ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
4 september 2014 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Vrijheid van vestiging — Vrij verkeer van werknemers — Non-discriminatie — Artikel 346, lid 1, sub b, VWEU — Bescherming van de wezenlijke veiligheidsbelangen van een lidstaat — Regeling van een lidstaat die bepaalt dat de wettelijke vertegenwoordigers van een onderneming die in die lidstaat handelt in wapens, munitie en oorlogsmateriaal, de nationaliteit van die lidstaat dienen te bezitten”
In zaak C‑474/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) bij beslissing van 25 september 2012, ingekomen bij het Hof op 22 oktober 2012, in de procedure
Schiebel Aircraft GmbH
tegen
Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, E. Juhász, A. Rosas (rapporteur), D. Šváby en C. Vajda, rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en T. Müller als gemachtigden,
—
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Rubio González als gemachtigde,
—
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Falk en U. Persson als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Enegren en V. Kreuschitz als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 18 VWEU, 45 VWEU, 49 VWEU en 346, lid 1, sub b, VWEU.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Schiebel Aircraft GmbH (hierna: „Schiebel Aircraft”) en de Bundesminister für Wirtschaft, Familie und Jugend (Bondsminister van Economische Zaken, Gezin en Jeugd; hierna: „Bundesminister”) over de weigering door laatstgenoemde om Schiebel Aircraft een vergunning te verlenen voor werkzaamheden in de wapensector.
Toepasselijke bepalingen
3
§ 94, punt 80, van de Gewerbeordnung (Oostenrijks wetboek tot regeling van ambacht, handel en industrie) van 1994, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (BGBl. I, 111/2010; hierna: „GewO 1994”) bepaalt:
„De volgende ambachtelijke, commerciële of industriële activiteiten zijn gereglementeerde activiteiten:
[...]
80.
De activiteiten in de wapensector (wapenfabrikant), inclusief de wapenhandel”.
4
§ 95 GewO bepaalt:
„(1) Voor de in § 94, punten 5, 10, 16, 18, 25, 32, 36, 56, 62, 65, 75, 80 en 82 bedoelde ambachtelijke, commerciële of industriële activiteiten dient de instantie te onderzoeken of de aanvrager, dan wel – wanneer de vergunning wordt aangevraagd door een rechtspersoon of een geregistreerde personenvennootschap – de in § 13, lid 7, genoemde personen, over de voor de uitoefening van de betrokken activiteit vereiste betrouwbaarheid (§ 87, lid 1, punt 3) beschikken. Met de uitoefening van de activiteit mag de aanmelder pas beginnen nadat het besluit overeenkomstig § 340 definitief is geworden.
(2) Voor de in lid 1 bedoelde activiteiten is toestemming vereist voor de aanstelling van een bedrijfsleider of van een directeur van een filiaal voor de uitoefening van de betrokken activiteit. Deze toestemming wordt op verzoek van de bedrijfseigenaar afgegeven wanneer de in § 39, lid 2, of [...] § 47, lid 2 genoemde voorwaarden zijn vervuld.”
5
§ 139 GewO 1994 bepaalt:
„(1) Een vergunning is vereist om de volgende activiteiten in de wapensector te verrichten (§ 94, punt 80):
1.
werkzaamheden betreffende niet-militaire wapens en niet-militaire munitie:
a)
productie, bewerking en reparatie (waaronder de wapenproductie),
b)
handel,
c)
verhuur,
d)
bemiddeling bij aan‑ en verkoop;
2.
werkzaamheden betreffende militaire wapens en munitie:
a)
productie, bewerking en reparatie,
b)
handel,
c)
bemiddeling bij aan‑ en verkoop.
[...]
(4) De personen en ondernemingen aan wie overeenkomstig lid 1, punt 1, sub a, b of c, of punt 2, sub a of b, een vergunning is verleend, hebben het recht om op vergunninghoudende schietbanen vuurwapens te verhuren en te repareren en munitie te verkopen. In alle andere gevallen is verhuur van militaire wapens verboden.”
