ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
19 september 2013 ( *1 )
„Vrij verkeer van personen — Vrijheid van vestiging — Vrij verrichten van diensten — Richtlijn 2005/36/EG — Erkenning van beroepskwalificaties — Beroep van tandarts — Specificiteit en onderscheid met beroep van arts — Gemeenschappelijke opleiding”
In zaak C‑492/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) bij beslissing van 19 oktober 2012, ingekomen bij het Hof op 5 november 2012, in de procedure
Conseil national de l’ordre des médecins
tegen
Ministre de l’Enseignement supérieur et de la Recherche,
Ministre des Affaires sociales et de la Santé,
in tegenwoordigheid van:
Conseil national de l’ordre des chirurgiens-dentistes,
wijst HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, J. Malenovský, U. Lõhmus, M. Safjan (rapporteur) en A. Prechal, rechters,
advocaat-generaal: N. Jääskinen,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
de Conseil national de l’ordre des médecins, vertegenwoordigd door J. Barthelemy, avocat,
—
de Conseil national de l’ordre des chirurgiens-dentistes, vertegenwoordigd door F. Thiriez, avocat,
—
de Franse regering, vertegenwoordigd door D. Colas, N. Rouam en F. Gloaguen als gemachtigden,
—
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,
—
Ierland, vertegenwoordigd door E. Creedon als gemachtigde,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en H. Tserepa-Lacombe als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 (PB L 311, blz. 1; hierna: „richtlijn 2005/36”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Conseil national de l’ordre des médecins (nationale raad van de orde van geneesheren) (hierna: „CNOM”) en de ministre de l’Enseignement supérieur et de la Recherche (minister van Hoger Onderwijs en Onderzoek) enerzijds en de ministre des Affaires sociales et de la santé (minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid) anderzijds, in tegenwoordigheid van de Conseil national de l’ordre des chirurgiens-dentistes (nationale raad van de orde van tandartsen), interveniënt, over de rechtmatigheid van het arrêté fixant la liste des formations qualifiantes et la réglementation des diplômes d’études spécialisées en odontologie (besluit tot vaststelling van de lijst van kwalificerende opleidingen en de regeling van de diploma’s voor de gespecialiseerde studie in de tandheelkunde) van 31 maart 2011 (JOFR van 19 april 2011, blz. 6854; hierna: „litigieus besluit”).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB L 233, blz. 1), richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB L 233, blz. 10) en richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma’s, certificaten en andere titels (PB L 165, blz. 1), zijn ingetrokken bij richtlijn 2005/36.
4
Punt 22 van de considerans van richtlijn 2005/36 luidt:
„In alle lidstaten moet de beoefening der tandheelkunde een specifiek beroep zijn, onderscheiden van het beroep van arts, ongeacht of deze in de mond- en tandheelkunde is gespecialiseerd. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de opleiding tot beoefenaar der tandheelkunde alle noodzakelijke deskundigheid op het gebied van de preventie, diagnostiek en behandeling van afwijkingen en ziekten van het gebit, de mond, de kaken en omliggende weefsels bijbrengt. De tandheelkunde kan alleen worden beoefend door personen die in het bezit zijn van een opleidingstitel van beoefenaar der tandheelkunde, zoals bedoeld in deze richtlijn.”
5
Artikel 21 van die richtlijn, inzake het beginsel van automatische erkenning, bepaalt:
„1. Elke lidstaat erkent de opleidingstitels van artsen welke toegang geven tot de beroepswerkzaamheden van arts met een basisopleiding of medische specialist, alsmede de opleidingstitels van verantwoordelijk algemeen ziekenverplegers, beoefenaren der tandheelkunde, specialisten in de tandheelkunde, dierenartsen, apothekers en architecten, zoals bedoeld in bijlage V, respectievelijk de punten 5.1.1, 5.1.2, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.6.2 en 5.7.1, die voldoen aan de minimumopleidingseisen van respectievelijk de artikelen 24, 25, 31, 34, 35, 38, 44 en 46, door daaraan op zijn grondgebied, wat de toegang tot en uitoefening van de betrokken beroepswerkzaamheden betreft, hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hem afgegeven opleidingstitels.
[...]
7. Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die hij met betrekking tot de afgifte van opleidingstitels op het door dit hoofdstuk bestreken gebied vaststelt. [...]
De Commissie doet hiervan passende mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie en vermeldt daarbij de door de lidstaten goedgekeurde benamingen voor de opleidingstitels alsmede, in voorkomend geval, de instelling die de opleidingstitel afgeeft, het certificaat dat deze titel vergezelt en, in voorkomend geval, de overeenkomstige beroepstitel, zoals opgenomen in bijlage V, respectievelijk punten 5.1.1, 5.1.2, 5.1.3, 5.1.4, 5.2.2, 5.3.2, 5.3.3, 5.4.2, 5.5.2, 5.6.2 en 5.7[.1].”
6
In lid 2 van artikel 24 van die richtlijn – over de medische basisopleiding – is bepaald:
„De medische basisopleiding omvat in totaal ten minste zes studiejaren of 5500 uur theoretisch en praktisch onderwijs aan een universiteit of onder toezicht van een universiteit.
[...]”
7
Artikel 25 van richtlijn 2005/36, betreffende de opleiding tot medisch specialist, luidt:
„1. Voor de toelating tot de opleiding tot medisch specialist moeten in het kader van de in artikel 24 bedoelde opleiding met goed gevolg zes studiejaren zijn volbracht gedurende welke de vereiste medische basiskennis is verworven.
2. De opleiding tot medisch specialist omvat theoretisch en praktisch onderwijs in een universitair centrum, een academisch ziekenhuis of, in voorkomend geval, in een daartoe door de bevoegde autoriteiten of instellingen erkende inrichting voor gezondheidszorg.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de minimumduur van de in bijlage V, punt 5.1.3, bedoelde medische specialistenopleidingen niet korter is dan de in dat punt genoemde duur. De opleiding wordt onder toezicht van de bevoegde autoriteiten of instellingen gegeven. De aankomend medisch specialist dient persoonlijk aan de werkzaamheden van de betrokken diensten deel te nemen en daarvoor verantwoordelijkheid te dragen.
[...]
4. De lidstaten stellen de afgifte van een opleidingstitel van medisch specialist afhankelijk van het bezit van een van de opleidingstitels van arts met een basisopleiding zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.1.1.
[...]”
8
Artikel 34 van richtlijn 2005/36, inzake de basisopleiding tandheelkunde, bepaalt:
„1. Voor de toelating tot de basisopleiding tandheelkunde wordt het bezit vereist van een diploma of certificaat dat in een lidstaat voor de betrokken studies toegang geeft tot universiteiten of instellingen voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau.
2. De basisopleiding tandheelkunde omvat in totaal ten minste vijf jaar theoretisch en praktisch onderwijs op voltijdbasis aan een universiteit, aan een instelling voor hoger onderwijs van een als gelijkwaardig erkend niveau of onder toezicht van een universiteit, en omvat ten minste het in bijlage V, punt 5.3.1, opgenomen studieprogramma.
[...]
3. De basisopleiding tandheelkunde waarborgt dat de betrokkene de volgende kennis en bekwaamheid heeft verworven:
a)
voldoende kennis van de wetenschappen waarop de tandheelkunde berust, alsmede een goed inzicht in de wetenschappelijke methoden en met name de beginselen van de meting van biologische functies, in de beoordeling van wetenschappelijk vastgestelde feiten alsmede in de analyse van gegevens;
b)
voldoende kennis van het gestel, de fysiologie en het gedrag van gezonde en zieke personen, alsmede van de wijze waarop de gezondheidstoestand van de mens wordt beïnvloed door zijn natuurlijke en sociale omgeving; een en ander voor zover dat in relatie staat tot de tandheelkunde;
c)
voldoende kennis van structuur en functie van de tanden, de mond, de kaken en de omliggende weefsels, zowel in gezonde als zieke toestand, en de relatie daarvan tot de algemene gezondheidstoestand en het fysieke en sociale welzijn van de patiënt;
d)
voldoende kennis van de klinische studievakken en methoden die aan de tandheelkundige een samenhangend beeld geven van de anomalieën, kwetsuren en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels, alsmede van de preventieve, diagnostische en therapeutische aspecten van de odontologie;
e)
voldoende klinische ervaring, opgedaan onder deskundig toezicht.
De opleiding verschaft de nodige bekwaamheid voor alle werkzaamheden die verband houden met de preventie, de diagnose en de behandeling van afwijkingen en ziekten van tanden, mond, kaken en omliggende weefsels.”
9
Artikel 35 van die richtlijn, over de opleiding tot specialist in de tandheelkunde, luidt:
„1. Voor de toelating tot de opleiding tot specialist in de tandheelkunde moeten met goed gevolg vijf jaar theoretisch en praktisch onderwijs in het kader van de in artikel 34 bedoelde opleiding zijn volbracht, of moet men in het bezit zijn van de stukken bedoeld in de artikelen 23 en 37[, betreffende de verworven rechten].
[...]
3. De lidstaten stellen de afgifte van een opleidingstitel van specialist in de tandheelkunde afhankelijk van het bezit van een van de opleidingstitels van de basisopleiding tandheelkunde bedoeld in bijlage V, punt 5.3.2.”
10
Artikel 36 van die richtlijn regelt de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde als volgt:
„1. Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de beroepswerkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde die welke in lid 3 worden omschreven en onder de in bijlage V, punt 5.3.2, genoemde beroepstitels worden uitgeoefend.
2. Het beroep van beoefenaar der tandheelkunde is gebaseerd op de in artikel 34 bedoelde tandheelkundige opleiding en is een specifiek beroep dat zich van het beroep van arts onderscheidt, ongeacht of deze is gespecialiseerd. Voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde is het bezit vereist van een opleidingstitel zoals bedoeld in bijlage V, punt 5.3.2. Met de houders van een dergelijke opleidingstitel worden gelijkgesteld de begunstigden van artikelen 23 of 37.
[...]”
11
In bijlage V bij richtlijn 2005/36, betreffende de erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen, worden de titels inzake de basisopleiding en de gespecialiseerde opleidingen vermeld voor zowel artsen als beoefenaars der tandheelkunde.
12
Een van de in punt 5.1.3 van die bijlage genoemde specialistenopleidingen is die van „[m]ond-, tand- en maxillo-faciale chirurgie (basisopleiding voor arts en voor beoefenaar der tandheelkunde)”, waarvoor „de medische basisopleiding (artikel 24) en bovendien ook de basisopleiding tandheelkunde (artikel 34) met goed gevolg [moeten] zijn doorlopen”. De opleidingstitels van medische specialisten in dat vakgebied vallen voor negen lidstaten onder het stelsel van erkenning, namelijk het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, de Republiek Cyprus, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Finland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
13
Naast de opleiding „[m]ond-, tand- en maxillo-faciale chirurgie (basisopleiding voor arts en voor beoefenaar der tandheelkunde)”, vermeldt punt 5.1.3 van bijlage V bij richtlijn 2005/36 ook de opleiding „[m]axillo-faciale chirurgie (basisopleiding voor arts)”. Voor de Franse Republiek is in die bijlage daarvoor de benaming „[c]hirurgie maxillo-faciale et stomatologie” neergelegd.
14
Wat de opleidingstitels van beoefenaren der tandheelkunde (basisopleiding) betreft, vermeldt punt 5.3.2 van die bijlage de titel „chirurgien-dentiste” als de in Frankrijk gebruikte beroepstitel.
15
Wat de opleidingstitels van specialisten in de tandheelkunde betreft, bevat punt 5.3.3 van bijlage V bij richtlijn 2005/36 een rubriek „[k]aakchirurgie”. Titels van zestien lidstaten worden in dat verband erkend. De Franse Republiek behoort daar niet toe.
16
Die bijlage preciseert ook, in punt 5.3.1, het studieprogramma voor beoefenaren der tandheelkunde, in het bijzonder de medisch-biologische en algemeen medische vakken. Die vakken betreffen onder meer anatomie, embryologie, histologie, met inbegrip van de cytologie, fysiologie, biochemie (of fysiologische scheikunde), pathologische anatomie, algemene pathologie, farmacologie, microbiologie, preventieve geneeskunde en epidemiologie, radiologie, algemene chirurgie, inwendige geneeskunde, met inbegrip van de kindergeneeskunde, keel-, neus- en oorheelkunde, dermatologie en venerologie en anesthesiologie. Tot de specifiek tandheelkundige vakken van dat studieprogramma behoren anesthesiologie in de tandheelkunde, mond- en kaakchirurgie, mond- en kaakpathologie en odontologische radiologie.
Frans recht
17
Artikel R. 4127‑70 van de code de la santé publique (wetboek volksgezondheid) bepaalt:
„Elke arts mag in beginsel alle handelingen inzake diagnose, preventie en behandeling verrichten. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden mag hij echter geen zorg verstrekken of voortzetten, of recepten voorschrijven op gebieden waarvoor hij over onvoldoende kennis, ervaring of middelen beschikt.”
18
Artikel R. 4127‑204 van die code luidt:
„Een tandarts mag in geen geval zijn beroep uitoefenen in omstandigheden die de kwaliteit van de zorg en de verrichte handelingen of de veiligheid van de patiënt in het gedrang kunnen brengen. Hij moet in het bijzonder alle maatregelen nemen en zijn medewerkers of assistenten alle maatregelen doen nemen om de overdracht van ziektes te vermijden.
Behoudens uitzonderlijke omstandigheden mag hij geen handelingen verrichten, zorg verstrekken of recepten voorschrijven op gebieden waarvoor hij niet beroepsbekwaam is of over onvoldoende materiële mogelijkheden beschikt.”
19
Artikel L. 634‑1 van de code de l’éducation (wetboek onderwijs), zoals gewijzigd bij artikel 43 van loi no 2009‑879 van 21 juli 2009 (JORF van 22 juli 2009, blz. 12184), bepaalt:
„De derde lange cyclus van de studie tandheelkunde, intern coassistentschap tandheelkunde, staat via een nationaal vergelijkend examen open voor studenten die de tweede cyclus van de studie tandheelkunde met goed gevolg hebben voleindigd.
De studenten die na afloop van het vergelijkende examen worden aangesteld als interne coassistent in de tandheelkunde kunnen de kwalificerende opleidingen van de derde cyclus volgen waarvan de lijst is vastgesteld door de ministers die bevoegd zijn voor hoger onderwijs en gezondheid. De opleiding en het academische ziekenhuis waar de opleiding wordt gevolgd, worden gekozen op basis van de rangschikking van het examen voor het intern coassistentschap.
Na het met goed gevolg voleindigen van die derde cyclus en de verdediging van een scriptie, ontvangen de interne coassistenten naast het diplôme d’État de docteur en chirurgie dentaire een diploma met vermelding van de behaalde kwalificatie.
[...]”
20
Artikel 9 van décret no 2011‑22 relatif à l’organisation du troisième cycle long des études odontologiques (decreet houdende organisatie van de derde lange cyclus van de studie tandheelkunde) van 5 januari 2011 (JORF van 7 januari 2011, blz. 447) luidt:
„De lijst van kwalificerende opleidingen van de derde lange cyclus van de studie tandheelkunde wordt vastgesteld bij besluit van de ministers die bevoegd zijn voor hoger onderwijs en gezondheid. Bepaalde opleidingen kunnen gemeenschappelijk zijn voor geneeskunde en tandheelkunde.”
21
In artikel 1 van het litigieuze besluit is bepaald:
„In het kader van de derde lange cyclus van de studie tandheelkunde kunnen studenten de volgende kwalificerende opleidingen volgen die leiden tot een diploma gespecialiseerde studie:
—
diploma gespecialiseerde studie mondchirurgie, gemeenschappelijke opleiding voor geneeskunde en tandheelkunde;
—
diploma gespecialiseerde studie dento-faciale orthopedie;
—
diploma gespecialiseerde studie orodentale geneeskunde.”
22
Artikel 3 van dat besluit luidt:
„Voor de in artikel 1 van het onderhavige besluit bedoelde diploma’s gespecialiseerde studie kunnen de interne coassistenten in de tandheelkunde inschrijven die een voldoende hoog cijfer hebben behaald op het vergelijkende examen voor de derde lange cyclus van de studie tandheelkunde.
Voor de opleidingen die gemeenschappelijk zijn voor de tandheelkunde en de geneeskunde kunnen ook interne coassistenten in de geneeskunde inschrijven die een voldoende hoog cijfer hebben behaald voor de nationale selectieproeven voor toegang tot de derde gespecialiseerde cyclus van de studie geneeskunde.”
23
De theoretische opleiding in de mondchirurgie, die wordt beschreven in de bijlage bij het bestreden besluit, omvat met name onderricht in de chirurgie van tandwortel en omliggend weefsel en al dan niet door het gebit veroorzaakte kaakcystes, in de preprothesische chirurgie en de dentale implantologie; studie van de pathologie van goedaardige tumoren, van pathologieën betreffende de speekselklieren en orthodontische chirurgie en orthognatische behandeling.
24
Diezelfde bijlage bepaalt dat deze universitaire opleiding voorts bestaat uit een praktische stage van minstens drie semesters op een in tandheelkunde gespecialiseerde dienst en drie semesters op een in kaak- en aangezichtchirurgie gespecialiseerde dienst. Krachtens de artikelen R. 4127‑70 en R. 4127‑204 van de code de la santé publique kunnen zowel de in mondchirurgie gespecialiseerde artsen als de in mondchirurgie gespecialiseerde tandartsen rechtmatig alle met dat specialisme verbonden handelingen gewoonlijk verrichten zonder in strijd met hun deontologie te handelen.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
25
De CNOM heeft de Conseil d’État verzocht om nietigverklaring van het litigieuze besluit wegens bevoegdheidsoverschrijding, met name op grond dat het onverenigbaar was met richtlijn 2005/36 en in het bijzonder met de artikelen 24, 25 en 36 daarvan. De Conseil national de l’ordre des chirurgiens-dentistes is in het kader van het hoofdgeding geïntervenieerd aan de zijde van de ministers die dit besluit hebben vastgesteld.
26
Het litigieuze besluit creëert een gemeenschappelijke kwalificerende opleiding voor studenten van de derde cyclus intern coassistentschap tandheelkunde en studenten van de derde cyclus intern coassistentschap geneeskunde, die leidt tot een diploma gespecialiseerde studie mondchirurgie.
27
In een van de middelen van het door hem bij de verwijzende rechter neergelegde verzoekschrift stelt de CNOM dat artikel 9 van décret no 2011‑22 en het op grond van dit artikel vastgestelde litigieuze besluit onverenigbaar zijn met de bepalingen van richtlijn 2005/36, omdat de vakken in het kader van de nieuwe opleiding van de derde cyclus die openstaat voor zowel studenten geneeskunde als studenten tandheelkunde onder de medische specialismen in de zin van die richtlijn vallen en de instelling van een gemeenschappelijke derde opleidingscyclus een beroep creëert dat gemeenschappelijk is voor artsen en tandartsen.
28
Volgens de verwijzende rechter betreffen de competenties die vermeld staan op het bij het litigieuze besluit ingestelde diploma mondchirurgie, zowel medische disciplines, namelijk stomatologie en kaak- en aangezichtchirurgie, als tandheelkundige disciplines.
29
De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat gelet op hun initiële opleiding en de omstandigheid dat de studenten tandheelkunde die zijn geselecteerd om dat diploma voor te bereiden een bijkomende medische opleiding genieten, de CNOM niet kan stellen dat de wetgever kennelijk ten onrechte heeft geoordeeld dat studenten tandheelkunde in staat zijn tijdens de duur van hun intern coassistentschap de medische kennis te verwerven die noodzakelijk is om de handelingen te verrichten waarvoor zij worden opgeleid.
30
De verwijzende rechter merkt evenwel op dat volgens artikel 36 van richtlijn 2005/36 het beroep van beoefenaar der tandheelkunde is gebaseerd op de in artikel 34 van die richtlijn bedoelde tandheelkundige opleiding en een specifiek beroep is dat zich onderscheidt van het beroep van arts, ongeacht of deze is gespecialiseerd. Het antwoord op het door de CNOM aangevoerde middel hangt dus af van de vraag of, enerzijds, een lidstaat op grond van richtlijn 2005/36 een gemeenschappelijke kwalificerende opleiding mag instellen die artsen en tandartsen hetzelfde specialisme laat beoefenen en, anderzijds, of de bepalingen van die richtlijn over de met geneeskunde verbonden specialismen aldus moeten worden begrepen dat zij geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de opleiding mondchirurgie zoals nader beschreven in de bijlage bij het litigieuze besluit.
31
In deze omstandigheden heeft de Conseil d’État de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Verzet de omstandigheid dat het beroep van beoefenaar der tandheelkunde krachtens artikel 36 van richtlijn 2005/36 [...] een specifiek beroep is, zich tegen de instelling van een kwalificerende opleiding van de derde cyclus die gemeenschappelijk is voor studenten geneeskunde en tandheelkunde?
2)
Sluiten de bepalingen van [...] richtlijn [2005/36] over de met geneeskunde verbonden specialismen uit dat disciplines zoals opgesomd in punt [23 van het onderhavige arrest] worden opgenomen in een opleiding tandheelkunde?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
32
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat een lidstaat een gespecialiseerde opleiding mondchirurgie zoals die in het hoofdgeding instelt, die gemeenschappelijk is voor houders van een diploma beoefenaar der tandheelkunde en personen die enkel een medische basisopleiding hebben voltooid.
33
In dat verband zij opgemerkt dat richtlijn 2005/36 naar een duidelijke scheiding tussen het beroep van beoefenaar der tandheelkunde en dat van arts streeft (zie, voor wat betreft richtlijnen 78/686 en 78/687, arrest van 29 november 2001, Commissie/Italië, C-202/99, Jurispr. blz. I-9319, punt 51, en beschikking van 17 oktober 2003, Vogel, C-35/02, Jurispr. blz. I-12229, punt 33).
34
Krachtens artikel 36, lid 2, van richtlijn 2005/36 is het beroep van beoefenaar der tandheelkunde gebaseerd op de basisopleiding tot beoefenaar van die discipline en is het een specifiek beroep dat zich van het beroep van arts onderscheidt, ongeacht of deze is gespecialiseerd. Voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde is het bezit vereist van de in punt 5.3.2 van bijlage V bij richtlijn 2005/36 bedoelde basisopleidingstitel, die voor de Franse Republiek het diplôme d’État de docteur en chirurgie dentaire is.
35
Het hoofdgeding heeft echter geen betrekking op de voorwaarden voor toegang tot een beroep dat krachtens richtlijn 2005/36 slechts mag worden uitgeoefend na een basisopleiding tandheelkunde, maar op de voorwaarden voor toegang tot een specialisme in de mondchirurgie.
36
Wat gespecialiseerde opleidingen betreft, zij vastgesteld dat krachtens de artikelen 25, lid 1, en 35, lid 1, van richtlijn 2005/36 voor de toelating tot de opleiding tot medisch specialist en die tot specialist in de tandheelkunde studies in het kader van de cyclus medische basisopleiding, respectievelijk de basisopleiding tandheelkunde met goed gevolg moeten zijn volbracht.
37
Indien de benaming van de door een lidstaat ingestelde gespecialiseerde opleidingscyclus overeenstemt met een specialisme op het gebied van geneeskunde of tandheelkunde dat – voor die staat – wordt vermeld in de punten 5.1.3 of 5.3.3 van bijlage V bij richtlijn 2005/36, kunnen tot een dergelijke opleiding geen personen worden toegelaten zonder de titel van de medische basisopleiding, respectievelijk de titel van de basisopleiding tandheelkunde of, wanneer die bijlage dit bepaalt, beide titels.
38
Indien een lidstaat echter een gespecialiseerde opleiding instelt waarvan de benaming niet overeenstemt met een in bijlage V bij richtlijn 2005/36 vermeld specialisme en die geen recht geeft op toekenning van een in die bijlage vermelde titel, betreft het geen opleiding in de zin van de artikelen 25 en 35 van die richtlijn, zodat deze de voorwaarden voor toegang en de inhoud van de aldus ingestelde opleiding niet beheerst.
39
In die omstandigheden verzet richtlijn 2005/36 zich er niet tegen dat een gespecialiseerde opleiding waarvan de benaming niet overeenstemt met de in bijlage V daarbij vermelde benamingen, zowel wordt opengesteld voor personen die enkel een medische basisopleiding hebben voltooid als voor personen die enkel de studie in het kader van de basisopleiding tandheelkunde met goed gevolg hebben volbracht.
40
Op grond van richtlijn 2005/36 leidt een dergelijke gespecialiseerde opleiding, die niet wordt vermeld in die bijlage V, echter, voor zover zij niet beantwoordt aan de in de artikelen 24 of 34 van die richtlijn bedoelde vereisten inzake de basisopleidingen tot arts of beoefenaar der tandheelkunde, niet tot afgifte van een opleidingstitel van arts met basisopleiding of beoefenaar der tandheelkunde met basisopleiding.
41
Richtlijn 2005/36 verzet er zich immers tegen dat iemand zonder titel van een medische basisopleiding het beroep van arts uitoefent en iemand zonder titel van een basisopleiding tandheelkunde het beroep van beoefenaar der tandheelkunde uitoefent.
42
Wat de benamingen van de gespecialiseerde opleidingen in de geneeskunde en de tandheelkunde betreft, wordt in bijlage V bij richtlijn 2005/36 voor de Franse Republiek niets vermeld bij de gespecialiseerde opleiding mond-, tand- en maxillo-faciale chirurgie (basisopleiding voor arts en voor beoefenaar der tandheelkunde) of de opleiding kaakchirurgie. In die bijlage worden voor deze lidstaat wel de gespecialiseerde medische opleidingen „chirurgie maxillo-faciale” en „stomatologie” vermeld.
43
De benaming van het specialisme „chirurgie orale” zoals dat in het hoofdgeding aan de orde is, stemt dus niet overeen met de voor de Franse Republiek in bijlage V bij richtlijn 2005/36 vermelde benamingen.
44
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzet dat een lidstaat een gespecialiseerde opleidingscyclus instelt, zowel in de geneeskunde als in de tandheelkunde, waarvan de benaming niet overeenstemt met de voor die lidstaat vermelde benamingen in bijlage V bij die richtlijn. Een dergelijke gespecialiseerde opleiding kan zowel openstaan voor personen die enkel een medische basisopleiding hebben voltooid als voor personen die enkel de studie in het kader van de basisopleiding tandheelkunde met goed gevolg hebben volbracht.
45
Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of
—
die gespecialiseerde opleiding, voor zover zij niet beantwoordt aan de in de artikelen 24 en 34 van die richtlijn bedoelde vereisten inzake de basisopleidingen tot arts of beoefenaar der tandheelkunde, niet leidt tot afgifte van de titel van arts met basisopleiding of de titel van beoefenaar der tandheelkunde met basisopleiding, en
—
de titel die wordt toegekend na voltooiing van die gespecialiseerde opleiding niet het recht verleent het basisberoep van arts of beoefenaar der tandheelkunde uit te oefenen aan personen zonder de titel van arts met basisopleiding, respectievelijk beoefenaar der tandheelkunde met basisopleiding.
Tweede vraag
46
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat medische vakken deel uitmaken van een gespecialiseerde opleiding zoals die in het hoofdgeding.
47
Uit het onderzoek van de eerste prejudiciële vraag volgt dat richtlijn 2005/36 voor een gespecialiseerde opleiding zoals die in het hoofdgeding niet een bepaalde inhoud verplicht stelt.
48
In elk geval doet de omstandigheid dat volgens die richtlijn – zoals is opgemerkt in punt 34 van het onderhavige arrest – het beroep van beoefenaar der tandheelkunde een specifiek beroep is dat zich van het beroep van arts onderscheidt, er niet aan af dat het studieprogramma dat leidt tot de in punt 5.3.1 van bijlage V bij richtlijn 2005/36 gespecifieerde opleidingstitels van beoefenaar der tandheelkunde (basisopleiding), niet enkel specifiek tandheelkundige vakken bevat, maar ook medisch-biologische en algemeen medische vakken.
49
Daaruit blijkt dat de wetgever van de Unie niet de bedoeling had medische vakken uit te sluiten van de – al dan niet gespecialiseerde – opleiding tot beoefenaar der tandheelkunde.
50
In die omstandigheden moet op de tweede vraag worden geantwoord dat richtlijn 2005/36 aldus moet worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzet dat medische vakken deel uitmaken van een gespecialiseerde opleiding in de tandheelkunde.
Kosten
51
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
1)
a)
Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzet dat een lidstaat een gespecialiseerde opleidingscyclus instelt, zowel in de geneeskunde als in de tandheelkunde, waarvan de benaming niet overeenstemt met de voor die lidstaat vermelde benamingen in bijlage V bij die richtlijn. Een dergelijke gespecialiseerde opleiding kan zowel openstaan voor personen die enkel een medische basisopleiding hebben voltooid als voor personen die enkel de studie in het kader van de basisopleiding tandheelkunde met goed gevolg hebben volbracht.
b)
Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of
—
die gespecialiseerde opleiding, voor zover zij niet beantwoordt aan de in de artikelen 24 en 34 van die richtlijn bedoelde vereisten inzake de basisopleidingen tot arts of beoefenaar der tandheelkunde, niet leidt tot afgifte van de titel van arts met basisopleiding of de titel van beoefenaar der tandheelkunde met basisopleiding, en
—
de titel die wordt toegekend na voltooiing van die gespecialiseerde opleiding niet het recht verleent het basisberoep van arts of beoefenaar der tandheelkunde uit te oefenen aan personen zonder de titel van arts met basisopleiding, respectievelijk beoefenaar der tandheelkunde met basisopleiding.
2)
Richtlijn 2005/36, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1137/2008, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzet dat medische vakken deel uitmaken van een gespecialiseerde opleiding in de tandheelkunde.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy