorwerp van het geschil zoals dat in het met redenen omkleed advies is omschreven, niet is verruimd of gewijzigd, maar integendeel enkel is beperkt (zie met name arresten Commissie/Duitsland, EU:C:1998:441, punt 56, en Commissie/Spanje, EU:C:2014:5, punt 53).
17
Vastgesteld moet worden dat de Commissie in casu het voorwerp van het geschil zoals dat in de aanmaningsbrief en in het met redenen omkleed advies is omschreven, niet heeft verruimd, maar heeft beperkt tot de verplichting om diensten voor virtueel transport in tegengestelde richting aan te bieden. Zoals de advocaat-generaal in punt 28 van zijn conclusie heeft aangegeven, heeft de Commissie de verplichting om virtuele transportcapaciteit aan te bieden immers in de aanmaningsbrief, het met redenen omkleed advies en het verzoekschrift ter sprake gebracht.
18
Gelet op een en ander moet de door de Republiek Bulgarije opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden verworpen.
Ten gronde
Argumenten van partijen
19
Volgens de Commissie is de Republiek Bulgarije de krachtens artikel 14, lid 1, juncto artikel 16, lid 1 en lid 2, sub b, van verordening nr. 715/2009 op haar rustende verplichtingen niet nagekomen aangezien Bulgartransgaz EAD, de landelijke gastransportnetbeheerder, geen virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting aanbiedt op alle entry‑ en exitpunten van dat net, namelijk in Negru Vodă, waar het Bulgaarse net aansluit op het Roemeense net, en in Sidirokastro, waar het aansluit op het Griekse net.
20
Blijkens de bewoordingen van het verzoekschrift van de Commissie ontstaat virtuele gastransportcapaciteit door het feit dat de netbeheerder de vraag naar gastransport in beide richtingen onderling verrekent. Door deze verrekening kan naast fysieke transportcapaciteit ook „virtuele” gastransportcapaciteit worden aangeboden in die zin dat de betrokken gasvolumes niet fysiek door het gastransportnet stromen.
21
In de eerste plaats voert de Commissie aan dat de Republiek Bulgarije door geen diensten voor virtueel transport in tegengestelde richting aan te bieden op de betreffende punten waar haar gastransportnet aansluit op andere netten, niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 op haar rustende verplichting om marktspelers de maximale capaciteit van haar net aan te bieden, gelezen in samenhang met de in artikel 14, lid 1, sub a, van deze verordening opgenomen verplichting om op niet-discriminerende basis diensten aan alle netgebruikers aan te bieden en de in artikel 14, lid 1, sub b, van de verordening opgenomen verplichting om zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten aan te bieden.
22
De Commissie merkt op dat sommige pijpleidingsystemen capaciteit voor fysiek gastransport in beide richtingen aanbieden, zodat netgebruikers toegang hebben tot diensten voor fysiek transport in tegengestelde richting. Deze systemen beschikken over fysieke capaciteit in twee richtingen. Andere pijpleidingsystemen, zoals die van de Republiek Bulgarije, zorgen daarentegen slechts in één richting voor fysiek gastransport en beschikken dus over fysieke capaciteit die unidirectioneel is. In dat geval impliceert de uit artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 voortvloeiende verplichting om maximale netcapaciteit ter beschikking te stellen volgens de Commissie een verplichting om diensten voor virtueel transport in tegengestelde richting aan te bieden.
23
De Commissie is immers van mening dat door het aanbieden van virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting de netcapaciteit wordt verhoogd. Het ter beschikking stellen van virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting zou dus niet alleen het probleem wegnemen dat de pijpleiding niet beschikt over fysieke capaciteit voor transport in tegengestelde richting, maar ook de transportcapaciteit in de hoofdrichting verhogen, aangezien de vraag naar transport in de hoofdrichting verrekend wordt met de vraag naar transport in de andere richting.
24
Volgens de Commissie vindt de omstandigheid dat artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 aldus moet worden uitgelegd dat daarin sprake is van een verplichting om marktspelers virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting aan te bieden, steun in artikel 14, lid 1, sub b, van die verordening. De Commissie stelt dat een dergelijke virtuele capaciteit op afschakelbare basis dient te worden aangeboden en dat artikel 14, lid 1, sub b, van verordening nr. 715/2009 van transportnetbeheerders verlangt dat zij zowel vaste als afschakelbare diensten aanbieden.
25
In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de verplichting om te voorzien in virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting voortvloeit uit de eis om te zorgen voor „efficiënte netexploitatie”, welke eis ook in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 is opgenomen. Door deze capaciteit kan het aanbod van gastransportdiensten immers zonder extra kosten worden vergroot, terwijl voor het verkrijgen van fysieke capaciteit voor transport in tegengestelde richting grote investeringen op het gebied van infrastructuur nodig zouden zijn en verbrandingsgassen zouden moeten worden gebruikt bij dergelijk transport.
26
In de derde plaats stelt de Commissie dat de verplichting om virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting aan te bieden ook het gevolg is van de verplichting ingevolge artikel 16, lid 2, sub b, van verordening nr. 715/2009 om netcapaciteit volgens marktmechanismen te alloceren. Wordt de capaciteit van pijpleidingen beperkt tot slechts hun fysieke transportcapaciteit, dan zou het gastransportaanbod binnen de Europese Unie drastisch dalen, zou de liquide gashandel tussen trading hubs aanmerkelijk worden belemmerd en zouden er mogelijkerwijs aanzienlijke prijsverschillen binnen de Unie ontstaan.
27
In de vierde plaats meent de Commissie dat een uitlegging van verordening nr. 715/2009 waarbij geen sprake is van een verplichting om virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting aan te bieden, in strijd is met de doelen van deze verordening, zoals deze zijn vervat in artikel 1, eerste alinea, van de verordening. Het ter beschikking stellen van een dergelijke virtuele capaciteit is immers een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van de markt voor vloeibaar aardgas en voor de integratie van de interne markt voor aardgas.
28
De Republiek Bulgarije is het niet eens met de door de Commissie gegeven uitlegging dat verordening nr. 715/2009 voorziet in een verplichting om virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting aan te bieden op alle entry‑ en exitpunten van haar net.
29
Ten eerste wijst de Republiek Bulgarije erop dat uit een letterlijke uitlegging van de artikelen 14, lid 1, en 16, leden 1 en 2, van deze verordening niet kan worden afgeleid dat sprake is van een verplichting om bidirectionele capaciteit aan te bieden in gasnetten.
30
Ten tweede betoogt de Republiek Bulgarije dat de uitlegging van de Commissie onverenigbaar is met de opzet van verordening nr. 715/2009. Zo wijkt de door de Commissie aan het begrip „maximale capaciteit” gegeven uitlegging waarbij dat begrip ook virtuele transportcapaciteit omvat, af van de definities van de begrippen „transmissie”, „capaciteit”, „congestiebeheer”, „nominatie”, „technische capaciteit”, „beschikbare capaciteit”, „contractuele congestie” en „fysieke congestie” in artikel 2, lid 1, van deze verordening, die allemaal betrekking hebben op de fysieke transportcapaciteit van het gasnet.
31
Ten derde stelt de Republiek Bulgarije dat een historische uitlegging van verordening nr. 715/2009 tot dezelfde conclusie leidt. Noch de voorstukken van verordening nr. 1775/2005, noch die van verordening nr. 715/2009 bevatten aanwijzingen die de door de Commissie gegeven uitlegging onderbouwen dat er een verplichting is om virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting aan te bieden.
32
Voorts voert de Republiek Bulgarije aan dat volgens de artikelen 6 en 7 van verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering en houdende intrekking van richtlijn 2004/67/EG van de Raad (PB L 295, blz. 1) de lidstaten dienen te zorgen voor fysieke bidirectionele capaciteit om zo spoedig mogelijk en uiterlijk op 3 december 2013 op alle grensoverschrijdende interconnecties tussen lidstaten gas in beide richtingen te kunnen vervoeren. Hieruit volgt dat indien de Uniewetgever een soortgelijke verplichting had willen invoeren bij de vaststelling van verordening nr. 715/2009, hij dit uitdrukkelijk zou hebben gedaan, net als bij de vaststelling van de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 994/2010.
Beoordeling door het Hof
33
Ter ondersteuning van haar beroep voert de Commissie aan dat de artikelen 14, lid 1, en 16, lid 1 en lid 2, sub b, van verordening nr. 715/2009 voorzien in een verplichting om virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting aan te bieden. Nagegaan dient te worden of deze bepalingen een dergelijke verplichting bevatten.
34
Vastgesteld moet worden dat geen van de genoemde bepalingen uitdrukkelijk voorziet in een verplichting om virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting aan te bieden.
35
De Commissie stelt echter dat die verplichting impliciet voortvloeit uit deze bepalingen. In dit verband moet worden herinnerd aan de rechtspraak van het Hof volgens welke, zoals de advocaat-generaal in punt 46 van zijn conclusie heeft aangegeven, van bepalingen van een wetgevingshandeling van de Unie in weerwil van de duidelijke en precieze bewoordingen ervan geen uitlegging kan worden gegeven die ertoe strekt die bepalingen te corrigeren en aldus de daaruit voortvloeiende verplichtingen van de lidstaten uit te breiden (zie in die zin arrest Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑582/08, EU:C:2010:429, punt 51).
36
Om te beginnen blijkt uit de bewoordingen van artikel 14, lid 1, van verordening nr. 715/2009 dat transmissiesysteembeheerders waarborgen dat zij hun diensten, zowel lange‑ als kortetermijndiensten, op niet-discriminerende basis aan alle netgebruikers aanbieden en dat zij zowel vaste als afschakelbare derdentoegangsdiensten aanbieden.
37
Uit deze bepaling kan geen verplichting worden afgeleid om virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting aan te bieden. Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, impliceert de uit de bepaling voortvloeiende verplichting om zowel vaste als afschakelbare diensten aan te bieden, met name niet dat transportnetbeheerders alle soorten afschakelbare diensten en meer in het bijzonder virtuele capaciteit voor transport in tegengestelde richting moeten aanbieden. Bovendien verplicht het discriminatieverbod van artikel 14, lid 1, sub a, van verordening nr. 715/2009 beheerders niet om nieuwe diensten aan te bieden, maar om niet te discrimineren bij het aanbieden van hun bestaande diensten.
38
Voorts bepaalt artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 dat marktspelers de beschikking krijgen over de maximale capaciteit op alle relevante punten waaraan in artikel 18, lid 3, van deze verordening wordt gerefereerd, met inachtneming van systeemintegriteit en efficiënte netexploitatie.
39
Verordening nr. 715/2009 definieert in artikel 2, lid 1, punt 3, ervan „capaciteit” als „de maximale flow, uitgedrukt in normale kubieke meter per tijdseenheid of in energie-eenheid per tijdseenheid, waarop de netgebruiker op grond van het transportcontract recht heeft”.
40
Het begrip „transmissie” wordt in artikel 2, lid 1, punt 1, van verordening nr. 715/2009 gedefinieerd als „het transport van aardgas door een net dat vooral bestaat uit hogedrukpijpleidingen, met uitzondering van een upstreampijpleidingnet en van het gedeelte van hogedrukpijpleidingen dat in de eerste plaats voor lokale aardgasdistributie wordt gebruikt, met het oog op de belevering van afnemers, de levering zelf niet inbegrepen”.
41
Gelet op deze definities ziet het begrip „capaciteit” als bedoeld in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 op fysieke transportcapaciteit van gastransportnetten. Daarenboven blijkt uit geen van de bepalingen van verordening nr. 715/2009 waarin het begrip „capaciteit” wordt gebruikt, dat dit begrip ook virtuele transportdiensten kan omvatten.
42
Zoals de Republiek Bulgarije en de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie hebben aangegeven, heeft het begrip „maximale capaciteit” in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 dus slechts betrekking op de fysieke transportcapaciteit van gastransportnetten en niet op virtuele transportcapaciteit die de transportnetbeheerder eventueel aanbiedt.
43
Deze uitlegging verdraagt zich met de krachtens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 op netbeheerders rustende verplichting om rekening te houden met „efficiënte netexploitatie” wanneer zij marktspelers maximale transportcapaciteit aanbieden. Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, houdt deze verplichting in feite een beperking, en geen uitbreiding, in van de verplichting om maximale netcapaciteit ter beschikking te stellen.
44
Bovendien wordt de gegeven uitlegging ook bevestigd door de andere in artikel 16, lid 1, van deze verordening genoemde verplichting om rekening te houden met „systeemintegriteit”.
45
Het begrip „systeemintegriteit” wordt in artikel 2, lid 1, punt 9, van verordening nr. 715/2009 gedefinieerd als „elke situatie met betrekking tot een transmissienet, met inbegrip van de noodzakelijke transmissiefaciliteiten, waarin de druk en de kwaliteit van het aardgas binnen de door de transmissiesysteembeheerder vastgestelde minimum‑ en maximumgrenzen blijven, zodat de transmissie van aardgas uit een technisch oogpunt gegarandeerd is”.
46
Zoals blijkt uit de punten 20 en 23 van het onderhavige arrest, is het aanbod van virtuele gastransportcapaciteit het gevolg van een mechanisme waarbij er bij de vraag naar gas een verrekening plaatsvindt die niet gepaard gaat met fysiek gebruik van het transportnet en die de systeemintegriteit in de zin van de genoemde bepaling dus niet in gevaar kan brengen.
47
Derhalve heeft ook de in artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 genoemde verplichting om rekening te houden met „systeemintegriteit” betrekking op de fysieke transportcapaciteit van gastransportnetten. Deze verplichting vereist dus niet dat transportnetbeheerders virtuele transportcapaciteit aanbieden.
48
Uit het voorgaande volgt dat artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 uitsluitend ziet op de fysieke transportcapaciteit van gastransportnetten, zodat hieruit geen verplichting kan worden afgeleid om virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting aan te bieden.
49
Ten slotte bepaalt artikel 16, lid 2, sub b, van deze verordening dat transmissiesysteembeheerders niet-discriminerende en transparante mechanismen voor capaciteitsallocatie implementeren en publiceren, welke zorgen voor compatibiliteit met de marktmechanismen, met inbegrip van spotmarkten en trading hubs, en tevens flexibel en in staat zijn zich aan veranderende marktomstandigheden aan te passen.
50
Deze bepaling regelt de mechanismen voor de allocatie van de capaciteit die transportnetbeheerders aan marktspelers aanbieden overeenkomstig artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009. Artikel 16, lid 2, sub b, van deze verordening kan dus niet aldus worden uitgelegd dat het een verplichting om capaciteit ter beschikking te stellen bevat die verder gaat dan de uit artikel 16, lid 1, van de verordening voortvloeiende verplichting. Aangezien in punt 48 van het onderhavige arrest is vastgesteld dat artikel 16, lid 1, van verordening nr. 715/2009 geen verplichting bevat voor transportnetbeheerders om marktspelers virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting aan te bieden, kan artikel 16, lid 2, sub b, niet aldus worden uitgelegd dat daarin van een dergelijke verplichting sprake is.
51
Deze uitlegging van de bewoordingen en opzet van de artikelen 14, lid 1, en 16, lid 1 en lid 2, sub b, van verordening nr. 715/2009 wordt bevestigd door de voorstukken van de verordeningen nr. 1775/2005 en nr. 715/2009. Zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is in deze stukken immers geen sprake van een verplichting om virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting aan te bieden. Hieruit volgt dat een dergelijke verplichting noch uit de doelen van verordening nr. 1775/2005, noch uit die van verordening nr. 715/2009 kan worden afgeleid.
52
Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 14, lid 1, en 16, lid 1 en lid 2, sub b, van verordening nr. 715/2009 niet voorzien in een verplichting om virtuele capaciteit voor gastransport in tegengestelde richting aan te bieden.
53
Het beroep van de Commissie moet derhalve worden verworpen.
Kosten
54
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Republiek Bulgarije worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.
Full & Egal Universal Law Academy