6
§ 141 GewO 1994 luidt als volgt:
„(1) Voor de afgifte van een vergunning voor de in § 139, lid 1, genoemde activiteiten in de wapensector, moet naast het onderzoek van de betrouwbaarheid (§ 95), zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
1.
natuurlijke personen dienen de Oostenrijkse nationaliteit te bezitten en hun woonplaats in Oostenrijk te hebben;
2.
rechtspersonen en geregistreerde vennootschappen:
a)
dienen hun zetel of hoofdvestiging in Oostenrijk te hebben, en
b)
de leden van de wettelijke vertegenwoordigingsorganen, of de beherende en vertegenwoordigingsbevoegde vennoot, dienen de Oostenrijkse nationaliteit te bezitten en hun woonplaats in Oostenrijk te hebben, en
3.
de uitoefening van de betrokken activiteit mag niet indruisen tegen de openbare rust, orde en veiligheid. [...]
[...]
(3) De in lid 1 gestelde voorwaarde inzake de Oostenrijkse nationaliteit geldt, wat onderdanen betreft van lidstaten van de [Europees Economische Ruimte (EER)], niet voor de in § 139, punt 1, genoemde werkzaamheden.”
7
§ 340 GewO 1994 bepaalt:
„(1) De instantie moet op basis van de aanmelding van de uitoefening van een ambachtelijke, commerciële of industriële activiteit (§ 339, lid 1) nagaan of de aanmelder voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van de betrokken activiteit op de aangegeven plaats. [...]
[...]
(3) Indien de in lid 1 genoemde voorwaarden niet zijn vervuld, dient de instantie dit bij bestuurlijk besluit vast te stellen en de uitoefening van die activiteit te verbieden, onverminderd de mogelijkheid om een procedure overeenkomstig § 366, lid 1, punt 1, in te leiden.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
8
Bij verzoekschrift van 27 september 2010 heeft Schiebel Aircraft de Bundesminister onder meer verzocht om een vergunning voor activiteiten in de wapensector, met name de handel in militaire wapens en munitie en de bemiddeling bij de aan‑ en verkoop daarvan. Deze activiteiten zijn namelijk gereglementeerde activiteiten krachtens § 94, punt 80, GewO 1994.
9
Bij het voor de verwijzende rechter aangevochten besluit van 16 februari 2011 heeft de Bundesminister geconstateerd dat Schiebel Aircraft niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor de uitoefening van die activiteiten en heeft hij de uitoefening daarvan verboden.
10
Als motivering voerde de Bundesminister in wezen aan dat H. samen met twee anderen in het handels‑ en ondernemingsregister is ingeschreven als handelsrechtlicher Geschäftsführer (handelsrechtelijk bedrijfsleider) van Schiebel Aircraft en dat hij Brits staatsburger is die niet de Oostenrijkse nationaliteit bezit. Aangezien één van de tot vertegenwoordiging van Schiebel Aircraft bevoegde personen niet de Oostenrijkse nationaliteit bezit, was niet voldaan aan de voorwaarden van § 141, leden 1, punt 2, sub b, en 3, GewO 1994 voor de uitoefening van de in § 139, lid 1, punt 2, sub b en c, GewO 1994 genoemde activiteiten.
11
In haar bij de verwijzende rechter ingestelde beroep tegen dat besluit voert Schiebel Aircraft aan dat artikel 18 VWEU elke discriminatie op grond van nationaliteit verbiedt. In elk geval geniet H., een Brits onderdaan die werkzaam is als bedrijfsleider, de krachtens artikel 49 VWEU door de vrijheid van vestiging geboden bescherming, aangezien hij een grensoverschrijdende bezoldigde activiteit wil verrichten. Schiebel Aircraft betoogt dat de feiten van het hoofdgeding onder het Unierecht vallen, zodat het non-discriminatiebeginsel krachtens artikel 18 VWEU effectief toepassing vindt. Zij voert aan dat de in § 141, leden 1, punt 2, sub b, en 3, GewO 1994 gestelde voorwaarde van het bezit van de Oostenrijkse nationaliteit (hierna: „nationaliteitsvoorwaarde”) een met het Unierecht strijdige directe discriminatie vormt.
12
Schiebel Aircraft erkent voorts dat artikel 346 VWEU, een van de bepalingen van het het primaire recht, de lidstaten toestaat om af te wijken van alle Verdragsbepalingen. Als uitzonderingsbepaling moet die bepaling echter eng worden uitgelegd. Bovendien mag aan de uitzonderingen op de beginselen van vrij verkeer en gelijke behandeling geen draagwijdte worden toegekend die verder gaat dan het doel waarvoor zij werden vasgesteld.
13
Schiebel Aircraft stelt dat de lidstaten, gelet op de in artikel 346 VWEU vervatte zinsnede „naar zijn mening”, weliswaar moeten beoordelen of hun wezenlijke veiligheidsbelangen gevaar lopen, doch dat het Hof heeft gepreciseerd dat de krachtens die bepaling genomen maatregelen moeten stroken met het evenredigheidsbeginsel. Bijgevolg bestaat geen rechtvaardiging voor de nationaliteitsvoorwaarde. Deze voorwaarde, die geldt naast andere reeds bestaande strikte maatregelen, kan niet worden beschouwd als noodzakelijk om de wezenlijke veiligheidsbelangen van de Republiek Oostenrijk te vrijwaren, die voornamelijk door haar neutraliteit worden gekenmerkt.
14
De Bundesminister heeft voor de verwijzende rechter aangevoerd dat hij gebonden is door de tekst van de nationale bepaling en niet bevoegd is om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.
15
De verwijzende rechter merkt op dat de Oostenrijkse rechter bij de invoering van de nationaliteitsvoorwaarde zonder nadere motivering heeft verwezen naar de uitzonderingsbepaling van artikel 223, lid 1, sub b, EEG-Verdrag, die thans is te vinden in artikel 346, lid 1, sub b, VWEU.
16
Volgens de verwijzende rechter staat die bepaling de lidstaten toe om, ter wille van hun wezenlijke veiligheidsbelangen, unilaterale beschermingsmaatregelen te nemen die afwijken van de krachtens de Verdragen op hen rustende verplichtingen. Die belangen omvatten zowel de binnenlandse als de buitenlandse veiligheid. De daarbij aan de lidstaten gelaten beoordelingsmarge wordt beperkt door het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en de algemene rechtsbeginselen.
17
De verwijzende rechter geeft aan dat hij er niet in slaagt vast te stellen dat voor de Republiek Oostenrijk sprake zou zijn van „wezenlijke [veiligheids]belangen” in de zin van artikel 346, lid 1, sub b, VWEU, die de nationaliteitsvoorwaarde en dus de niet-naleving van het non-discriminatiebeginsel van de artikelen 18 VWEU, 45 VWEU en 49 VWEU zouden kunnen rechtvaardigen.
18
Daarop heeft het Verwaltungsgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Staat het Unierecht, inzonderheid de artikelen 18 VWEU, 45 VWEU, 49 VWEU en 346, lid 1, sub b, VWEU, in samenhang gelezen, in de weg aan een nationale bepaling van een lidstaat zoals de in het hoofdgeding toe te passen regeling, krachtens welke de leden van de wettelijke vertegenwoordigingsorganen of de beherende vennoot van ondernemingen die voornemens zijn te handelen in militaire wapens en munitie en te bemiddelen bij de aan‑ en verkoop daarvan, de Oostenrijkse nationaliteit dienen te bezitten, en de nationaliteit van een andere lidstaat van de EER niet volstaat?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Opmerkingen vooraf
19
Vooraf moet worden geconstateerd dat de vraag van de verwijzende rechter betrekking heeft op zowel artikel 18 VWEU, dat voorziet in het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, als de artikelen 45 VWEU en 49 VWEU, die zien op het vrije verkeer van werknemers respectievelijk de vrijheid van vestiging.
20
In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 18 VWEU, dat voorziet in het algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, slechts autonoom toepassing kan vinden in gevallen waarin het Unierecht wel geldt, maar waarvoor het Verdrag niet in bijzondere discriminatieverboden voorziet (zie arresten Attanasio Group, C‑384/08, EU:C:2010:133, punt 37, en Hervis Sport‑ és Divatkereskedelmi, C‑385/12, EU:C:2014:47, punt 25).
21
Het non-discriminatiebeginsel op het gebied van het vrije verkeer van werknemers en het recht van vestiging is echter nader uitgewerkt door de artikelen 45, lid 2, VWEU en 49 VWEU (zie in die zin arresten Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C‑222/04, EU:C:2006:8, punt 99; Lyyski, C‑40/05, EU:C:2007:10, punt 34; UTECA, C‑222/07, EU:C:2009:124, punt 38, en Hervis Sport‑ és Divatkereskedelmi, EU:C:2014:47, punt 25).
22
Het Hof hoeft zich dus niet over artikel 18 VWEU uit te spreken.
23
Aangaande de artikelen 45 en 49 VWEU zij erop gewezen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling geen onderscheid maakt naargelang de activiteit van bedrijfsleider al dan niet bezoldigd is. Voorts verstrekken noch de verwijzingsbeslissing noch het aan het Hof overgelegde dossier enige aanwijzing om te bepalen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie onder één van die bepalingen valt. Aangenomen moet dan ook worden dat een regeling als die in het hoofdgeding gevolgen kan hebben voor zowel het vrije verkeer van werknemers als de vrijheid van vestiging en bijgevolg moet worden getoetst aan zowel artikel 45 VWEU als artikel 49 VWEU.
24
Derhalve moet de gestelde vraag worden geacht betrekking te hebben op de vraag of de artikelen 45 VWEU, 49 VWEU en 346, lid 1, sub 1, VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, die ondernemingen die voornemens zijn te handelen in militaire wapens en munitie en te bemiddelen bij de aan‑ en verkoop daarvan, onderwerpt aan de voorwaarde dat de leden van hun wettelijke vertegenwoordigingsorganen of hun beherende vennoot de nationaliteit van die lidstaat bezitten.
Bestaan van beperkingen van het vrije verkeer van werknemers en de vrijheid van vestiging
25
Alvorens na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wetgeving een maatregel vormt die strijdig is met het vrije verkeer van werknemers en de vrijheid van vestiging, moet allereerst in herinnering worden gebracht dat op het in artikel 45 VWEU neergelegde voorschrift van gelijke behandeling op het gebied van het vrije verkeer van werknemers eveneens een beroep kan worden gedaan door een werkgever die in zijn lidstaat van vestiging onderdanen van een andere lidstaat als werknemers in dienst wil nemen (arrest Clean Car Autoservice, C‑350/96, EU:C:1998:205, punt 25).
26
Deze overweging, die een geval betreft waarin een in een lidstaat gevestigde onderneming door een nationale bepaling in de uitoefening van een activiteit werd belet omdat haar – in dat geval bezoldigde – bedrijfsleider niet in die lidstaat woonde, geldt naar analogie eveneens wanneer de litigieuze voorwaarde ziet op een zelfstandig bedrijfsleider. Het Hof heeft namelijk geconstateerd dat aan de regels inzake het vrije verkeer van werknemers gemakkelijk afbreuk zou kunnen worden gedaan indien de lidstaten, teneinde de daarin opgelegde verboden te ontlopen, ermee zouden kunnen volstaan werkgevers ter zake de indienstneming van een werknemer voorwaarden op te leggen waaraan deze laatste moet voldoen en die, waren zij hem rechtstreeks opgelegd, de uitoefening van het recht op vrij verkeer dat hij aan artikel 45 VWEU ontleent, zouden beperken (zie in die zin arrest Clean Car Autoservice, EU:C:1998:205, punt 21). Deze vaststelling geldt eveneens in geval de werkgever geen werknemer maar een zelfstandige, waarvan de situatie onder artikel 49 VWEU valt, in dienst wil nemen (zie eveneens, met betrekking tot de mogelijkheid voor werknemers van een dienstverrichter om zich op de vrijheid van dienstverrichting te beroepen, arrest Abatay e.a., C‑317/01 en C‑369/01, EU:C:2003:572, punt 106).
27
De vrijheid van vestiging, die in artikel 49 VWEU aan de burgers van de Europese Unie wordt toegekend, omvat voor hen de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst alsmede de oprichting en het bestuur van ondernemingen onder dezelfde voorwaarden als in de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld. Volgens vaste rechtspraak beoogt artikel 49 VWEU aldus te verzekeren dat elke onderdaan van een lidstaat die zich in een andere lidstaat vestigt om er een activiteit anders dan in loondienst te verrichten, aldaar als eigen burger wordt behandeld, en verbiedt het elke uit nationale wettelijke regelingen voortvloeiende discriminatie op grond van nationaliteit als een beperking van de vrijheid van vestiging (zie met name arresten Commissie/Frankrijk, 270/83, EU:C:1986:37, punt 14, en Commissie/België, C‑47/08, EU:C:2011:334, punt 80).
28
Voorts staat in artikel 45, lid 2, VWEU te lezen dat het vrije verkeer van werknemers de afschaffing inhoudt van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.
29
Bijgevolg moet worden geconstateerd dat een regeling als die in het hoofdgeding een verschil in behandeling op grond van nationaliteit invoert, dat in beginsel bij zowel artikel 49 VWEU als artikel 45, lid 2, VWEU is verboden, aangezien zij de toekenning aan een onderneming van een vergunning voor de handel in militaire wapens en munitie en de bemiddeling bij de aan‑ en verkoop daarvan afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de leden van de wettelijke vertegenwoordigingsorganen of de beherende vennoot van die onderneming de Oostenrijkse nationaliteit bezitten.
30
Vastgesteld moet namelijk worden dat de nationaliteitsvoorwaarde onderdanen van andere lidstaten rechtstreeks verhindert om zich in Oostenrijk te vestigen als lid van wettelijke vertegenwoordigingsorganen of beherend vennoot van een onderneming die handelt in militaire wapens en munitie en bemiddelt bij de aan‑ en verkoop daarvan of om in die lidstaat dergelijke activiteiten als werknemer te verrichten.
Mogelijkheid om beperkingen van vrijheid van vestiging en vrij verkeer van werknemers op basis van artikel 346, lid 1, sub b, VWEU te rechtvaardigen
31
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de Oostenrijkse wetgever bij de invoering van de nationaliteitsvoorwaarde zonder nadere motivering heeft verwezen naar de uitzonderingsbepaling van artikel 223, lid 1, sub b, EEG-Verdrag, die thans vervat ligt in artikel 346, lid 1, sub b, VWEU.
32
Bijgevolg moet worden nagegaan of artikel 346, lid 1, sub b, VWEU, volgens hetwelk de bepalingen van de Verdragen niet beletten dat een lidstaat de maatregelen neemt die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal, de door een regeling als die in het hoofdgeding gestelde beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van werknemers kan rechtvaardigen.
33
In dit verband zij allereerst erop gewezen dat de afwijking waarin artikel 346 VWEU voorziet, conform vaste rechtspraak inzake afwijkingen van de fundamentele vrijheden, eng moet worden uitgelegd (zie in die zin arresten Commissie/Finland, C‑284/05, EU:C:2009:778, punt 46, en Insinööritoimisto InsTiimi, C‑615/10, EU:C:2012:324, punt 35).
34
Daarnaast moet worden opgemerkt dat lid 1, sub b, van artikel 346 VWEU weliswaar gewag maakt van maatregelen die een lidstaat noodzakelijk kan achten voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid, maar niet in die zin kan worden uitgelegd dat het de lidstaten de mogelijkheid biedt om louter op grond van die belangen van de bepalingen van het Verdrag af te wijken (zie in die zin arresten Commissie/Finland, EU:C:2009:778, punt 47, en Insinööritoimisto InsTiimi, EU:C:2012:324, punt 35). De lidstaat die zich op artikel 346, lid 1, sub b, VWEU beroept, moet namelijk bewijzen dat het voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid noodzakelijk is om gebruik te maken van de in die bepaling neergelegde afwijking (zie in die zin arresten Commissie/Finland, EU:C:2009:778, punt 49, en Insinööritoimisto InsTiimi, EU:C:2012:324, punt 45).
35
Ofschoon de activiteiten waarvoor Schiebel Aircraft om een bedrijfsvergunning heeft verzocht, zijnde de handel in militaire wapens en munitie en de bemiddeling bij de aan‑ en verkoop daarvan, onder de in artikel 346, lid 1, sub b, VWEU neergelegde afwijking kunnen vallen, blijkt noch uit de verwijzingsbeslissing noch uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de Republiek Oostenrijk, waarvan de regering geen opmerkingen heeft ingediend bij het Hof, het bewijs heeft geleverd dat de aan die onderneming opgelegde nationaliteitsvoorwaarde noodzakelijk is om de wezenlijke belangen van haar veiligheid te beschermen, hetgeen de verwijzende rechter uiteindelijk dient na te gaan.
36
Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, kan het Hof hem evenwel, in een geest van samenwerking met de nationale rechters, alle aanwijzingen geven die het noodzakelijk acht (zie in die zin arrest AES-3C Maritza East 1, C‑124/12, EU:C:2013:488, punt 42).
37
Gesteld in dit verband dat is aangetoond dat de doelstelling om de betrouwbaarheid te waarborgen van personen die een vergunning hebben om te handelen in militaire wapens en munitie en te bemiddelen bij de aan‑ en verkoop daarvan, de doelstelling van het veiligstellen van de bevoorrading met defensiematerieel en de doelstelling om de openbaarmaking van strategische informatie te beletten, die met name door de Tsjechische en de Zweedse regering en de Europese Commissie werden aangehaald in hun respectieve schriftelijke opmerkingen, voor de Republiek Oostenrijk wezenlijke veiligheidsbelangen in de zin van artikel 346, lid 1, sub b, VWEU vormen, is evenwel ook vereist dat de nationaliteitsvoorwaarde conform het evenredigheidsbeginsel niet verder gaat dan passend en noodzakelijk is ter bereiking van het beoogde doel (zie in die zin arresten Johnston, 222/84, EU:C:1986:206, punt 38, en Albore, C‑423/98, EU:C:2000:401, punt 19).
38
Zoals de Tsjechische regering en de Commissie opmerken, kunnen dergelijke doelstellingen, ook al zou de nationaliteitsvoorwaarde geschikt zijn om de in het vorige punt van dit arrest aangehaalde doelstellingen te bereiken, in casu worden bereikt met minder beperkende maatregelen, zoals met name regelmatige controles van de productie van en de handel in wapens, een bestuursrechtelijke geheimhoudingsplicht of zelfs de strafrechtelijke beteugeling van de openbaarmaking van strategische informatie.
39
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 45 VWEU en 49 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, die ondernemingen die voornemens zijn te handelen in militaire wapens en munitie en te bemiddelen bij de aan‑ en verkoop daarvan, onderwerpt aan de voorwaarde dat de leden van hun wettelijke vertegenwoordigingsorganen of hun beherende vennoot de nationaliteit van die lidstaat bezitten. Het staat echter aan de verwijzende rechter om na te gaan of de lidstaat die zich op artikel 346, lid 1, sub b, VWEU beroept om een dergelijke regeling te rechtvaardigen, kan aantonen dat het voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid noodzakelijk is om gebruik te maken van de in die bepaling neergelegde afwijking.
Kosten
40
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 45 VWEU en 49 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, die ondernemingen die voornemens zijn te handelen in militaire wapens en munitie en te bemiddelen bij de aan‑ en verkoop daarvan, onderwerpt aan de voorwaarde dat de leden van hun wettelijke vertegenwoordigingsorganen of hun beherende vennoot de nationaliteit van die lidstaat bezitten. Het staat echter aan de verwijzende rechter om na te gaan of de lidstaat die zich op artikel 346, lid 1, sub b, VWEU beroept om een dergelijke regeling te rechtvaardigen, kan aantonen dat het voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid noodzakelijk is om gebruik te maken van de in die bepaling neergelegde afwijking.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy