ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
3 oktober 2013 ( *1 )
„Vierde richtlijn 78/660/EEG — Artikel 2, lid 3 — Beginsel van getrouw beeld — Artikel 2, lid 5 — Verplichting tot afwijking — Artikel 32 — Methode van waardering op basis van historische kostprijs — Aanschaffingsprijs die duidelijk lager ligt dan werkelijke waarde”
In zaak C‑322/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Cassatie (België) bij arrest van 1 juni 2012, ingekomen bij het Hof op 4 juli 2012, in de procedure
Belgische Staat
tegen
GIMLE NV,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: A. Rosas, kamerpresident, E. Juhász en C. Vajda (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
GIMLE NV, vertegenwoordigd door R. Tournicourt en F. Lettany, advocaten,
—
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en J.‑C. Halleux als gemachtigden,
—
de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze en J. Kemper als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun en J. Hottiaux als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van het beginsel dat de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap, welk beginsel is neergelegd in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel [44, lid 2, sub g, EG] betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (PB L 222, blz. 11; hierna: „Vierde richtlijn”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Belgische Staat en GIMLE NV (hierna: „GIMLE”), betreffende de vraag hoe een aankoop van aandelen die één maand na die aankoop zijn doorverkocht tegen een prijs die 3400 keer hoger lag dan de oorspronkelijke aankoopprijs, boekhoudkundig moet worden behandeld.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn bepaalt:
„3. De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.
4. Wanneer de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn niet voldoende is om het in lid 3 bedoelde getrouwe beeld te geven, moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt.
5. Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat toepassing van een bepaling van deze richtlijn in strijd is met de in lid 3 bedoelde verplichting, dient van deze bepaling te worden afgeweken opdat een getrouw beeld in de zin van lid 3 wordt gegeven. Zulk een afwijking moet in de toelichting worden medegedeeld en naar behoren gemotiveerd onder vermelding van de invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat. De lidstaten kunnen de uitzonderingsgevallen nader omschrijven en de daarmee overeenstemmende afwijkende regeling vaststellen.”
4
Artikel 31, lid 1, sub c, van die richtlijn luidt:
„De lidstaten zorgen ervoor dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt volgens de onderstaande algemene beginselen:
[...]
c)
het voorzichtigheidsbeginsel moet steeds in acht worden genomen en in het bijzonder geldt het volgende:
aa)
winsten mogen slechts worden opgenomen voor zover zij op de balansdatum gerealiseerd zijn;
[...]”
5
Artikel 32 van deze richtlijn luidt als volgt:
„De waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 34 tot en met 42, die zijn gebaseerd op het beginsel van de aanschaffings- of vervaardigingskosten.”
Belgisch recht
6
Volgens de verwijzende rechter is artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn in Belgisch recht omgezet bij de artikelen 3, eerste alinea, 4 en 16, eerste alinea, van het Koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is (hierna: „koninklijk besluit”).
7
Krachtens artikel 3, eerste alinea, van het koninklijk besluit moet de jaarrekening een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming.
8
Artikel 4 van het koninklijk besluit bepaalt dat de jaarrekening wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en dat aanvullende inlichtingen moeten worden verstrekt in de toelichting bij de jaarrekening, wanneer de toepassing van die bepalingen niet volstaat om te voldoen aan het bepaalde in artikel 3.
9
Volgens artikel 16, eerste alinea, van dat koninklijk besluit moet, indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van een waarderingsregel die is opgenomen in het hoofdstuk waartoe dat artikel behoort, niet leidt tot nakoming van het bepaalde in artikel 3, daarvan worden afgeweken teneinde te voldoen aan de in artikel 3 bedoelde verplichting.
10
Artikel 20 van het koninklijk besluit bepaalt dat elk actiefbestanddeel, onverminderd de toepassing van de artikelen 16, 27, 27 bis en 34 van dat besluit, wordt gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans wordt opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen, en dat onder aanschaffingswaarde het volgende wordt verstaan: hetzij de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 21, hetzij de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 22, hetzij de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 23 van dat besluit.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
11
De feiten, zoals deze in het verwijzingsarrest zijn weergegeven, kunnen als volgt worden samengevat.
12
GIMLE is een naamloze vennootschap naar Belgisch recht, die op 26 november 1998 is opgericht door A. Sjöwall en B. Larsson, die beiden de Zweedse nationaliteit hebben en in het Verenigd Koninkrijk wonen. Het maatschappelijk doel van GIMLE bestaat er met name in deelnemingen te nemen in vennootschappen en deze te beheren.
13
Op 27 november 1998 heeft GIMLE 50 aandelen verworven van TV‑Shop Europe AB, een vennootschap naar Zweeds recht die eveneens door Sjöwall is opgericht, voor een totaalbedrag van 5000 Zweedse kronen (SEK), zijnde 100 SEK per aandeel. Op 4 januari 1999, dus 38 dagen na de aankoop ervan, heeft GIMLE die aandelen verkocht aan Electronic Retailing AB, een vennootschap naar Zweeds recht, voor 17000000 SEK, te weten 340000 SEK per aandeel. Naar aanleiding van deze verkoop heeft GIMLE in haar boekhouding een meerwaarde van 74776696 Belgische frank (BEF) ingeschreven (zijnde 1853668 EUR), die overeenstemde met het verschil tussen de verkoopprijs en de aanschaffingsprijs van de aandelen.
14
Dat soort meerwaarde, te weten een meerwaarde die wordt gerealiseerd bij een aandelenverkoop, was in België evenwel fiscaal vrijgesteld. GIMLE heeft die meerwaarde dan ook niet als belastbaar inkomen vermeld in haar aangifte in de vennootschapsbelasting met betrekking tot het aanslagjaar 2000 (inkomsten van het jaar 1999).
15
In haar bericht van wijziging van 19 november 2002 heeft de belastingadministratie zich echter op het standpunt gesteld dat de meerwaarde die GIMLE had gerealiseerd bij de aankoop van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aandelen, met andere woorden „naar aanleiding van de vervreemding van geld en de vervanging ervan door aandelen waarvan de werkelijke waarde hoger ligt dan de betaalde prijs”, wel belastbaar was. De administratie ging er dus van uit dat de werkelijke waarde van de aandelen op het tijdstip van hun aanschaf (27 november 1998) niet de prijs was waartegen zij toen waren gekocht (100 SEK per aandeel), maar wel de prijs waartegen zij op 4 januari 1999 waren verkocht (340000 SEK per aandeel). Bijgevolg heeft zij de overeenkomstige meerwaarde van 74776696 BEF (1853668 EUR) onderworpen aan de inkomstenbelasting.
16
Het beroep dat GIMLE had ingesteld tegen de beslissing van 18 juli 2003 waarbij de belastingadministratie haar bezwaar had afgewezen, is door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel ontvankelijk en gegrond verklaard. Die rechterlijke instantie heeft derhalve gelast dat de litigieuze aanslag werd verminderd en heeft de Belgische Staat ertoe verplicht het volledige bedrag dat hij onverschuldigd had ontvangen, terug te storten mét vertragingsrente.
17
De Belgische Staat is tegen dit vonnis in eerste aanleg opgekomen bij het Hof van Beroep te Brussel, dat het hoger beroep heeft verworpen. Het Hof van Beroep heeft geen vraagtekens geplaatst bij de beoordeling van de feiten door de Belgische Staat, volgens welke de aanschaffingsprijs van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aandelen duidelijk lager was dan hun werkelijke waarde, die overeenstemde met de prijs waartegen die aandelen 38 dagen later waren verkocht. Het was echter van oordeel dat die beoordeling niet relevant was, aangezien GIMLE op grond van de artikelen 3, eerste alinea, 4 en 16, eerste alinea, van het koninklijk besluit verplicht was deze aandelen in de boekhouding op te nemen tegen hun historische verwervingskost en niet tegen hun werkelijke waarde. In het bijzonder heeft diezelfde rechterlijke instantie vastgesteld dat volgens artikel 16 van dat besluit enkel in „uitzonderingsgevallen” de werkelijke waarde moet worden gehanteerd in plaats van de historische verwervingskost, en dat artikel 4, tweede alinea, van dat besluit een onderneming de mogelijkheid biedt een getrouw beeld van haar vermogen te geven door in de toelichting bij haar jaarrekening „aanvullende inlichtingen” te verstrekken, zonder evenwel af te wijken van de eenvormige waarderingsregel, die is gebaseerd op de historische kostprijs. Derhalve heeft het Hof van Beroep te Brussel het vonnis in eerste aanleg bevestigd en geoordeeld dat de Belgische Staat bij de berekening van de door GIMLE verschuldigde belasting ten onrechte rekening had gehouden met de meerwaarde van 74776696 BEF.
18
De Belgische Staat heeft cassatieberoep ingesteld tegen dat arrest van het Hof van Beroep. Tot staving daarvan heeft hij betoogd dat de artikelen 3, eerste alinea, 4 en 16, eerste alinea, van het koninklijk besluit niet enkel bepalen dat in de toelichting bij de jaarrekening aanvullende inlichtingen dienen te worden verstrekt, maar ook gelasten dat wordt afgeweken van het beginsel dat de actiefbestanddelen in de boekhouding tegen hun aanschaffingsprijs worden opgenomen, wanneer de betaalde prijs – zoals in het hoofdgeding – kennelijk niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de betrokken goederen, zodat een vertekend beeld wordt gegeven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming.
19
Aangezien het Hof van Cassatie van oordeel is dat voor de beoordeling van het cassatieberoep van de Belgische Staat uitlegging van artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn nodig was, heeft het de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Moet artikel 2, [leden 3 tot en met 5], van de Vierde richtlijn [...] aldus worden uitgelegd dat het niet enkel bepaalt dat in de toelichting bij de jaarrekening aanvullende inlichtingen dienen te worden verstrekt, maar dat het – wanneer de aanschaffingsprijs kennelijk niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de betrokken goederen, zodat een vertekend beeld wordt gegeven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming – ook gebiedt dat wordt afgeweken van het beginsel dat de actiefbestanddelen tegen hun aanschaffingsprijs in de boekhouding worden opgenomen en de verplichting oplegt om deze onmiddellijk tegen de doorverkoopwaarde te boeken indien laatstgenoemde waarde blijkt overeen te stemmen met de werkelijke waarde ervan?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Bij het Hof ingediende opmerkingen
20
GIMLE, de Belgische en de Duitse regering, en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend bij het Hof. GIMLE, de Duitse regering en de Commissie zijn van mening dat de gestelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Enkel de Belgische regering staat het tegenovergestelde standpunt voor.
21
GIMLE en de Duitse regering beklemtonen dat de in artikel 32 van de Vierde richtlijn voorgeschreven waarderingsmethode gebaseerd is op de historische kostprijs van de activa, te weten de aanschaffings- of vervaardigingskosten ervan. Zij voegen eraan toe dat van deze methode enkel mag worden afgeweken in de gevallen die in artikel 33 van die richtlijn op uitputtende wijze zijn opgesomd.
22
De Commissie stelt onder verwijzing naar de arresten van 27 juni 1996, Tomberger (C-234/94, Jurispr. blz. I-3133, punt 17), en 14 september 1999, DE + ES Bauunternehmung (C-275/97, Jurispr. blz. I-5331, punt 26), dat het in artikel 2, lid 3, van de Vierde richtlijn bedoelde beginsel van het getrouwe beeld de hoofddoelstelling van die richtlijn weergeeft. De belanghebbenden die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, zijn het echter niet eens over de draagwijdte van artikel 2, lid 5, van deze richtlijn, volgens hetwelk van een bepaling van die richtlijn moet worden afgeweken wanneer in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing daarvan in strijd is met het beginsel van het getrouwe beeld.
23
GIMLE, de Duitse regering en de Commissie betogen dat de aanschaf van een actiefbestanddeel tegen een lagere prijs dan de werkelijke waarde niet kan worden aangemerkt als een „uitzonderingsgeval” in de zin van artikel 2, lid 5, van de Vierde richtlijn dat rechtvaardigt dat wordt afgeweken van het in artikel 32 van die richtlijn opgenomen beginsel van waardering op basis van de historische kostprijs. In dit verband benadrukt GIMLE dat de keuze van de wetgever van de Unie voor een op de historische kostprijs gebaseerde methode meebrengt dat de waarden die in de boekhouding van ondernemingen vermeld staan, slechts zelden met de werkelijke waarde van de activa overeenstemmen. De Duitse regering voegt eraan toe dat deze methode onvermijdelijk aanleiding geeft tot – soms aanzienlijke – stille reserves wanneer de aanschaffingsprijs van de activa lager ligt dan de werkelijke waarde ervan, maar dat dergelijke stille reserves in overeenstemming zijn met het in artikel 31, lid 1, sub c, van de voornoemde richtlijn bedoelde voorzichtigheidsbeginsel.
24
De Belgische regering is daarentegen van mening dat het in artikel 2, lid 5, van de Vierde richtlijn bedoelde begrip „uitzonderingsgeval” betrekking heeft op het geval waarin de aanschaffingsprijs van een actiefbestanddeel – zoals in het hoofdgeding – duidelijk lager is dan de werkelijke waarde ervan, aangezien een vertekend beeld zou worden gegeven van de financiële positie van de onderneming indien de aanschaffingsprijs werd gehanteerd. In dit verband refereert de Belgische regering naar analogie aan punt 32 van het reeds aangehaalde arrest DE + ES Bauunternehmung, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de in artikel 31, lid 2, van de Vierde richtlijn vermelde term „uitzonderingsgevallen” betrekking heeft op gevallen waarin een afzonderlijke waardering niet een zo getrouw mogelijk beeld zou geven van de werkelijke financiële positie van de betrokken vennootschap.
Beoordeling door het Hof
25
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn bedoelde beginsel van het getrouwe beeld een verplichting inhoudt om af te wijken van het in artikel 32 van die richtlijn opgenomen beginsel dat activa op basis van hun aanschaffings- of vervaardigingsprijs worden gewaardeerd, en deze activa in plaats daarvan op basis van hun werkelijke waarde te waarderen, wanneer de aanschaffings- of vervaardigingsprijs ervan duidelijk lager ligt dan de werkelijke waarde ervan.
26
Uit het verwijzingsarrest blijkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op de vraag hoe een aankoop van aandelen boekhoudkundig moet worden behandeld, wanneer de betrokken aandelen een maand na die aankoop zijn doorverkocht tegen een prijs die 3400 keer hoger was dan de aanschaffingsprijs.
27
Tevens blijkt uit dat arrest dat aan het hoofdgeding een fiscaal geschil ten grondslag ligt, aangezien de Belgische autoriteiten de meerwaarde, bestaande in het verschil tussen de werkelijke waarde van de aandelen en de aanschaffingsprijs ervan, bij de betrokken onderneming zouden kunnen belasten indien de aandelen in de boekhouding waren ingeschreven tegen de waarde die zij werkelijk hadden op het tijdstip van de aankoop.
28
In dit verband heeft het Hof reeds kunnen preciseren dat de Vierde richtlijn er niet toe strekt de voorwaarden vast te leggen waaronder de fiscale autoriteiten van de lidstaten de jaarrekening van de vennootschappen als basis kunnen of moeten nemen voor de bepaling van de grondslag en het bedrag van de belastingen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vennootschapsbelasting. Het is echter geenszins uitgesloten dat de lidstaten de jaarrekening als uitgangspunt voor fiscale doeleinden gebruiken (arrest van 7 januari 2003, BIAO, C-306/99, Jurispr. blz. I-1, punt 70) en geen enkele bepaling van de Vierde richtlijn verbiedt de lidstaten om de gevolgen van de daarin neergelegde boekhoudregels vanuit fiscaal oogpunt te corrigeren, om te komen tot een belastbare winst die beter aansluit bij de economische realiteit.
29
In dit verband zij in herinnering geroepen dat de Vierde richtlijn de nationale voorschriften inzake de indeling en de inhoud van de jaarrekening en het jaarverslag, en de waarderingsmethoden beoogt te coördineren, teneinde de deelnemers in deze vennootschappen en derden te beschermen. Daartoe stelt de Vierde richtlijn volgens de derde overweging van de considerans ervan minimumvereisten vast inzake de omvang van de openbaar te maken financiële gegevens (reeds aangehaald arrest BIAO, punt 69).
30
De Vierde richtlijn neemt het beginsel van het getrouwe beeld, waarvan de naleving de hoofddoelstelling van de richtlijn vormt, als basis om de inhoud van de jaarrekening te coördineren (reeds aangehaalde arresten Tomberger, punt 17; DE + ES Bauunternehmung, punt 26, en BIAO, punt 72). Volgens dit in artikel 2, leden 3 tot en met 5, opgenomen beginsel moet de jaarrekening een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.
31
Artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn, waarin het beginsel van het getrouwe beeld staat vermeld, maakt deel uit van afdeling 1 van de richtlijn, „Algemene bepalingen”. Afdeling 7 van deze richtlijn, met het opschrift „Waarderingsregels”, bepaalt volgens welke regels de posten in de jaarrekening moeten worden gewaardeerd. Tot die regels behoren ook de in artikel 31 van die richtlijn vermelde algemene beginselen.
32
Het Hof heeft reeds gepreciseerd dat het beginsel van het getrouwe beeld zo veel mogelijk dient te worden toegepast langs de lijnen van de in artikel 31 van de Vierde richtlijn neergelegde algemene beginselen. In dat kader is het in artikel 31, lid 1, sub c, van die richtlijn neergelegde voorzichtigheidsbeginsel van bijzonder belang (reeds aangehaald arrest Tomberger, punt 18).
33
Ingevolge artikel 31, lid 1, sub c, van de Vierde richtlijn, waarin het voorzichtigheidsbeginsel is neergelegd, wordt het beginsel van het getrouwe beeld geëerbiedigd wanneer alle elementen – gerealiseerde winsten, lasten, baten, risico’s en verliezen – die werkelijk op het betrokken boekjaar betrekking hebben, in aanmerking worden genomen (reeds aangehaalde arresten Tomberger, punt 22, en BIAO, punt 123). In het bijzonder bepaalt dit lid 1, sub c‑aa, dat winsten slechts in de jaarrekening mogen worden opgenomen voor zover zij op de balansdatum gerealiseerd zijn.
34
Het beginsel van het getrouwe beeld moet ook worden begrepen tegen de achtergrond van het in artikel 32 van de Vierde richtlijn vermelde beginsel dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt op basis van de aanschaffings- of vervaardigingskosten van die activa.
35
Krachtens die bepaling steunt het getrouwe beeld dat de jaarrekening van een onderneming moet geven, op een waardering van de activa die is gebaseerd op de historische kostprijs en niet op de werkelijke waarde ervan.
36
Artikel 2, lid 5, van de Vierde richtlijn bepaalt dat indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat toepassing van een bepaling van deze richtlijn in strijd is met de in lid 3 van dat artikel 2 bedoelde verplichting, van deze bepaling dient te worden afgeweken opdat een getrouw beeld in de zin van dat lid 3 zou worden gegeven.
37
Ingevolge artikel 2, lid 5, van die richtlijn is het bijgevolg denkbaar dat in uitzonderingsgevallen moet worden afgeweken van artikel 32 van diezelfde richtlijn – dat bepaalt dat de activa op basis van de aanschaffings- of vervaardigingsprijs worden gewaardeerd – wanneer de toepassing van die methode een vertekend beeld zou geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.
38
Zoals GIMLE, de Duitse regering en de Commissie beklemtonen, kan het feit dat de activa ondergewaardeerd zijn in de boekhouding van de ondernemingen, op zich evenwel geen „uitzonderingsgeval” vormen in de zin van artikel 2, lid 5, van de Vierde richtlijn.
39
De omstandigheid dat bepaalde activa ondergewaardeerd kunnen zijn in de boekhouding van een onderneming, namelijk wanneer hun aanschaffingswaarde lager is dan hun werkelijke waarde, vormt immers slechts het logische gevolg van de door de wetgever van de Unie in artikel 32 van de Vierde richtlijn gemaakte keuze om de activa niet op grond van hun werkelijke waarde, maar op grond van hun historische kostprijs te waarderen.
40
Zoals de Duitse regering benadrukt, strookt het bovendien met het in artikel 31, lid 1, sub c, van de Vierde richtlijn neergelegde voorzichtigheidsbeginsel dat bepaalde activa, zoals aandelen, ondergewaardeerd zijn in de boekhouding van een onderneming doordat zij op basis van hun aanschaffings- of vervaardigingsprijs zijn gewaardeerd. In het bijzonder zou in de boekhouding van de onderneming een meerwaarde tot uitdrukking komen, te weten het verschil tussen de werkelijke waarde en de aanschaffingsprijs van deze activa, indien deze activa tegen hun werkelijke waarde werden gewaardeerd. Dit zou in strijd zijn met artikel 31, lid 1, sub c‑aa, van die richtlijn, volgens hetwelk winsten slechts mogen worden opgenomen voor zover zij op de balansdatum zijn gerealiseerd.
41
Voorts merkt de Commissie terecht op dat de Belgische Staat ten tijde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde transacties geen facultatieve bepalingen heeft vastgesteld op basis van de artikelen 2, lid 5, of 33 van de Vierde richtlijn. De Commissie beklemtoont ook terecht dat een onderneming die zeker weet dat zij een aanzienlijke winst zal realiseren op grond van een verbintenis om een actiefbestanddeel in de toekomst door te verkopen, daarover overeenkomstig artikel 2, lid 4, van deze richtlijn aanvullende inlichtingen moet verstrekken.
42
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat het in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn bedoelde beginsel van het getrouwe beeld niet toestaat dat wordt afgeweken van het in artikel 32 van die richtlijn opgenomen beginsel dat activa op basis van hun aanschaffings- of vervaardigingsprijs worden gewaardeerd, en dat deze activa in plaats daarvan op basis van hun werkelijke waarde worden gewaardeerd, wanneer de aanschaffings- of vervaardigingsprijs van deze activa duidelijk lager ligt dan hun werkelijke waarde.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Het beginsel van het getrouwe beeld, dat bedoeld is in artikel 2, leden 3 tot en met 5, van de Vierde richtlijn (78/660/EEG) van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel [44, lid 2, sub g, EG] betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, staat niet toe dat wordt afgeweken van het in artikel 32 van die richtlijn opgenomen beginsel dat activa op basis van hun aanschaffings- of vervaardigingsprijs worden gewaardeerd, en dat deze activa in plaats daarvan op basis van hun werkelijke waarde worden gewaardeerd, wanneer de aanschaffings- of vervaardigingsprijs van deze activa duidelijk lager ligt dan hun werkelijke waarde.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy