ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
4 september 2014 ( *1 )
„Niet-nakoming — Richtlijn 91/676/EEG — Artikel 5, lid 4 — Bijlage II, A, punten 1 tot en met 3 en 5 — Bijlage III, leden 1, punten 1 tot en met 3, en 2 — Bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen — Periodes voor het op of in de bodem brengen van meststoffen — Capaciteit van opslagtanks voor dierlijke meststoffen — Beperking van het op of in de bodem brengen — Verbod op het op of in de bodem brengen op sterk hellend, bevroren of met sneeuw bedekt land — Non-conformiteit van de nationale wetgeving”
In zaak C‑237/12,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 16 mei 2012,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Manhaeve, B. Simon en J. Hottiaux als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues, S. Menez en D. Colas als gemachtigden,
verweerster,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), G. Arestis, J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 november 2013,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 januari 2014,
het navolgende
Arrest
1
De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Franse Republiek, door niet de maatregelen te treffen die nodig zijn ter waarborging van de volledige en juiste uitvoering van alle vereisten die haar zijn opgelegd door artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375, blz. 1), gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punten 1 tot en met 3 en 5, en III, leden 1, punten 1 tot en met 3, en 2, bij deze richtlijn, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
2
Volgens de elfde overweging van de considerans van richtlijn 91/676 dienen de actieprogramma’s „maatregelen [...] te omvatten om het op of in de bodem brengen van alle stikstof bevattende meststoffen te beperken en om in het bijzonder specifieke grenswaarden voor het opbrengen van dierlijke mest vast te stellen”.
3
Artikel 1 van die richtlijn preciseert dat zij tot doel heeft de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen, en verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen.
4
Artikel 4, lid 1, van die richtlijn luidt:
„Teneinde voor alle wateren een algemeen beschermingsniveau te bieden tegen verontreiniging nemen de lidstaten binnen twee jaar na kennisgeving van deze richtlijn de volgende maatregelen:
a)
zij stellen een code of codes van goede landbouwpraktijken op, door de landbouwers vrijwillig in acht te nemen, waarin ten minste bepalingen omtrent de in bijlage II A vermelde punten zijn opgenomen;
[...]”
5
Artikel 5 van richtlijn 91/676 bepaalt:
„1. Binnen twee jaar na de in artikel 3, lid 2, bedoelde eerste aanwijzing of binnen één jaar na elke in artikel 3, lid 4, bedoelde aanvullende aanwijzing dienen de lidstaten ter bereiking van de in artikel 1 genoemde doelstellingen actieprogramma’s op te stellen voor de aangewezen kwetsbare zones.
[...]
3. In de actieprogramma’s wordt rekening gehouden met:
a)
de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, hoofdzakelijk wat betreft de respectieve bijdrage van stikstof uit agrarische en uit andere bronnen;
b)
de milieuomstandigheden in de desbetreffende gebieden van de betrokken lidstaat.
4. De actieprogramma’s worden binnen vier jaar na opstelling uitgevoerd en bestaan uit de volgende verplichte maatregelen:
a)
de maatregelen van bijlage III;
b)
de maatregelen die de lidstaten hebben voorgeschreven in de overeenkomstig artikel 4 opgestelde code(s) van goede landbouwpraktijken, met uitzondering van de maatregelen welke zijn vervangen door die van bijlage III.
[...]”
6
Bijlage II, A, punten 1 tot en met 3 en 5, bij deze richtlijn, met als opschrift „Code(s) van goede landbouwpraktijken”, is in de volgende bewoordingen gesteld:
„In een code of codes van goede landbouwpraktijken ter vermindering van verontreiniging door nitraten en waarin rekening wordt gehouden met de omstandigheden in de verschillende regio’s in de Gemeenschap behoren voorschriften te zijn opgenomen aangaande de volgende aspecten, voor zover zij relevant zijn:
1.
de periodes die niet geschikt zijn voor het op of in de bodem brengen van een meststof;
2.
het op of in de bodem brengen van een meststof op steile hellingen;
3.
het op of in de bodem brengen van een meststof op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land;
[...]
5.
de capaciteit en bouw van opslagtanks voor dierlijke mest, inclusief maatregelen ter voorkoming van waterverontreiniging veroorzaakt door het wegstromen en weglekken in grond- en oppervlaktewater van vloeistoffen die dierlijke mest en afvalwater van opgeslagen plantaardig materiaal zoals kuilvoeder bevatten;
[...]”
7
In bijlage III, leden 1 tot en met 3, bij die richtlijn, getiteld „Maatregelen die in actieprogramma’s als bedoeld in artikel 5, lid 4, sub a, moeten worden opgenomen”, heet het:
„1.
Deze maatregelen behelzen voorschriften betreffende:
1.
de periodes waarin het op of in de bodem brengen van bepaalde soorten meststoffen verboden is;
2.
de opslagcapaciteit van tanks voor dierlijke mest; deze moet groter zijn dan die welke vereist is voor de langste periode waarin het op of in de bodem brengen van mest in de betrokken kwetsbare zone verboden is, behalve wanneer ten genoegen van de bevoegde instantie kan worden aangetoond dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het milieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd;
3.
beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen overeenkomstig de goede landbouwpraktijken en rekening houdend met de kenmerken van de betrokken kwetsbare zone, met name:
a)
bodemgesteldheid, grondsoort en schuinte van hellingen;
b)
klimaatomstandigheden, neerslag en irrigatie;
c)
landgebruik en landbouwpraktijken, waaronder vruchtwisselingssystemen,
en gebaseerd op een balans tussen:
i)
de te verwachten stikstofbehoeften van de gewassen,
en
ii)
de stikstoftoevoer naar de gewassen uit de bodem en uit bemesting die overeenkomt met:
—
de hoeveelheid stikstof die in de bodem aanwezig is op het moment dat het gewas begint het in significante mate te gebruiken (aanwezige hoeveelheden aan het eind van de winter);
—
de toevoer van stikstof door de nettomineralisatie van de voorraden organische stikstof in de bodem;
—
toevoeging van stikstofverbindingen uit dierlijke mest;
—
toevoeging van stikstofverbindingen uit kunstmest en andere meststoffen.
2.
Deze maatregelen moeten waarborgen dat de elk jaar op of in de bodem gebrachte hoeveelheid dierlijke mest, met inbegrip van die welke door de dieren zelf wordt opgebracht, voor elk landbouw- of veehouderijbedrijf een bepaalde hoeveelheid per hectare niet overschrijdt.
Deze bepaalde hoeveelheid per hectare is de hoeveelheid mest die 170 kg [stikstof] bevat. De lidstaten mogen evenwel:
a)
voor het eerste actieprogramma van vier jaar een maximaal 210 kg [stikstof] bevattende hoeveelheid dierlijke mest toestaan;
b)
gedurende en na het eerste actieprogramma van vier jaar andere hoeveelheden dan de bovengenoemde vaststellen. Deze hoeveelheden moeten zodanig worden vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan het bereiken van de in artikel 1 genoemde doelstellingen, en zij moeten worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria, bij voorbeeld:
—
lange groeiperiodes;
—
gewassen met hoge stikstofopname;
—
hoge nettoneerslag in de kwetsbare zone;
—
bodems met een uitzonderlijk hoog denitrificatievermogen.
Indien een lidstaat krachtens punt b) van de tweede alinea een andere hoeveelheid toestaat, doet hij daarvan mededeling aan de Commissie, die de motivering volgens de regelgevingsprocedure van artikel 9, lid 2, bestudeert.
3.
De lidstaten kunnen de in punt 2 genoemde hoeveelheden berekenen op basis van aantallen dieren.
[...]”
Frans recht
8
Artikel 5 van richtlijn 91/676 is in Frans recht omgezet bij décret no 2001‑34 du 10 janvier 2001, relatif aux programmes d’action à mettre en œuvre en vue de la protection des eaux contre la pollution par les nitrates d’origine agricole (decreet nr. 2001‑34 van 10 januari 2001 inzake de actieprogramma’s die moeten worden uitgevoerd ter bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen). De bepalingen van dat decreet zijn gecodificeerd in de artikelen R. 211‑80 tot en met R. 211‑85 van de Code de l’environnement (Frans milieuwetboek).
9
Het arrêté du 6 mars 2001, relatif aux programmes d’action à mettre en œuvre dans les zones vulnérables afin de réduire la pollution des eaux par les nitrates d’origine agricole (besluit van 6 maart 2001 inzake de actieprogramma’s die in de kwetsbare zones moeten worden uitgevoerd ter vermindering van de waterverontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; JORF van 25 maart 2001, blz. 4712; hierna: „besluit van 6 maart 2001”), is vastgesteld op grond van decreet nr. 2001‑34.
10
Bij het arrêté du 1er août 2005, établissant les prescriptions minimales à mettre en œuvre en zone vulnérable et modifiant l’arrêté du 6 mars 2001 relatif aux programmes d’action à mettre en œuvre dans les zones vulnérables afin de réduire la pollution des eaux par les nitrates d’origine agricole (besluit van 1 augustus 2005 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor kwetsbare zones en tot wijziging van het besluit van 6 maart 2001 inzake actieprogramma’s die in de kwetsbare zones moeten worden uitgevoerd ter vermindering van de waterverontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; JORF van 16 september 2005, blz. 15019, hierna: „besluit van 1 augustus 2005”), zijn bedoelde voorschriften vastgesteld, met name met betrekking tot de berekeningswijze van de maximumhoeveelheid stikstof in de dierlijke mest die elk jaar op of in de bodem mag worden gebracht.
11
De circulaire van 15 mei 2003, met als opschrift „Instructions relatives à la mise en œuvre du [programme de maîtrise des pollutions d’origine agricole (PMPOA)]: Simplifications en Adaptations” (instructies voor de tenuitvoerlegging van het [programma voor de beheersing van de verontreiniging uit agrarische bronnen (PMPOA)]: vereenvoudigingen en aanpassingen; hierna: „circulaire van 15 mei 2003”), stelt per type dier stikstofemissiewaarden vast.
12
Bij décret no 2011‑1257, du 10 octobre 2011, relatif aux programmes d’actions à mettre en œuvre en vue de la protection des eaux contre la pollution par les nitrates d’origine agricole (decreet nr. 2011‑1257 van 10 oktober 2011 inzake de actieprogramma’s ter bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; JORF van 11 oktober 2011, blz. 17097), zijn de artikelen R. 211‑80 tot en met R. 211‑85 van Code de l’environnement gewijzigd.
13
Het arrêté du 19 décembre 2011, relatif au programme d’actions national à mettre en œuvre dans les zones vulnérables afin de réduire la pollution des eaux par les nitrates d’origine agricole (besluit van 19 december 2011 inzake het nationale actieprogramma dat in de kwetsbare zones moet worden uitgevoerd ter vermindering van de waterverontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen; JORF van 21 december 2011, blz. 21556; hierna: „besluit van 19 december 2011”), is vastgesteld op grond van decreet nr. 2011‑1257.
Besluit van 6 maart 2001
14
Het besluit van 6 maart 2001 bevat een bijlage met als opschrift „Technisch kader voor het opstellen van de actieprogramma’s”. Deel 2 van die bijlage bevat met name de punten 2.3 tot en met 2.5. Punt 2.3, met als opschrift „Balans van de stikstofbemesting op het perceel, ook voor geïrrigeerde gewassen”, luidt:
„De op of in de bodem gebrachte dosis meststof wordt beperkt door het evenwicht tussen de te verwachten stikstofbehoeften van de gewassen en de stikstoftoevoer en -bronnen van welke aard ook. Voor de stikstoftoevoer worden alle meststoffen in aanmerking genomen [...]
De modaliteiten voor het op of in de bodem brengen die in acht moeten worden genomen om die bemestingsbalans te waarborgen, met inbegrip van de aanpassingen voor geïrrigeerde gewassen, zijn opgenomen in het actieprogramma. Onderscheid makend tussen geïrrigeerde en niet-geïrrigeerde gewassen, gaat het daarbij per gewas op zijn minst om de factoren voor de berekening van de dosis (te verwachten rendement, in de bodem aanwezige stikstof, etc.) en de wijze van spreiding.
Die berekeningsfactoren en modaliteiten worden vastgesteld uitgaande van de lokaal beschikbare agronomische referentiegegevens, waarbij rekening wordt gehouden met het niveau van nitraatuitspoeling dat verenigbaar is met de eisen inzake waterkwaliteit.
De landbouwer dient te weten hoeveel stikstof wordt toegevoerd door dierlijke meststoffen of andere organische meststoffen [...]. Wanneer die stoffen van buiten het bedrijf afkomstig zijn, dienen de gegevens op basis waarvan de landbouwers over die informatie kunnen beschikken, alsook het type meststof waartoe zij behoren, te worden opgevraagd bij de leveranciers van die stoffen.”
15
Punt 2.4 van het besluit van 6 maart 2001, met als opschrift „Types meststoffen en periodes waarin het op of in de bodem brengen verboden is”, stelt de minimumperiodes vast waarin het op of in de bodem brengen (hierna ook: „uitrijden”) van de verschillende soorten meststoffen verboden is. Volgens de tabel in dat punt is voor akkerbouwgewassen die in de herfst worden aangeplant, het uitrijden van meststoffen van type II van 1 november tot 15 januari en van meststoffen van type III van 1 september tot 15 januari verboden. Voor in de lente aangeplante akkerbouwgewassen is het uitrijden van meststoffen van type I van 1 juli tot 31 augustus, van meststoffen van type II van 1 juli tot 15 januari, en van meststoffen van type III van 1 juli tot 15 februari verboden. Voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland is het uitrijden van meststoffen van type II van 15 november tot 15 januari en van meststoffen van type III van 1 oktober tot 31 januari verboden.
16
Punt 2.5 van dat besluit, met als opschrift „Bijzondere voorwaarden voor het op of in de bodem brengen”, luidt:
„[...]
2° Op steile hellingen
Op steile hellingen is het op of in de bodem brengen van meststoffen verboden. Het actieprogramma bepaalt de situaties waarin het verbod geldt, gelet op de risico’s dat de meststoffen afvloeien en terechtkomen buiten het perceel waarop de meststoffen op of in de bodem worden gebracht, dan wel het hellingspercentage waarboven het op of in de bodem brengen verboden is.
3° Op vast bevroren, ondergelopen, drassig of met sneeuw bedekt land
Onderstaande tabel stelt de beperkingen voor het op of in de bodem brengen van meststoffen vast. Wanneer het op of in de bodem brengen van meststoffen gereglementeerd is, bepaalt het actieprogramma nader hoe het op of in de bodem brengen dient te worden uitgevoerd. [Volgens de in dit punt bedoelde tabel is op vast bevroren land het op of in de bodem brengen van meststoffen van type I en III verboden of gereglementeerd, en van meststoffen van type II verboden. Op met sneeuw bedekt land is het op of in de bodem brengen van meststoffen van type I verboden of gereglementeerd, en van meststoffen van type II en III verboden.]
Op louter aan de oppervlakte bevroren land waarop bevriezing en dooi zich binnen 24 uur afwisselen, mogen alle types meststoffen in of op de bodem worden gebracht.
[...]”
Besluit van 1 augustus 2005
17
Bijlage II, punt 1, met als opschrift „Berekening van de hoeveelheid stikstof in de op het bedrijf beschikbare dierlijke mest”, bij het besluit van 1 augustus 2005 bepaalt:
„Hierbij gaat het om de stikstofproductie van de dieren, die wordt berekend door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de waarden voor de productie van in of op de bodem te brengen stikstof per dier, in voorkomend geval gecorrigeerd voor de hoeveelheden stikstof die bij derden in of op de bodem zijn gebracht en de hoeveelheden stikstof die afkomstig zijn van derden.
[...]”
Besluit van 19 december 2011
18
Artikel 2 van het besluit van 19 december 2011 bepaalt:
„I.–
Voor de dimensionering van de opslagplaatsen bedoeld in II van bijlage I gelden de volgende uitvoeringstermijnen:
1o
De opslagcapaciteiten die zijn berekend met de DEXEL-methode [(Diagnostic environnemental de l’exploitation d’élevage)] en op basis van de schema’s met de periodes waarin het op of in de bodem brengen verboden is, die zijn opgenomen in de prefectorale besluiten tot vaststelling van de vierde actieprogramma’s, moeten in acht worden genomen vanaf de bekendmaking van het onderhavige besluit. [...]
2o
De opslagcapaciteiten die zijn berekend met de DEXEL-methode op basis van de bepalingen van deel I van bijlage I [...] moeten uiterlijk drie jaar na de ondertekening van de vijfde regionale actieprogramma’s en in elk geval uiterlijk op 1 juli 2016 in acht worden genomen.
[...]
II. –
De bepalingen van I, II, punt 2, III, punten 1, sub c, 2 en 3, IV, V en VI van bijlage I treden in werking op 1 september 2012.”
19
Bijlage I, deel II, met als opschrift „Voorschriften inzake de opslag van dierlijke mest”, bij dat besluit bepaalt:
„1°
Opslagplaatsen
Deze voorschriften zijn van toepassing op elk veehouderijbedrijf in een kwetsbare zone. [...]
[...]
De opslagcapaciteit voor dierlijke mest moet, gelet op de mogelijkheden om die mest zonder risico voor de waterkwaliteit te behandelen of te verwijderen, minstens volstaan om de in I van de onderhavige bijlage vastgestelde minimumperiodes waarin het op of in de bodem brengen van meststoffen verboden is, te dekken [...], waarbij rekening wordt gehouden met de extra risico’s in verband met de weersomstandigheden.
De voor elk bedrijf vereiste minimumopslagcapaciteit wordt uitgedrukt in mestopslagweken. Zij komt overeen met de agronomische capaciteit, zoals berekend met de DEXEL-methode, die is ontwikkeld in het kader van het programma ter beheersing van de verontreiniging uit agrarische bronnen [...]. De opslagcapaciteit wordt op bedrijfsniveau voor elk type mest vastgesteld.
2°
Opslag van bepaalde meststoffen op het veld
[...]
Compacte stalmest die niet kan afvloeien, mag worden opgeslagen of gecomposteerd op het veld nadat deze mest twee maanden in de stal of op een mesthoop heeft gelegen. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:
[...]
De opslagduur bedraagt maximaal tien maanden en op dezelfde plek mag gedurende drie jaar geen mest meer worden opgeslagen.
[...]”
20
Bijlage II, A tot en met E, van dat besluit stelt per diersoort de stikstofexcretienormen vast voor de uitvoering van deel V van de bijlage I bij dat besluit, welk deel betrekking heeft op de berekeningswijze van de maximale hoeveelheid stikstof in de dierlijke meststoffen die jaarlijks voor elk bedrijf mag worden uitgereden.
Precontentieuze procedure
21
Van mening dat de voorschriften van artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punten 1 tot en met 5, en III, leden 1, punten 1 tot en met 3, en 2, van deze richtlijn, niet juist en volledig zijn uitgevoerd door de Franse Republiek, heeft de Commissie de niet-nakomingsprocedure van artikel 258 VWEU ingeleid.
22
Na die lidstaat te hebben aangemaand zijn opmerkingen in te dienen, heeft de Commissie op 28 oktober 2011 een met redenen omkleed advies uitgebracht, daar zij van mening was dat de ingediende opmerkingen niet volstonden. In het met redenen omklede advies heeft zij de Franse Republiek verzocht de nodige maatregelen te nemen om binnen twee maanden na ontvangst daarvan gevolg te geven aan dit advies.
23
De Franse Republiek heeft bij brief van 29 december 2011 geantwoord op het met redenen omkleed advies, waarbij zij met name stelde dat zij naar aanleiding van de grieven van de Commissie het Franse rechtskader grondig had gewijzigd. Aldus was krachtens decreet nr. 2011‑1257 de op departementale actieprogramma’s gebaseerde regeling vervangen door een nationaal actieprogramma en regionale actieprogramma’s. Bovendien was bij besluit van 19 december 2011 het nationale actieprogramma goedgekeurd, waardoor was verzekerd dat het milieu beter werd beschermd vanaf het volgende teeltseizoen. Wat de regionale actieprogramma’s betreft, voert de Franse Republiek aan dat het materieel onmogelijk is deze te concretiseren vóór midden 2013 wegens verplicht te volgen procedures van raadpleging van het publiek en van milieubeoordeling.
24
Daar de Commissie geen genoegen kon nemen met het antwoord van de Franse Republiek op het met redenen omkleed advies, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld, waarbij zij evenwel de in het met redenen omkleed advies geformuleerde grief inzake het vereiste bedoeld in bijlage II, A, punt 4, bij richtlijn 91/676 liet vallen.
Beroep
25
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat richtlijn 91/676 beoogt de noodzakelijke instrumenten ter beschikking te stellen om de bescherming van het water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen in de Europese Unie te waarborgen (arrest Commissie/Nederland, C‑322/00, EU:C:2003:532, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Om die doelstellingen te bereiken dienen de lidstaten, zoals blijkt uit artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/676, voor de aangewezen kwetsbare zones actieprogramma’s op te stellen en uit te voeren.
27
Uit de elfde overweging van de considerans van richtlijn 91/676 volgt dat die actieprogramma’s maatregelen dienen te omvatten om het op of in de bodem brengen van alle stikstof bevattende meststoffen te beperken en om in het bijzonder specifieke grenswaarden voor het opbrengen van dierlijke mest vast te stellen.
28
Volgens artikel 5, lid 4, sub a en b, van richtlijn 91/676 moeten deze door de lidstaten uit te voeren actieprogramma’s meer specifiek bepaalde in de bijlagen II en III bij deze richtlijn bedoelde verplichte maatregelen omvatten.
29
Volgens artikel 5, lid 3, sub a en b, en bijlage II, A, punt 1, van richtlijn 91/676 houden die actieprogramma’s rekening met de beste beschikbare wetenschappelijke en technische kennis (zie naar analogie arrest Commissie/Ierland, C‑418/04, EU:C:2007:780, punt 63) en met de fysische, geologische en klimatologische omstandigheden van elke regio (zie in die zin arrest Commissie/Nederland, EU:C:2003:532, punten 136 en 155).
30
Tevens moet worden opgemerkt dat de lidstaten, hoewel zij over een zekere manoeuvreerruimte beschikken bij de keuze van de wijze waarop zij de voorschriften van richtlijn 91/676 uitvoeren (zie in die zin arrest Commissie/Nederland, EU:C:2003:532, punt 46), hoe dan ook, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van haar conclusie heeft opgemerkt, erop toe dienen te zien dat de doelstellingen van die richtlijn, en dus de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie, worden verwezenlijkt, zoals artikel 191, leden 1 en 2, VWEU vereist.
31
Bovendien moeten de lidstaten volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van een richtlijn zoals richtlijn 91/676, die technische regels vaststelt op het gebied van het milieu, er in het bijzonder op toezien dat hun wetgeving ter omzetting van de richtlijn duidelijk en nauwkeurig is, teneinde ten volle aan de eis van rechtszekerheid te voldoen (zie in die zin arresten Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑6/04, EU:C:2005:626, punten 21 en 26, en Commissie/België, C‑120/09, EU:C:2009:802, punt 27).
32
Ten slotte zij er nog aan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in een niet-nakomingsprocedure aan de Commissie staat om de gestelde niet-nakoming aan te tonen en de feiten en omstandigheden aan te dragen die het Hof nodig heeft om uit te maken of er sprake is van niet-nakoming, en dat zij zich daarbij niet kan baseren op een of ander vermoeden (arrest Commissie/Cyprus, C‑340/10, EU:C:2012:143, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Bijgevolg dient het Hof in het kader van het onderhavige geding na te gaan of de Commissie de gegevens heeft verschaft die nodig zijn om aan te tonen dat de door de Franse Republiek in het kader van de omzetting van richtlijn 91/676 vastgestelde maatregelen niet in overeenstemming zijn met de eisen van deze richtlijn.
34
Tot staving van haar beroep voert de Commissie zes grieven aan.
Eerste grief: schending van artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punt 1, en III, lid 1, punt 1, bij deze richtlijn
Argumenten van partijen
35
De eerste grief van de Commissie, die bestaat uit vijf onderdelen, betreft de bij besluit van 6 maart 2001 vastgestelde minimumperiodes waarin het uitrijden van de verschillende soorten meststoffen verboden is. Met die vijf onderdelen verwijt de Commissie de Franse Republiek respectievelijk dat zij:
—
voor in de herfst aangeplante akkerbouwgewassen en voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland geen periodes heeft vastgesteld waarin het verboden is meststoffen van type I uit te rijden;
—
voor in de lente aangeplante akkerbouwgewassen de periode waarin het verboden is meststoffen van type I uit te rijden, heeft beperkt tot de maanden juli en augustus;
—
voor in de herfst aangeplante akkerbouwgewassen het uitrijverbod voor meststoffen van type II heeft beperkt tot de periode van 1 november tot 15 januari, en voor dezelfde gewassen het uitrijverbod voor meststoffen van type III niet heeft verlengd tot na 15 januari;
—
voor in de lente aangeplante akkerbouwgewassen de periode waarin het verboden is meststoffen van type II uit te rijden niet heeft verlengd tot na van 15 januari, en
—
voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland heeft vastgesteld dat het slechts vanaf 15 november verboden is meststoffen van type II uit te rijden en voor dat grasland en in bergachtige regio’s het uitrijverbod voor meststoffen van type III niet heeft doen gelden tot het einde van de maand februari.
36
Met het eerste onderdeel van die grief betoogt de Commissie dat het Franse recht zou moeten voorzien in voorschriften op grond waarvan het gedurende bepaalde periodes verboden is om het even welk type meststof uit te rijden, gelet op het feit dat het zonder onderbreking gedurende het hele jaar uitrijden van bepaalde meststoffen schadelijk is en het niet mogelijk maakt de doelstellingen van de richtlijn bestaande in het voorkomen en verminderen van waterverontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen te waarborgen.
37
Op basis van de beschikbare wetenschappelijke gegevens merkt die instelling op dat, hoewel het proces waarbij de in organische meststoffen van type I aanwezige stikstof vrijkomt langzaam is, waardoor van die meststoffen minder risico’s uitgaan dan van andere types meststoffen, de vrijkomende hoeveelheid stikstof het water toch kan verontreinigen door uitloging en afvloeiing. Volgens de Commissie is het risico van waterverontreiniging bijzonder significant tijdens de herfst en de winter, wanneer de stikstof niet onmiddellijk kan worden opgenomen door de planten wegens de lage temperaturen (lager dan 5o C) en de grote hoeveelheid neerslag, waardoor zij niet kunnen groeien.
38
Met het tweede tot en met vijfde onderdeel van haar eerste grief betoogt de Commissie, om dezelfde redenen als die welke ter onderbouwing van het eerste onderdeel zijn aangevoerd, dat de door de Franse regeling vastgestelde periodes waarin het verboden is de verschillende types meststoffen uit te rijden, ontoereikend zijn en verlengd moeten worden zodat zij de periodes met een significant risico van waterverontreiniging als gevolg van niet door de planten opgenomen stikstof volledig omvatten.
39
De Commissie voegt hieraan toe dat, om de redenen die zijn vermeld in bijlage III bij het met redenen omkleed advies, de bij besluit van 19 december 2011 vastgestelde nieuwe periodes met een uitrijverbod niet volledig voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 91/676. In repliek zet de Commissie uiteen welke bezwaren zij heeft tegen het in dat besluit vastgestelde tijdschema voor het uitrijden en tegen de classificatie van de verschillende types meststoffen, en verzoekt zij het Hof om ook op die grond vast te stellen dat de Franse Republiek haar verplichtingen niet is nagekomen.
40
De Franse Republiek antwoordt om te beginnen dat, na de vaststelling van het besluit van 19 december 2011, de nationale regeling thans voorziet in een minimumperiode waarin het verboden is meststoffen van type I uit te rijden voor in de herfst aangeplante akkerbouwgewassen en voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland.
41
Voorts stelt die lidstaat dat voormeld besluit het bij besluit van 6 maart 2001 vastgestelde tijdschema volledig heeft gewijzigd, met uitzondering van de minimumperiodes waarin het verboden is meststoffen van type II en III uit te rijden voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland, die volgens haar in overeenstemming zijn met richtlijn 91/676.
42
Volgens de Franse Republiek dient het Hof rekening te houden met het besluit van 19 december 2011, aangezien het daarbij gaat om een volledige en rechtstreeks toepasselijke regeling die is aangenomen vóór het verstrijken van de door de Commissie in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Zij wijst erop dat een aantal daarin vastgestelde maatregelen niet onmiddellijk ingaan, omdat zij naar de aard ervan niet in de loop van een teeltseizoen kunnen worden uitgevoerd. Bovendien verlangt het rechtszekerheidsbeginsel dat particulieren over voldoende tijd beschikken om zich aan te passen aan de ingevoerde wijzigingen.
43
Vervolgens voert de Franse Republiek op basis van de haar ter beschikking staande wetenschappelijke gegevens aan dat een uitrijverbod voor stabiele organische meststoffen van type I, die gedurende de volledige herfst- en winterperiode traag en progressief geringere hoeveelheden stikstof afgeven, contraproductief kan werken, aangezien het wegens verschijnselen van stikstofomzetting in de bodem wenselijk kan zijn deze meststoffen in de herfst uit te rijden, zodat de stikstof die zij afgeven door de plant kan worden gebruikt tijdens de groeifase ervan. Bovendien kunnen daarmee de milieurisico’s verbonden aan het concentreren van de bemestingperiodes in de lente en de zomer worden uitgesloten.
44
Voorts betoogt de Franse Republiek dat er een wetenschappelijke consensus bestaat dat beweidingssystemen die worden gekenmerkt door een permanent plantendek, systemen zijn met geringe stikstofverliezen die een sterke bescherming bieden tegen de verontreiniging van wateren door met name bepaalde organische meststoffen van type I. Bijgevolg is de verbodsperiode die de Commissie voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland voor ogen heeft, buitensporig lang.
45
Ten slotte meent de Franse Republiek dat de bezwaren die de Commissie in haar repliek heeft geformuleerd met betrekking tot het besluit van 19 december 2011, niet-ontvankelijk zijn, aangezien die instelling in haar verzoekschrift haar grieven heeft beperkt tot het rechtskader dat met het besluit van 6 maart 2001 tot stand was gebracht.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
46
Wat de ontvankelijkheid betreft van de eerste grief die de Commissie ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, moet worden vastgesteld dat deze instelling in het inleidend verzoekschrift enkel heeft geklaagd over het door het besluit van 6 maart 2001 vastgestelde tijdschema. Wat het nieuwe tijdschema voor het uitrijden betreft, zoals dit is vastgesteld in het besluit van 19 december 2011, heeft de Commissie haar bezwaren enkel uiteengezet in de vorm van een loutere verwijzing naar de beoordeling in bijlage III bij het met redenen omkleed advies.
47
Bovendien had de kritiek die de Commissie in haar verzoekschrift formuleerde betrekking op het niet-vaststellen van verbodsperiodes dan wel op het vaststellen van naar haar mening onvoldoende lange verbodsperiodes. In repliek formuleert de Commissie haar grief daarentegen in verband enerzijds met het niet-vaststellen van de volgens haar gepaste verbodsperiodes, die uitsluitend zijn vermeld in bijlage III bij het met redenen omkleed advies, en anderzijds met de onjuiste classificatie van de verschillende types meststoffen, welke kwestie in het verzoekschrift helemaal niet was vermeld.
48
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat, zoals met name blijkt uit artikel 38, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, in de ten tijde van de instelling van het beroep geldende versie, en uit de op die bepaling betrekking hebbende rechtspraak van het Hof, elk krachtens artikel 258 VWEU ingediend verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten, waarbij deze aanduidingen zo duidelijk en nauwkeurig moeten zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen (arrest Commissie/Italië, C‑68/11, EU:C:2012:815, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens vaste rechtspraak is aan deze verplichting niet voldaan wanneer de grieven van de Commissie in het inleidend verzoekschrift slechts blijken in de vorm van een gewone verwijzing naar de in de aanmaningsbrief en in het met redenen omkleed advies gegeven redenen (arrest Commissie/Griekenland, C‑375/95, EU:C:1997:505, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Bovendien kan een partij, hoewel ingevolge artikel 42, lid 2, van voormeld Reglement voor de procesvoering zoals van toepassing ten tijde van de indiening van de memorie van repliek van de Commissie onder bepaalde omstandigheden nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, in de loop van het geding het voorwerp van een geschil niet wijzigen (zie in die zin arresten Commissie/Frankrijk, C‑256/98, EU:C:2000:192, punt 31, en Commissie/Slovenië, C‑627/10, EU:C:2013:511, punt 44).
50
Bijgevolg moet de eerste grief van de Commissie niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover daarmee aan de Franse Republiek nog andere inbreuken worden verweten dan die welke – althans voldoende duidelijk – in het verzoekschrift waren vermeld.
51
Niettemin moet worden opgemerkt dat de Commissie het voorwerp van het geding niet heeft gewijzigd door in de loop van het geding met haar beroep op te komen tegen de bepalingen van het besluit van 19 december 2011 waarmee slechts de verbodsperiodes werden overgenomen die in het besluit van 6 maart 2001 waren vastgesteld voor het uitrijden van meststoffen van type II en III op sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland (zie in die zin arresten Commissie/België, C‑221/03, EU:C:2005:573, punt 39, en Commissie/Frankrijk, C‑197/12, EU:C:2013:202, punt 26). Het verzoek van de Commissie om de niet-nakoming vast te stellen met betrekking tot de bepalingen van het besluit van 19 december 2011 die alleen maar de door het besluit van 6 maart 2001 vastgestelde verbodsperiodes overnemen, is ontvankelijk.
– Ten gronde
52
Om te beginnen dient in de eerste plaats eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn en dat met sindsdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan worden gehouden (arrest Commissie/Italië, C‑85/13, EU:C:2014:251, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53
Daar het met redenen omkleed advies van de Commissie van 27 oktober 2011 door de Franse Republiek daags nadien – op 28 oktober – is ontvangen en de aan die lidstaat gestelde termijn twee maanden bedroeg vanaf ontvangst van dat advies, geldt 28 december 2011 dus als datum voor de beoordeling of de verweten niet-nakoming bestaat.
54
Hoewel het besluit van 19 december 2011 is vastgesteld vóór het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, moet dus rekening worden gehouden met de bepalingen van dat besluit die reeds in werking waren getreden op 28 december 2011, maar niet met die welke pas daarna in werking zijn getreden.
55
Volgens artikel 2, deel II, van dat besluit traden de bepalingen waarin de minimumperiodes worden vastgesteld waarin het uitrijden van verschillende types meststoffen verboden is, pas in werking op 1 september 2012, dus na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Hieruit volgt dat het Hof geen rekening kan houden met de door die bepalingen aangebrachte wijzigingen.
56
In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat de niet-nakomingsprocedure volgens vaste rechtspraak van het Hof berust op de objectieve vaststelling dat een lidstaat de verplichtingen niet is nagekomen die het Unierecht hem oplegt, zodat deze staat zich niet kan beroepen op bepalingen, praktijken of situaties van zijn interne rechtsorde ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van de in een richtlijn vastgestelde verplichtingen en termijnen (zie in die zin arresten Commissie/Ierland, C‑55/12, EU:C:2013:274, punt 45, en Commissie/Tsjechische Republiek, C‑241/11, EU:C:2013:423, punt 48).
57
Bijgevolg kunnen de moeilijkheden die de Franse Republiek aanvoert ter rechtvaardiging van de in de tijd gespreide toepassing van het besluit van 19 december 2011 in de onderhavige zaak niet in de weg staan aan de objectieve vaststelling van een schending van richtlijn 91/676.
58
Wat de gegrondheid van die grief betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 5, lid 4, van die richtlijn, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punt 1, en III, lid 1, punt 1, erbij, voorziet in de verplichting om in die actieprogramma’s voorschriften op te nemen betreffende de periodes die ongeschikt zijn voor het uitrijden van meststoffen, of waarin dit verboden is. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat het verbod om gedurende bepaalde periodes van het jaar meststoffen uit te rijden een wezenlijke bepaling is van richtlijn 91/676, die niet in afwijkingen voorziet (zie in die zin arrest Commissie/Luxemburg, C‑526/08, EU:C:2010:379, punten 54, 55 en 57).
59
In casu kan met betrekking tot het eerste tot en met het vierde onderdeel van de eerste grief van de Commissie worden volstaan met de vaststelling dat de Franse Republiek niet betwist dat het in het besluit van 6 maart 2001 vastgestelde tijdschema voor het uitrijden niet voldoet aan de eisen van richtlijn 91/676. Die lidstaat merkt immers enkel op dat de nieuwe bepalingen van het besluit van 19 december 2011 de minimumperiodes waarin het uitrijden van de verschillende types meststoffen verboden is, hebben vastgesteld of verlengd.
60
Wat het vijfde onderdeel van de grief betreft, moet worden opgemerkt dat de Franse Republiek in de memories die zij bij het Hof heeft ingediend, stelt dat de periode voor het uitrijden van organische meststoffen van type II die snel mineraliseren en van minerale meststoffen van type III zo dicht mogelijk moet aansluiten bij de groeiperiode van de planten. Die lidstaat betwist echter niet dat voor het gehele Franse grondgebied geldt dat het opnemingspotentieel van planten vóór 15 november ten einde loopt, en evenmin dat de temperaturen in bergachtige regio’s langer beneden de drempel (5o C) blijven waarboven planten in staat zijn stikstof op te nemen.
61
Bovendien kan het betoog van de Franse Republiek betreffende de stabiele organische meststoffen van type I, dat is samengevat in de punten 35 en 36 van het onderhavige arrest, niet rechtvaardigen dat het is toegestaan organische meststoffen van type II uit te rijden in de periode waarin de planten geen stikstof opnemen. Blijkens de door de Franse Republiek niet betwiste gegevens in het aan het Hof overgelegde dossier is het risico van waterverontreiniging verbonden aan het uitrijden van die meststoffen tijdens een dergelijke periode immers groter door het grotere aandeel reeds gemineraliseerde stikstof in die meststoffen. Hetzelfde geldt noodzakelijkerwijs voor minerale meststoffen van type III.
62
Voorts moet worden vastgesteld, zoals in punt 29 van het onderhavige arrest is opgemerkt, dat bij de vaststelling van de periodes waarin het verboden is de verschillende types meststoffen uit te rijden, rekening moet worden gehouden met de specifieke klimatologische omstandigheden van bergachtige regio’s.
63
Bovendien moet met betrekking tot het argument van de Franse Republiek volgens hetwelk grasland een permanent plantendek heeft dat waarborgt dat water wordt beschermd tegen nitraatuitspoeling, worden opgemerkt dat het wetenschappelijk onderzoek waarop dat argument is gebaseerd, geenszins het risico uitsluit dat het uitrijden van meststoffen buiten de groeiperiode resulteert in verontreiniging, aangezien die studie in feite slechts vaststelt dat bij beweidingssystemen geringere stikstofverliezen werden gemeten.
64
Bijgevolg moet de eerste grief van de Commissie gegrond worden geacht.
Tweede grief: schending van artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punt 5, en III, lid 1, punt 2, bij deze richtlijn
Argumenten van partijen
65
Met haar tweede grief, die bestaat uit drie onderdelen, uit de Commissie kritiek op de voorschriften voor de opslag van dierlijke mest die zijn vastgesteld in het besluit van 6 maart 2001 en in de departementale actieprogramma’s. Met die onderdelen wordt respectievelijk aangevoerd:
—
dat er voor de landbouwers geen dwingende regels bestaan die voorzien in duidelijke, nauwkeurige en objectieve criteria voor de vaststelling van de noodzakelijke opslagcapaciteit;
—
dat er geen regels bestaan die kunnen waarborgen dat de landbouwbedrijven over voldoende opslagcapaciteit beschikken, en
—
dat het is toegestaan compacte stromest op het veld op te slaan, en zulks gedurende 10 maanden.
66
Ter ondersteuning van het eerste onderdeel van haar grief betoogt de Commissie dat de nationale regeling niet voorziet in duidelijke, nauwkeurige en objectieve criteria die het de landbouwers mogelijk maken te berekenen over hoeveel opslagcapaciteit zij moeten beschikken, en de overheid in staat stellen het beheer van de dierlijke mest naar behoren te controleren. Die instelling meent dat een opslagcapaciteit uitgedrukt in maanden en weken mestproductie, gekoppeld aan de vaststelling van de hoeveelheden mestproductie per categorie dieren, daartoe het beste middel vormt.
67
Ter ondersteuning van het tweede onderdeel van haar tweede grief merkt de Commissie op dat het Franse recht niet voorschrijft dat bij de opslagcapaciteiten rekening moet worden gehouden met de veiligheidsmarge welke bij de opslag noodzakelijk is voor het geval dat het uitrijden van dierlijke mest onmogelijk is als gevolg van bijzondere weersomstandigheden. Volgens de Commissie zou de minimumopslagcapaciteit ten minste moeten overeenkomen met vijf maanden voor de departementen in de regio’s Languedoc-Roussillon, Aquitaine, Midi-Pyrénées en Provence-Alpes-Côte d’Azur, en met minstens zes maanden voor de departementen in de andere Franse regio’s.
68
In het kader van die eerste twee onderdelen merkt de Commissie tevens op dat de in het besluit van 19 december 2011 vastgestelde DEXEL-methode voor de beoordeling van de opslagcapaciteit niet geschikt is, omdat zij voorziet in ingewikkelde regels die door een erkende deskundige op elk bedrijf individueel moeten worden toegepast. Bovendien zouden tot 1 juli 2016 de opslagcapaciteiten nog steeds kunnen worden berekend op basis van de in het besluit van 6 maart 2001 vastgestelde onjuiste periodes met een uitrijverbod. In elk geval betoogt de Commissie dat de werkelijke doelstelling van die methode erin bestaat de opslagcapaciteit aan te passen aan de economische en agronomische omstandigheden van elk bedrijf, en niet aan de periodes met een uitrijverbod.
69
Met het derde onderdeel van die grief merkt de Commissie op dat vrijwel alle departementale actieprogramma’s toestaan dat compacte stromest voor een duur van tien maanden direct op het veld wordt opgeslagen. Volgens die instelling brengt deze vorm van opslag voor een dergelijke duur, zonder bescherming tussen de bodem en de dierlijke mest en zonder afdekking van die mest, aanzienlijke risico’s van waterverontreiniging mee en zou hij moeten worden verboden. In repliek voegt de Commissie daaraan toe dat de nationale autoriteiten de duur van de opslag niet kunnen controleren, aangezien het besluit van 19 december 2011 niet voorschrijft dat de exploitant registreert op welke de datum de meststoffen op het veld zijn opgeslagen.
70
De Franse Republiek betwist het standpunt van de Commissie. Zij stelt dat de DEXEL-methode rekening houdt met alle parameters, met inbegrip van de toevallige weersomstandigheden, die relevant zijn om de opslagbehoeften van elk in een kwetsbare zone gelegen bedrijf betrouwbaar vast te stellen. De toepassing van die methode resulteert dus in een minimumopslagcapaciteit die groter is dan de capaciteit die noodzakelijk is voor de opslag tijdens de langste periode waarin een uitrijverbod geldt. Volgens die lidstaat zou een verplichte opslagcapaciteit van zes maanden voor de meeste Franse regio’s en van vijf maanden voor de regio’s in het zuiden van Frankrijk, het niet mogelijk maken rekening te houden met de verscheidenheid van de landbouwbedrijven en met de pedoklimatologische en agronomische omstandigheden in Frankrijk.
71
Wat het derde onderdeel van de tweede grief van de Commissie betreft, betoogt de Franse Republiek om te beginnen dat dit onderdeel niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op het beginsel zelf van de mogelijkheid om compacte stromest op het veld op te slaan, op de voorwaarden waaronder deze opslag plaatsvindt en op de modaliteiten van het toezicht op de toepasselijke nationale regels, aangezien de Commissie er zich tijdens de precontentieuze procedure toe heeft beperkt kritiek te uiten op de buitensporig lange duur van de periode waarin dit type opslag is toegestaan.
72
Wat de gegrondheid van dit onderdeel betreft, voert de Franse Republiek aan dat het besluit van 19 december 2011, waarin de voordien door de departementale actieprogramma’s vastgestelde voorschriften zijn overgenomen, bepaalt dat veldopslag slechts mag plaatsvinden nadat de mest reeds twee maanden in een gebouw is opgeslagen en op voorwaarde dat hij niet kan afvloeien. Met die vereisten kan elk risico van waterverontreiniging worden voorkomen.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
73
Wat de ontvankelijkheid van de tweede grief van de Commissie betreft, moet worden vastgesteld dat de Commissie in het met redenen omkleed advies geen kritiek heeft geuit op het feit zelf dat veldopslag van compacte stromest was toegestaan en overigens uitdrukkelijk heeft aanvaard dat een dergelijke opslag plaatsvond voor zover deze tot enkele weken beperkt bleef, en evenmin op het feit dat de autoriteiten de werkelijke duur van dit type opslag onmogelijk konden controleren.
74
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het voorwerp van een krachtens artikel 258 VWEU ingesteld beroep volgens vaste rechtspraak van het Hof wordt afgebakend door de in dit artikel bedoelde precontentieuze procedure, en dus niet meer kan worden verruimd tijdens de contentieuze procedure. Het met redenen omkleed advies van de Commissie en het verzoekschrift moeten op dezelfde overwegingen en middelen berusten, zodat het Hof geen rekening kan houden met een grief die niet is aangevoerd in het met redenen omkleed advies, dat een coherente en gedetailleerde uiteenzetting moet bevatten van de redenen die de Commissie tot de overtuiging hebben gebracht dat de betrokken lidstaat een van de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen (zie arresten Commissie/Duitsland, C‑160/08, EU:C:2010:230, punt 43, en Commissie/Spanje, C‑67/12, EU:C:2014:5, punt 52).
75
Derhalve moet de tweede grief van de Commissie niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover daarmee aan de Franse Republiek nog andere inbreuken worden verweten dan die welke in het met redenen omkleed advies waren vermeld.
76
Wat daarentegen de voorwaarden betreft waaronder compacte stromest op het veld wordt opgeslagen, zij opgemerkt dat de grief in de precontentieuze en de contentieuze fase in vergelijkbare bewoordingen is geformuleerd. Het met redenen omkleed advies van de Commissie vermeldde immers reeds de met dit type opslag verbonden risico’s van waterverontreiniging, juist wegens de voorwaarden waaronder de opslag is toegestaan, en zulks niettegenstaande de door de Franse Republiek verstrekte gegevens betreffende de voorafgaande voorwaarden voor een dergelijke opslag.
77
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie haar grief op dit punt niet heeft verruimd en in haar beroep slechts de verwijten met betrekking tot die voorwaarden en eisen heeft gepreciseerd, met name om de argumenten van de Franse Republiek te beantwoorden.
78
De tweede grief van de Commissie moet dan ook ontvankelijk worden verklaard voor zover zij de voorwaarden betreft waaronder compacte stromest op het veld wordt opgeslagen.
79
Bovendien moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit punt 51 van het onderhavige arrest, de vordering van de Commissie – overeenkomstig het in haar repliek geformuleerde verzoek in die zin – om de niet-nakoming vast te stellen met betrekking tot de bepalingen van het besluit van 19 december 2011, ontvankelijk is voor zover daarin slechts de voorschriften van departementale actieprogramma’s inzake de veldopslag van mest zijn overgenomen.
– Ten gronde
80
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat volgens artikel 2, deel I, 1o, van het besluit van 19 december 2011 de bepalingen van dit besluit inzake de opslagplaatsen voor dierlijke mest worden uitgevoerd vanaf de bekendmaking van dat besluit, dus vóór het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Om de in de punten 52 tot en met 54 van het onderhavige arrest vermelde redenen moet in het kader van het onderhavige beroep dus rekening worden gehouden met bedoelde bepalingen.
81
Wat de gegrondheid van deze grief betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punt 5, en III, lid 1, punt 2, bij die richtlijn enerzijds bepaalt dat in de actieprogramma’s voorschriften dienen te worden opgenomen aangaande de capaciteit en bouw van opslagtanks voor dierlijke mest ter voorkoming van waterverontreiniging. Anderzijds moet de voorziene opslagcapaciteit groter zijn dan die welke is vereist voor de langste periode waarin het op of in de bodem brengen van mest in de betrokken kwetsbare zone verboden is, behalve wanneer kan worden aangetoond dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het milieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd.
82
Wat het eerste onderdeel van de tweede grief betreft, moet worden opgemerkt dat bijlage I, deel II, 1o, bij het besluit van 19 december 2011 bepaalt dat elk in een kwetsbare zone gelegen veehouderijbedrijf dient te beschikken over opslagplaatsen waarvan de capaciteit, gelet op de mogelijkheden om die mest zonder risico voor de waterkwaliteit te behandelen of te verwijderen, minstens volstaat om de minimumperiodes met een uitrijverbod te dekken, waarbij rekening wordt gehouden met de extra risico’s die verband houden met de weersomstandigheden. De vereiste minimumopslagcapaciteit moet worden uitgedrukt in mestopslagweken.
83
Voor de berekening van de vereiste opslagcapaciteiten legt artikel 2, deel I, 1o, van dat besluit een diagnosemethode genaamd DEXEL-methode op. Blijkens de gegevens in het aan het Hof overgelegde dossier wordt die diagnose uitgevoerd door een erkend deskundige in samenwerking met de landbouwer. Met die methode kunnen de opslagcapaciteiten voor de vaste en de vloeibare meststoffen worden berekend, welke capaciteiten zijn aangepast aan de kenmerken van elk landbouwbedrijf en het de landbouwers mogelijk maken de mest uit te rijden op het naargelang van de behoeften van de gewassen meest geschikte moment. Uit die gegevens blijkt tevens dat de methodologie en de berekeningswijze waarop die diagnose is gebaseerd, met inbegrip van de gegevens betreffende de maandelijkse mestproductie per diersoort, gedetailleerd zijn vastgesteld.
84
Hoewel de Commissie betoogt dat de DEXEL-methode ongeschikt is voor de berekening van de vereiste opslagcapaciteit, moet worden vastgesteld dat zij niet specifiek aangeeft waarom die methode naar de aard ervan tekortkomingen zou vertonen.
85
In het bijzonder kan de kritiek van de Commissie met betrekking tot de samenwerking tussen de erkende deskundigen en de landbouwers in het kader van de DEXEL-methode niet slagen. Zoals de advocaat-generaal in punt 65 van haar conclusie heeft opgemerkt, is de inschakeling van deskundigen ter wille van de uitvoering van richtlijn 91/676 immers geenszins uitgesloten door deze richtlijn.
86
Anders dan de Commissie aanvoert, blijkt uit de aan het Hof overgelegde gegevens betreffende de DEXEL-methode bovendien niet dat de berekening van de opslagcapaciteiten indruist tegen de voorschriften van richtlijn 91/676.
87
Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het eerste onderdeel van de tweede grief van de Commissie ongegrond is.
88
Wat het tweede onderdeel van de tweede grief betreft, moet om te beginnen worden vastgesteld dat het besluit van 19 december 2011 bepaalt dat bij de dimensionering van de opslagplaatsen rekening moet worden gehouden met de aan de weersomstandigheden verbonden extra risico’s. Hieruit volgt dat, anders dan de Commissie betoogt, de door de nationale regeling voorgeschreven opslagcapaciteiten een veiligheidsmarge moeten hebben die het mogelijk maakt een grotere hoeveelheid mest op te slaan wanneer wegens de weersomstandigheden niet kan worden uitgereden.
89
Wat vervolgens de minimale opslagperiodes betreft die volgens de Commissie in de verschillende Franse regio’s zouden moeten worden opgelegd, kan worden volstaan met op te merken, enerzijds, dat uit het door de Commissie overgelegde wetenschappelijke onderzoek blijkt dat in de Franse regio’s die zich bevinden in de pedoklimatische zone van de Middellandse Zee, een opslagcapaciteit met een duur van slechts vier maanden toereikend zou moeten zijn.
90
Anderzijds blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier tevens dat factoren die specifiek zijn voor elke veehouderij, zoals de geproduceerde types dierlijke mest en de aangeplante gewassen, van invloed kunnen zijn op de vereiste opslagcapaciteiten. Uit de door de Franse Republiek in dat verband aangehaalde wetenschappelijke gegevens, die door de Commissie niet worden betwist, blijkt inzonderheid dat bij veehouderijsystemen waarbij alleen stabiele organische meststoffen van type I worden geproduceerd, vooral wanneer het om beweidingssystemen gaat, de risico’s van verontreiniging minder groot zijn.
91
Ten slotte moet worden opgemerkt dat artikel 2, deel I, 2o, van het besluit van 19 december 2011 bepaalt dat tot uiterlijk 1 juli 2016 de opslagcapaciteiten mogen worden berekend op basis van het in het besluit van 6 maart 2001 vastgestelde tijdschema met uitrijverboden, welke schema, zoals is vastgesteld in punt 64 van het onderhavige arrest, niet in overeenstemming is met de eisen van richtlijn 91/676. De Commissie betoogt dus terecht dat de Franse Republiek geen regels heeft vastgesteld die waarborgen dat de opslagcapaciteiten van de bedrijven toereikend zijn.
92
Derhalve moet worden vastgesteld dat het tweede onderdeel van de tweede grief van de Commissie gegrond is, voor zover zij aanvoert dat tot 1 juli 2016 bij de berekening van de opslagcapaciteiten kan worden uitgegaan van een tijdschema met uitrijverboden dat niet voldoet aan de eisen van richtlijn 91/676.
93
Wat het derde onderdeel van de tweede grief van de Commissie betreft, blijkt uit de door de Franse Republiek niet betwiste gegevens in het aan het Hof overgelegde dossier, dat compacte stromest na de opslag ervan in een gebouw tijdens de eerste twee maanden nog steeds stikstof afgeeft, zij het traag en geleidelijk. Hieruit volgt bovendien dat de fase van de immobilisering van de op de bodem vrijkomende stikstof, waarin het met dergelijke meststoffen verbonden risico van verontreiniging geringer is, tijdelijk is. Wanneer de meststof in de herfst wordt opgebracht, houdt voormeld verschijnsel aldus in beginsel aan tot het einde van de winter.
94
Hieruit volgt dat, aangezien de opslag van meststoffen direct op het veld en zonder afdekking toegestaan is gedurende een periode van maximaal tien maanden, welke periode ruimer kan zijn dan de fase van de immobilisering van de stikstof, het aan die opslagmodaliteit verbonden risico van waterverontreiniging niet kan worden uitgesloten.
95
Gelet op het voorgaande, moet worden vastgesteld dat het derde onderdeel van de tweede grief die de Commissie ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, gegrond is.
96
Derhalve moet de tweede grief van de Commissie gegrond worden geacht voor zover de nationale regeling, enerzijds, bepaalt dat tot 1 juli 2016 bij de berekening van de opslagcapaciteiten kan worden uitgegaan van een tijdschema met uitrijverboden dat niet voldoet aan de eisen van richtlijn 91/676, en anderzijds, toestaat dat compacte stromest gedurende 10 maanden op het veld wordt opgeslagen.
Derde grief: schending van artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met bijlage III, lid 1, punt 3, bij deze richtlijn
Argumenten van partijen
97
Met haar derde grief verwijt de Commissie de Franse Republiek het ontbreken van regels die de landbouwers en de controle-instanties in staat stellen precies te berekenen hoeveel stikstof mag worden uitgereden om een evenwichtige bemesting te waarborgen.
98
Ter onderbouwing van die grief betoogt de Commissie dat het besluit van 6 maart 2001 weliswaar heeft voorzien in een methode, genaamd „methode van de balansprognose”, om te bepalen hoeveel stikstof moet worden toegevoerd, maar dat de meeste departementale actieprogramma’s niet alle noodzakelijke berekeningsfactoren vaststellen (stikstofbehoefte voor elk gewas en voor grasland, rendement van stikstof in dierlijke mest, de in de grond en in de dierlijke mest aanwezige stikstof, etc.) dan wel die elementen zodanig ingewikkeld uiteenzetten dat de juiste toepassing ervan geenszins is gewaarborgd. Volgens de Commissie zou de vaststelling van gekwantificeerde bovengrenswaarden voor de toevoer van stikstof totaal voor de verschillende gewassen het mogelijk kunnen maken de problemen bij de toepassing van die methode op te lossen en te voldoen aan het vereiste van rechtszekerheid.
99
De Commissie merkt in repliek tevens op dat het besluit van 19 december 2011 slechts de grote lijnen van de methode van de balansprognose heeft vastgelegd, en het aan de prefecten van de regio’s heeft overgelaten om, op voorstel van de regionale groepen van deskundigen op nitraatgebied, de regionale referentiewaarden voor de operationele uitvoering van die methode vast te stellen. Zij formuleert vervolgens een aantal bezwaren aangaande de voorschriften van dat besluit en van de door de prefecten vastgestelde regionale uitvoeringsbesluiten ervan.
100
De Franse Republiek meent dat de methode van de balansprognose geschikt is om het evenwicht van de stikstofbemesting te waarborgen, aangezien daarmee gebruiksnormen kunnen worden vastgesteld die de uitgereden dosis meststoffen bij de bron beperken door rekening te houden met de agronomische en pedoklimatische kenmerken van elk bedrijf.
101
Bovendien voert die lidstaat aan dat de bij het besluit van 19 december 2011 ingevoerde wijzigingen het mogelijk maken te verzekeren dat het beginsel van een evenwichtige bemesting juist wordt toegepast. Ter zake merkt hij op dat dit besluit thans met zoveel woorden verwijst naar de methode voor de berekening van de balansprognose en refereert aan online beschikbare documenten waarin die methode nader wordt uiteengezet. Bovendien zijn in dat besluit de nodige voorschriften vastgesteld voor de berekening van een evenwichtige dosis stikstof, waaraan de landbouwers zich dienen te houden zonder dat behoeft te worden gewacht op de vaststelling van prefectorale besluiten houdende operationele referentiewaarden op regionaal niveau.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
102
Wat de ontvankelijkheid van de derde grief van de Commissie betreft, moet worden opgemerkt dat die instelling voor het eerst in haar memorie van repliek aan de Franse Republiek tekortkomingen verwijt in verband met de bepalingen van het besluit van 19 december 2011 en de prefectorale besluiten die niet louter de inhoud van de bepalingen van het besluit van 6 maart 2001 overnemen.
103
Voor zover de Commissie met haar derde grief de Franse Republiek ook tekortkomingen verwijt die niet waren vermeld in het met redenen omkleed advies of in het verzoekschrift, moet deze grief, zoals blijkt uit de punten 49 en 74 van het onderhavige arrest, niet-ontvankelijk worden verklaard.
– Ten gronde
104
Om te beginnen moet worden vastgesteld dat volgens artikel 2, deel II, van het besluit van 19 december 2011 de bepalingen van dit besluit die voorzien in verplichtingen voor de landbouwers bij het uitrijden van stikstofhoudende meststoffen in kwetsbare zones, pas op 1 september 2012 in werking moesten treden, dus na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn.
105
Bovendien staat vast dat bij het verstrijken van die termijn de regionale referentiewaarden, die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen van dat besluit inzake de berekening van de hoeveelheid stikstof die door de meststoffen moet worden aangevoerd volgens de methode van de balansprognose, nog niet waren vastgesteld.
106
Om de redenen die in de punten 52 tot en met 54 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, hoeft bijgevolg niet te worden onderzocht of de door voormeld besluit ingevoerde wijzigingen een correcte uitvoering zouden kunnen vormen van de uit bijlage III, lid 1, punt 3, bij richtlijn 91/676 voortvloeiende verplichtingen.
107
Voor het overige zij eraan herinnerd dat de maatregelen die ingevolge artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met bijlage III, lid 1, punt 3, bij die richtlijn, in de actieprogramma’s moeten worden opgenomen, voorschriften behelzen betreffende de beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen gebaseerd op een balans tussen de te verwachten stikstofbehoeften van de gewassen en de stikstoftoevoer naar de gewassen uit de bodem en uit bemesting.
108
In casu moet worden vastgesteld dat, hoewel uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat de redenering achter de methode van de balansprognose in beginsel zou moeten leiden tot een optimale stikstoftoevoer voor elke teelt, het een feit blijft dat de Franse Republiek zelf erkent dat de bepalingen van het besluit van 6 maart 2001 die verband houden met de balans van de stikstofbemesting, het niet mogelijk maken de volledige toepassing van bijlage III, lid 1, punt 3, bij richtlijn 91/676 te waarborgen op een wijze die voldoende duidelijk en nauwkeurig is.
109
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat die lidstaat zowel in het kader van het onderhavige beroep als in de precontentieuze fase zich ertoe heeft beperkt melding te maken van de wijzigingen die door het besluit van 19 december 2011 waren ingevoerd om de toepassing van de methode van de balansprognose „eenvoudig en begrijpbaar” te maken en de landbouwers en controleautoriteiten in staat te stellen correct te berekenen hoeveel stikstof kan worden uitgereden om de door richtlijn 91/676 beoogde evenwichtige bemesting te waarborgen, waaruit rechtens genoegzaam blijkt dat dit niet het geval was onder de vigeur van het besluit van 6 maart 2001.
110
Derhalve moet de derde grief die de Commissie ter ondersteuning van haar beroep aanvoert, gegrond worden geacht.
Vierde grief: schending van artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met bijlage III, lid 2, bij deze richtlijn
111
Vooraf zij opgemerkt dat de Commissie, nadat zij kennis had genomen van de door de Franse autoriteiten in hun verweerschrift aangevoerde argumenten, in repliek heeft afgezien van een onderdeel van haar vierde grief, voor zover deze betrekking had op de voor vloeibare varkensmest vastgestelde stikstofemissiewaarden. Dat onderdeel is derhalve niet meer aan de orde in het onderhavige beroep.
Argumenten van partijen
112
Met haar vierde grief, die bestaat uit acht onderdelen, betoogt de Commissie op basis van wetenschappelijke onderzoeken dat de in de circulaire van 15 mei 2003 voor verschillende soorten dieren vastgestelde stikstofemissiewaarden, waaraan een groot gedeelte van de departementale actieprogramma’s refereert, zijn berekend op basis van onjuiste hoeveelheden door de dieren uitgescheiden stikstof of van te hoog geraamde coëfficiënten van stikstofverlies door vervluchtiging. Die circulaire maakt het dus niet mogelijk te waarborgen dat de door richtlijn 91/676 op 170 kilogram stikstof per hectare per jaar vastgestelde grens voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest in acht wordt genomen. Met de acht onderdelen van die grief van de Commissie wordt aldus respectievelijk aangevoerd dat:
—
de waarden voor melkkoeien zijn vastgesteld op basis van een onjuiste hoeveelheid stikstofexcretie en een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de waarden voor de overige runderen zijn vastgesteld op basis van een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
voor varkens geen stikstofemissiewaarden zijn vastgesteld voor vaste meststoffen;
—
de waarden voor pluimvee zijn vastgesteld op basis van een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 60 %;
—
de waarden voor schapen zijn vastgesteld op basis van een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de waarden voor geiten zijn vastgesteld op basis van een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de waarden voor paardachtigen zijn vastgesteld op basis van een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %, en
—
de waarden voor konijnen zijn vastgesteld op basis van een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 60 %.
113
Met het eerste onderdeel van haar vierde grief stelt de Commissie zich enerzijds op het standpunt dat de voor melkkoeien vastgestelde stikstofemissiewaarde is gebaseerd op een hoeveelheid stikstofexcretie die geen rekening houdt met de verschillende niveaus van melkproductie, terwijl de hoeveelheid stikstof in dierlijke mest verschilt naargelang de hoogte van de melkproductie van het dier en een aantal Franse regio’s wordt gekenmerkt door een intensieve productie. Anderzijds is bedoelde waarde gebaseerd op een te hoge vervluchtigingscoëfficiënt, aangezien de gemiddelde vervluchtigingcoëfficient moet worden geacht 24 % te bedragen.
114
Bovendien voert die instelling aan dat de overgangsbepaling in bijlage II, deel B, bij het besluit van 19 december 2011, op grond waarvan voor de periode van 1 september 2012 tot 31 augustus 2013, een tussenliggende waarde geldt voor melkveebedrijven waarvan het aandeel grasland meer dan 75 % bedraagt van het voedergewassenareaal, resulteert in overbemesting van de grond en niet-inachtneming van het maximum van 170 kilogram stikstof per hectare per jaar.
115
Met het tweede onderdeel van haar vierde grief betoogt de Commissie dat de voor andere runderen vastgestelde vervluchtigingscoëfficiënt te hoog is, aangezien wetenschappelijke gegevens uitgaan van een lagere vervluchtigingscoëfficiënt van 21 %. In repliek plaatst de Commissie tevens vraagtekens bij de hoeveelheden stikstofexcretie die de Franse Republiek in aanmerking heeft genomen om die waarden vast te stellen.
116
Met het derde onderdeel van die grief stelt de Commissie dat ook stikstofemissiewaarden moeten worden vastgesteld voor vaste varkensmest.
117
In het kader van het vierde onderdeel van die grief merkt de Commissie op dat de in de wetenschappelijke literatuur aangegeven vervluchtigingscoëfficiënt voor drijfmest 30 % bedraagt. Wat drijfmest producerend pluimvee betreft, leiden de in de Franse regelgeving vastgestelde waarden dus tot een aanzienlijke onderschatting van de uitrijdbare stikstofinhoud van de drijfmest.
118
Met het vijfde en zesde onderdeel van die grief betoogt die instelling dat de voor schapen en geiten vastgestelde vervluchtigingscoëfficiënten te hoog zijn, aangezien wetenschappelijke onderzoeken melding maken van coëfficiënten van 9,5 %.
119
Wat het zevende onderdeel van haar vierde grief betreft, voert de Commissie aan dat voor paardachtigen in de wetenschappelijke literatuur een lagere vervluchtigingscoëfficiënt, van 13,1 %, wordt gegeven dan in de nationale regeling.
120
Ten slotte voert de Commissie met het achtste onderdeel van die grief aan dat ook de door de nationale regeling voor konijnen vastgestelde vervluchtigingscoëfficiënt te hoog is. Zij merkt dienaangaande op dat in diverse wetenschappelijke onderzoeken coëfficiënten van 28 % en 44 % worden gegeven.
121
De Franse Republiek antwoordt om te beginnen dat de stikstofemissiewaarden die de Commissie met toepassing van de naar haar mening geschikte vervluchtigingscoëfficiënten heeft nagerekend, onjuist zijn, aangezien die coëfficiënten alleen mogen worden toegepast op het aandeel stikstof dat vrijkomt terwijl de mest zich in een gebouw bevindt of wordt opgeslagen. De Commissie heeft bedoelde coëfficiënten evenwel ook toegepast op de hoeveelheid stikstof die buiten vrijkomt.
122
Die lidstaat is bovendien van mening dat het verwijt van de Commissie betreffende de voor andere runderen dan melkkoeien vastgestelde hoeveelheden stikstofexcretie, niet-ontvankelijk is omdat het voor het eerst in repliek wordt aangevoerd.
123
Voorts merkt de Franse Republiek op dat het besluit van 19 december 2011 thans voorziet in een lagere vervluchtigingscoëfficiënt van 25 % voor melkkoeien alsmede in stikstofemissiewaarden voor vaste varkensmest.
124
Tot slot merkt de Franse Republiek op dat de in de Franse regeling vastgestelde vervluchtigingscoëfficiënten gebaseerd zijn op de werkzaamheden van het comité d’orientation pour les pratiques agricoles respectueuses de l’environnement (oriëntatiecomité voor milieuvriendelijke landbouwpraktijken; hierna: „Corpen”) en zijn vastgesteld op basis van balansmethoden, in het kader waarvan de vervluchtiging gelijk is aan het verschil tussen de stikstofexcretie door de dieren en de stikstof die wordt gemeten in de uitwerpselen die het gebouw of de opslagplaats verlaten. Die methoden zijn geschikter voor de berekening van de stikstofemissiewaarden dan de methode van de directe meting waarvan wordt uitgegaan in de door de Commissie overgelegde studies en waarbij de luchtstromen en de samenstelling van de gassen die de gebouwen en de opslaginstallaties verlaten en binnenkomen, worden geanalyseerd. Die lidstaat voert aan dat uit de beschikbare wetenschappelijke gegevens betreffende de door dierlijke mest geproduceerde gasvormige stikstofemissies in elk geval blijkt dat de emissiewaarden zeer sterk kunnen uiteenlopen.
Beoordeling door het Hof
– Ontvankelijkheid
125
Wat de ontvankelijkheid van de vierde grief van de Commissie betreft, moet enerzijds worden opgemerkt dat de verwijten aangaande de overgangsbepaling van bijlage II, deel B, bij het besluit van 19 december 2011, betreffende de productie van uitrijdbare stikstof door melkkoeien, niet waren opgenomen in het met redenen omkleed advies. Anderzijds moet worden opgemerkt dat de Commissie, hoewel zij in haar inleidend verzoekschrift uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij de voor de overige runderen vastgestelde hoeveelheden stikstofexcretie niet betwistte, in repliek vraagtekens plaats bij deze berekeningsfactoren.
126
Hieruit volgt dat die grief, voor zover de Commissie daarmee kritiek uit op de tussenliggende waarde die voor melkkoeien is vastgesteld door de overgangsbepaling in bijlage II, deel B, bij het besluit van 19 december 2011, alsook op de door de circulaire van 15 mei 2003 voor de andere runderen vastgestelde hoeveelheden stikstofexcretie, om de redenen die in de punten 49 en 74 van het onderhavige arrest zijn uiteengezet, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
127
Daarentegen is ontvankelijk, zoals blijkt uit punt 51 van het onderhavige arrest, de vordering van de Commissie, in overeenstemming met het daartoe strekkende verzoek in haar memorie van repliek, om de niet-nakoming vast te stellen met betrekking tot de bepalingen van het besluit van 19 december 2011 waarmee de voor andere runderen dan melkkoeien en de voor pluimvee, schapen, geiten, paardachtigen en konijnen vastgestelde stikstofemissiewaarden zijn overgenomen.
– Ten gronde
128
Om te beginnen dient te worden vastgesteld dat volgens artikel 2, deel II, van het besluit van 19 december 2011 de bepalingen van dat besluit betreffende de berekeningswijze van de maximale hoeveelheid stikstof in de jaarlijks voor elk bedrijf uit te rijden dierlijke meststoffen, slechts in werking treden op 1 september 2012, dus na de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Hetzelfde geldt noodzakelijkerwijs voor de eveneens in dat besluit ter uitvoering van die bepalingen vastgestelde stikstofexcretienormen per diersoort. Zoals is opgemerkt in de punten 52 tot en met 54 van het onderhavige arrest, kan het Hof bijgevolg geen rekening houden met de door het besluit van 19 december 2011 ingevoerde wijzigingen.
129
Voor het overige zij eraan herinnerd dat artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met bijlage III, lid 2, bij deze richtlijn, voorziet in de verplichting om in de actieprogramma’s regels op te nemen betreffende de beperking van het op of in de bodem brengen van meststoffen waarmee moet worden gewaarborgd dat „de elk jaar op of in de bodem gebrachte hoeveelheid dierlijke mest, met inbegrip van die welke door de dieren zelf wordt opgebracht, voor elk landbouw- of veehouderijbedrijf een bepaalde hoeveelheid per hectare niet overschrijdt”. Deze beperking komt overeen met de hoeveelheid mest die maximaal 170 kilogram stikstof bevat, waarbij de lidstaten onder de voorwaarden van bijlage III, lid 2, sub a en b, bij richtlijn 91/676 een andere hoeveelheid meststoffen kunnen toestaan.
130
Zoals blijkt uit de elfde overweging van de considerans van deze richtlijn, is de vaststelling van specifieke grenswaarden voor het uitrijden van dierlijke mest van bijzonder belang voor de verwezenlijking van de doelstellingen van vermindering en voorkoming van waterverontreiniging door nitraten uit landbouwbronnen.
131
Volgens bijlage III, lid 3, bij die richtlijn kan de hoeveelheid dierlijke mest die op of in de bodem mag worden gebracht, worden berekend op basis van aantallen dieren. Daartoe moeten de lidstaten, zoals is opgemerkt in punt 29 van het onderhavige arrest, rekening houden met de beste beschikbare wetenschappelijke en technische kennis en de fysische, geologische en klimatologische omstandigheden van elke regio.
132
In casu bepaalt bijlage II, punt 1, bij het besluit van 1 augustus 2005 dat de stikstofproductie van de op het bedrijf aanwezige dieren wordt berekend door het aantal dieren te vermenigvuldigen met de waarden voor de productie van uitrijdbare stikstof per dier. Vaststaat dat die waarden zijn vastgesteld door op de hoeveelheid brutostikstofexcretie van de dieren de stikstof in mindering te brengen die vervluchtigt terwijl het dier op stal staat en tijdens de opslag van de meststoffen, door de toepassing van vervluchtigingscoëfficiënten.
133
Gelet op het voorgaande moet om te beginnen worden vastgesteld dat de vergissingen van de Commissie bij de narekening van de stikstofemissiewaarden, die zij in repliek zelf erkent, niet afdoen aan haar verwijten betreffende de brutohoeveelheden stikstofexcretie en de coëfficiënten voor de stikstofverliezen door vervluchtiging die in de nationale regeling voor de verschillende soorten dieren zijn vastgesteld. Die conclusie wordt niet betwist door de Franse Republiek, die ter zake slechts aanvoert dat de betrokken coëfficiënten ten onrechte zijn toegepast op de totale hoeveelheid stikstofexcretie van de dieren.
134
Voorts kan met betrekking tot het eerste en het derde onderdeel van de vierde grief van de Commissie worden volstaan met de vaststelling, in de eerste plaats, dat de Franse Republiek, wanneer zij wijst op de door het besluit van 19 december 2011 aangebrachte wijzigingen ter zake, erkent dat zij vóór de vaststelling van dit besluit voor melkkoeien een te hoge vervluchtigingscoëfficiënt had vastgesteld en voor vaste varkensmest geen stikstofemissiewaarden had vastgesteld.
135
Wat in de tweede plaats het feit betreft dat bij de berekening van de brutohoeveelheid stikstofexcretie van melkkoeien geen rekening werd gehouden met het niveau van de melkproductie, zij erop gewezen dat het betoog van de Commissie niet is betwist door de Franse Republiek, en dat voormeld besluit thans voorziet in een aantal van de melkproductie afhangende niveaus voor de productie van uitrijdbare stikstof.
136
Tot slot moet met betrekking tot het tweede en het vierde tot en met het achtste onderdeel van die grief, die tezamen moeten worden onderzocht, worden opgemerkt dat de Commissie technische gegevens uit een aantal wetenschappelijke onderzoeken in aanmerking neemt als basis voor haar verwijten betreffende de vervluchtigingscoëfficiënten die in de nationale regeling zijn vastgesteld op basis van de conclusies van het Corpen.
137
De Franse Republiek betwist de conclusies van de door de Commissie aangehaalde studies niet en beperkt zich in wezen ertoe enerzijds te wijzen op de methodologische tekortkomingen van de directe meting, waarvan in die studies wordt uitgegaan om de vervluchtigingscoëfficiënten voor de veehouderijbedrijven te berekenen. Anderzijds benadrukt die lidstaat dat de wetenschap de vervluchtigingscoëfficiënten niet exact lijkt te kunnen vaststellen, hetgeen blijkt uit de uiteenlopende waarden voor de vervluchtigingscoëfficiënten die in de wetenschappelijke literatuur terug te vinden zijn.
138
Wat ten eerste de geschiktheid van de methode van de directe meting betreft, zij opgemerkt dat de bezwaren van de Franse Republiek als zodanig niet kunnen afdoen aan de relevantie van de door de Commissie naar voren gebrachte vervluchtigingscoëfficiënten. Uit de aan het Hof overgelegde gegevens blijkt immers dat voor zowel die methode als de balansmethode is uitgegaan van een empirische aanpak waarin slechts rekening wordt gehouden met de specifieke context van elk bestudeerd type veehouderij. Bovendien blijkt uit de meest recente herziening van de referentiewaarden van het Corpen geen enkele voorkeur voor een bepaalde methode.
139
Wat ten tweede de in de wetenschappelijke publicaties terug te vinden fluctuatiemarge van de vervluchtigingsgegevens betreft, zij erop gewezen dat uit de bewoordingen van bijlage III, lid 2, bij richtlijn 91/676 duidelijk blijkt dat die bepaling vereist dat de specifieke grenswaarde voor het uitrijden van dierlijke mest, te weten 170 kilogram stikstof per hectare per jaar, door elk landbouwbedrijf of veehouderijbedrijf systematisch in acht wordt genomen, ook wanneer de lidstaten overeenkomstig lid 3 van die bijlage beslissen om die grenswaarde te berekenen op basis van de aantallen dieren.
140
Overigens blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat het feit dat in de wetenschappelijke literatuur uiteenlopende waarden voor de vervluchtigingscoëfficiënten te vinden zijn, met name kan worden verklaard door de heterogeniteit van de omstandigheden waaronder het vee werd gehouden en van de klimaatcontext in de uitgevoerde studies. De Franse Republiek heeft, met name ter terechtzitting, de nadruk gelegd op de diversiteit van de Franse veehouderijbedrijven.
141
In die omstandigheden kan, zoals de advocaat-generaal in de punten 123 tot en met 126 van haar conclusie heeft opgemerkt, slechts worden gewaarborgd dat de in richtlijn 91/676 vastgestelde grenswaarde voor het op of in de bodem brengen van meststoffen door alle Franse veehouderijbedrijven in acht wordt genomen, wanneer de vervluchtigingscoëfficiënten worden vastgelegd op basis van de gegevens die het percentage stikstofverliezen door vervluchtiging het laagst vaststellen.
142
Gelet op het feit dat de Franse Republiek voor andere runderen dan melkkoeien, en voor pluimvee, schapen, geiten, paardachtigen en konijnen vervluchtigingscoëfficiënten heeft vastgesteld die significant hoger zijn dan die van de Commissie, die zijn gebaseerd op door die lidstaat niet betwiste wetenschappelijke gegevens, moet worden vastgesteld dat bedoelde in de nationale regeling vastgestelde vervluchtigingscoëfficiënten niet voldoen aan de eisen van richtlijn 91/676.
143
Gelet op een en ander moet de vierde grief die de Commissie ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, gegrond worden geacht.
Vijfde grief: schending van artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punt 2, en III, lid 1, punt 3, sub a, bij deze richtlijn
Argumenten van partijen
144
Met haar vijfde grief verwijt de Commissie de Franse Republiek het ontbreken van afdoende voorschriften met duidelijke, nauwkeurige en objectieve criteria ter zake van de voorwaarden voor het uitrijden van meststoffen op steile hellingen. Volgens die instelling is, om te verzekeren dat de voorschriften van richtlijn 91/676 naar behoren worden uitgevoerd, vereist dat de nationale regeling hellingpercentages bepaalt waarboven het uitrijden van meststoffen verboden is.
145
De Franse Republiek antwoordt dat het besluit van 6 maart 2001 bepaalt dat het uitrijden op steile hellingen verboden is zodra daarbij het risico bestaat dat meststoffen afvloeien tot buiten het perceel waarop wordt uitgereden. Zij betoogt voorts dat de risico’s van waterverontreiniging niet enkel afhangen van de hellinggraad maar ook van een groot aantal andere factoren, zoals de gelijkmatigheid van de helling, de aard en de plantrichting van het plantendek, het bodemtype, de perceelvorm, de wijze en de richting van de bodembewerking en het type mest. Bijgevolg is een uitrijverbod dat uitsluitend is gebaseerd op de hellinggraad ongeschikt.
146
Die lidstaat voegt hieraan toe dat het besluit van 19 december 2011 voorziet in regels betreffende de met waterlopen verband houdende voorwaarden voor het uitrijden, welke regels, tezamen met het uitrijverbod op steile hellingen, bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van richtlijn 91/676.
Beoordeling door het Hof
147
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat volgens artikel 2, deel II, van het besluit van 19 december 2011 de bepalingen van dat besluit betreffende de met waterlopen verband houdende voorwaarden voor het uitrijden pas op 1 september 2012 in werking moesten treden, dus na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn. Hieruit volgt dat, om de in de punten 52 tot en met 54 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen, het Hof geen rekening kan houden met de bepalingen van dat besluit betreffende de met waterlopen verband houdende voorwaarden voor het uitrijden.
148
Ten gronde moet worden opgemerkt dat volgens artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punt 2, en III, lid 1, punt 3, sub a, bij deze richtlijn, de actieprogramma’s regels moeten bevatten ter zake van de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen op steile hellingen.
149
Bovendien dienen de lidstaten, zoals reeds in punt 31 van het onderhavige arrest is gesteld, er in het bijzonder op toe te zien dat hun wetgeving ter omzetting van de richtlijn 91/676 duidelijk en nauwkeurig is.
150
In dat verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de Commissie betoogt, zonder op dit punt door de Franse Republiek te zijn weersproken, dat bepaalde departementale actieprogramma’s geen enkele regel bevatten betreffende de voorwaarden voor het uitrijden van meststoffen op steile hellingen, ongeacht of deze nu gebaseerd is op de hellinggraad dan wel op de verschillende factoren welke die lidstaat meent in aanmerking te moeten nemen. Bovendien beperkt een groot aantal departementale actieprogramma’s zich tot een herhaling van het in het besluit van 6 maart 2001 neergelegde algemene beginsel dat niet mag worden uitgereden in omstandigheden die resulteren in afvloeiing buiten het perceel waarop de mest wordt uitgereden.
151
Ten tweede blijkt uit het onderzoek van de relevante bepalingen van het besluit van 6 maart 2001 dat dit besluit er zich in eerste instantie toe beperkt het uitrijden van meststoffen op steile hellingen te verbieden, en vervolgens slechts bepaalt dat de actieprogramma’s nader dienen te bepalen in welke situaties het verbod geldt, gelet op de risico’s van afvloeiing buiten het perceel waarop mest wordt uitgereden, of anders het hellingspercentage dienen vast te stellen waarboven het uitrijden van mest verboden is.
152
Vastgesteld moet worden dat die bepalingen zo algemeen zijn dat zij niet kunnen voorzien in de leemten van de actieprogramma’s en dus niet de volledige toepassing van de bepalingen van de bijlagen II, A, punt 2, en III, lid 1, punt 3, sub a, bij richtlijn 91/676 kunnen waarborgen op een wijze die duidelijk en nauwkeurig is, in overeenstemming met de vereisten van het rechtszekerheidsbeginsel.
153
In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat de vijfde grief van de Commissie gegrond is.
Zesde grief: schending van artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punt 3, en III, lid 1, punt 3, sub a en b, bij deze richtlijn
Argumenten van partijen
154
Met haar zesde grief verwijt de Commissie, op basis van wetenschappelijke gegevens, de Franse Republiek dat zij geen regels heeft vastgesteld die het op of in de bodem brengen van eender welk type meststoffen op bevroren of met sneeuw bedekt land verbieden, hoewel dit resulteert in aanzienlijke risico’s van afvloeiing of uitloging. De Commissie merkt dienaangaande op dat het besluit van 6 maart 2001 bepaalt dat het uitrijden van meststoffen van type I en III op vast bevroren land, en het uitrijden van meststoffen van type I op met sneeuw bedekt land, moeten worden gereglementeerd. Voorts is volgens dat besluit het uitrijden van eender welke meststof toegestaan op land dat slechts aan de oppervlakte is bevroren als gevolg van een cyclus van bevriezing en dooi binnen een periode van 24 uur. Tot slot zouden bepaalde bedrijven beschikken over de mogelijkheid om compacte stromest en compost van dierlijke mest uit te rijden op vast bevroren land.
155
De Franse Republiek antwoordt op dat argument dat richtlijn 91/676 niet verlangt dat het op of in de bodem brengen van meststoffen op met sneeuw bedekt of vast bevroren land systematisch verboden wordt, maar enkel dat dit wordt gereglementeerd. Zij erkent dat, gelet op de risico’s die het uitrijden van meststoffen in dergelijke omstandigheden kan meebrengen, een dergelijke handeling moet worden onderworpen aan aanzienlijke beperkingen. Die lidstaat meent evenwel dat het besluit van 6 maart 2001 voorziet in dergelijke beperkingen, aangezien het op of in de bodem brengen van meststoffen van type II op vast bevroren land, en het op of in de bodem brengen van meststoffen van type II en III op met sneeuw bedekt land, in alle omstandigheden verboden is.
Beoordeling door het Hof
156
Artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punt 3, en III, lid 1, punt 3, sub a en b, bij deze richtlijn, vereist dat de lidstaten maatregelen nemen ter beperking van het op of in de bodem brengen wanneer de grond bevroren of met sneeuw bedekt is.
157
Bovendien moeten de actieprogramma’s, zoals is opgemerkt in punt 29 van het onderhavige arrest, volgens artikel 5, lid 3, sub a van die richtlijn, rekening houden met de beste beschikbare wetenschappelijke kennis.
158
Zoals de advocaat-generaal in punt 144 van haar conclusie heeft opgemerkt, moet in casu volgens het door de Commissie aan het Hof overgelegde wetenschappelijke onderzoek, waarvan de conclusies door de Franse Republiek niet zijn betwist, het uitrijden van meststoffen op of bevroren of met sneeuw bedekt land in alle omstandigheden verboden zijn. Bevroren land of een sneeuwlaag beperken immers de beweging van nutriënten in de bodem en verhogen sterk het risico dat die nutriënten vervolgens worden getransporteerd naar oppervlaktewateren, met name door afvloeiing.
159
Bovendien zijn de te vrezen risico’s van verontreiniging bij het uitrijden op bevroren of met sneeuw bedekt land niet geringer wanneer de bodem slechts aan de oppervlakte bevroren is als gevolg van een cyclus van bevriezing en dooi binnen een periode van 24 uur. Uit het in het vorige punt bedoelde wetenschappelijk onderzoek blijkt juist dat de cycli van bevriezing en dooi een significant effect hebben op de mineralisatiesnelheid, waarbij de bevriezing van ontdooide grond resulteert in een snellere stikstofmineralisatie.
160
Derhalve moet de zesde grief van de Commissie gegrond worden geacht.
161
Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door niet de maatregelen te treffen die nodig zijn ter waarborging van de volledige en juiste uitvoering van alle vereisten die haar zijn opgelegd door artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punten 1 tot en met 3 en 5, en III, leden 1, punten 1 tot en met 3, en 2, bij deze richtlijn, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, voor zover in de nationale regeling die ter uitvoering van deze richtlijn is vastgesteld:
—
niet is voorzien in periodes waarin het verboden is meststoffen van type I op of in de bodem te brengen voor in de herfst aangeplante akkerbouwgewassen alsook voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland;
—
de periode waarin het verboden is meststoffen van type I op of in de bodem te brengen voor in de lente aangeplante akkerbouwgewassen wordt beperkt tot de maanden juli en augustus;
—
het verbod om meststoffen van type II op of in de bodem te brengen voor in de herfst aangeplante akkerbouwgewassen wordt beperkt tot de periode van 1 november tot 15 januari en het verbod om meststoffen van type III voor dezelfde gewassen op of in de bodem te brengen niet wordt verlengd tot na 15 januari;
—
de periode waarin het verboden is meststoffen van type II op of in de bodem te brengen voor in de lente aangeplante akkerbouwgewassen niet wordt verlengd tot na 15 januari;
—
het verbod om meststoffen van type II op of in de bodem te brengen voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland uitsluitend geldt vanaf 15 november en het verbod om meststoffen van type III op of in de bodem te brengen voor dat grasland en in bergachtige regio’s niet wordt verlengd tot het einde van februari;
—
tot 1 juli 2016 bij de berekening van de opslagcapaciteiten nog steeds rekening zal kunnen worden gehouden met een tijdschema met periodes waarin het op of in de bodem brengen van meststoffen verboden is, welk tijdschema niet in overeenstemming is met de eisen van voormelde richtlijn;
—
de opslag op het veld van compacte stromest wordt toegestaan voor een duur van 10 maanden;
—
niet erop wordt toegezien dat de landbouwers en de controle-instanties in staat zijn correct te berekenen hoeveel stikstof op of in de bodem mag worden gebracht ter waarborging van de bemestingsbalans;
—
de stikstofemissiewaarden voor melkkoeien zijn vastgesteld op basis van een hoeveelheid stikstofexcretie die geen rekening houdt met de verschillende niveaus van melkproductie, en op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor andere runderen zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
voor varkens geen stikstofemissiewaarden voor vaste mest zijn vastgesteld;
—
de stikstofemissiewaarden voor pluimvee zijn vastgesteld op basis van een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 60 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor schapen zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor geiten zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor paardachtigen zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor konijnen zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 60 %;
—
niet conform het rechtszekerheidsbeginsel duidelijke, nauwkeurige en objectieve criteria zijn vastgesteld betreffende de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen op steile hellingen; en
—
het op of in de bodem brengen van meststoffen van type I en III op vast bevroren land, het op of in de bodem brengen van meststoffen van type I op met sneeuw bedekt land, het op of in de bodem brengen van meststoffen op land dat slechts aan de oppervlakte is bevroren als gevolg van een cyclus van bevriezing en dooi binnen een periode van 24 uur, en het op of in de bodem brengen van compacte stromest en van compost van dierlijke mest op vast bevroren land, wordt toegestaan.
162
Het beroep dient te worden verworpen voor het overige.
Kosten
163
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Ingevolge lid 3 van dat artikel dragen de partijen hun eigen kosten indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Indien dit, gelet op de omstandigheden van de zaak, gerechtvaardigd voorkomt, kan het Hof beslissen dat een partij naast in haar eigen kosten ook in een deel van de kosten van de andere partij wordt verwezen.
164
In casu moet de Franse Republiek, aangezien zij grotendeels in het ongelijk is gesteld, overeenkomstig de vordering van de Commissie in alle kosten worden verwezen.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
1)
Door niet de maatregelen te treffen die nodig zijn ter waarborging van de volledige en juiste uitvoering van alle vereisten die haar zijn opgelegd door artikel 5, lid 4, van richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, gelezen in samenhang met de bijlagen II, A, punten 1 tot en met 3 en 5, en III, leden 1, punten 1 tot en met 3, en 2, bij deze richtlijn, is de Franse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen, voor zover in de nationale regeling die ter uitvoering van deze richtlijn is vastgesteld:
—
niet is voorzien in periodes waarin het verboden is meststoffen van type I op of in de bodem te brengen voor in de herfst aangeplante akkerbouwgewassen alsook voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland;
—
de periode waarin het verboden is meststoffen van type I op of in de bodem te brengen voor in de lente aangeplante akkerbouwgewassen wordt beperkt tot de maanden juli en augustus;
—
het verbod om meststoffen van type II op of in de bodem te brengen voor in de herfst aangeplante akkerbouwgewassen wordt beperkt tot de periode van 1 november tot 15 januari en het verbod om meststoffen van type III voor dezelfde gewassen op of in de bodem te brengen niet wordt verlengd tot na 15 januari;
—
de periode waarin het verboden is meststoffen van type II op of in de bodem te brengen voor in de lente aangeplante akkerbouwgewassen niet wordt verlengd tot na 15 januari;
—
het verbod om meststoffen van type II op of in de bodem te brengen voor sinds meer dan zes maanden ingezaaid grasland uitsluitend geldt vanaf 15 november en het verbod om meststoffen van type III op of in de bodem te brengen voor dat grasland en in bergachtige regio’s niet wordt verlengd tot het einde van februari;
—
tot 1 juli 2016 bij de berekening van de opslagcapaciteiten nog steeds rekening zal kunnen worden gehouden met een tijdschema met periodes waarin het op of in de bodem brengen van meststoffen verboden is, welk tijdschema niet in overeenstemming is met de eisen van voormelde richtlijn;
—
de opslag op het veld van compacte stromest wordt toegestaan voor een duur van 10 maanden;
—
niet erop wordt toegezien dat de landbouwers en de controle-instanties in staat zijn correct te berekenen hoeveel stikstof op of in de bodem mag worden gebracht ter waarborging van de bemestingsbalans;
—
de stikstofemissiewaarden voor melkkoeien zijn vastgesteld op basis van een hoeveelheid stikstofexcretie die geen rekening houdt met de verschillende niveaus van melkproductie, en op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor andere runderen zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
voor varkens geen stikstofemissiewaarden voor vaste mest zijn vastgesteld;
—
de stikstofemissiewaarden voor pluimvee zijn vastgesteld op basis van een onjuiste vervluchtigingscoëfficiënt van 60 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor schapen zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor geiten zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor paardachtigen zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 30 %;
—
de stikstofemissiewaarden voor konijnen zijn vastgesteld op basis van een vervluchtigingscoëfficiënt van 60 %;
—
niet conform het rechtszekerheidsbeginsel duidelijke, nauwkeurige en objectieve criteria zijn vastgesteld betreffende de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen op steile hellingen; en
—
het op of in de bodem brengen van meststoffen van type I en III op vast bevroren land, het op of in de bodem brengen van meststoffen van type I op met sneeuw bedekt land, het op of in de bodem brengen van meststoffen op land dat slechts aan de oppervlakte is bevroren als gevolg van een cyclus van bevriezing en dooi binnen een periode van 24 uur, en het op of in de bodem brengen van compacte stromest en van compost van dierlijke mest op vast bevroren land, wordt toegestaan.
2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3)
De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy