ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
7 november 2013 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing — Vrij verrichten van diensten — Terbeschikkingstelling van werknemers — Richtlijn 96/71/EG — Minimumloon — Forfaitaire bedragen en bijdrage van werkgever aan meerjarig spaarplan ten gunste van zijn werknemers”
In zaak C‑522/12,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) bij beslissing van 18 april 2012, ingekomen bij het Hof op 19 november 2012, in de procedure
Tevfik Isbir
tegen
DB Services GmbH,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, G. Arestis en J.‑C. Bonichot (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Wathelet,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
T. Isbir, vertegenwoordigd door S. Hermann, Rechtsanwalt,
—
de Duitse regering, vertegenwoordigd door K. Petersen, A. Wiedmann en T. Henze als gemachtigden,
—
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch als gemachtigde,
—
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en M. Szpunar als gemachtigden,
—
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door C. Stege en A. Falk als gemachtigden,
—
de Noorse regering, vertegenwoordigd door P. Wennerås als gemachtigde,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Bulst en J. Enegren als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het onderhavige
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, tweede streepje, sub c, van richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB 1997, L 18, blz. 1, met rectificaties in PB 2007, L 301, blz. 28, en L 310, blz. 22).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen T. Isbir, die werkzaam is in de industriële schoonmaaksector, en zijn werkgever, DB Services GmbH (hierna: „DB Services”), een onderneming van de groep Deutsche Bahn AG, over de bestanddelen die in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van het minimumloon van de belanghebbende.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 3 van richtlijn 96/71, met het opschrift „Arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden”, bepaalt in de leden 1 en 8:
„1. De lidstaten zien erop toe dat de in artikel 1, lid 1, bedoelde ondernemingen – ongeacht het recht dat van toepassing is op het dienstverband – voor de op hun grondgebied ter beschikking gestelde werknemers wat de hierna genoemde aangelegenheden betreft, de arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden garanderen die, in de lidstaat waar het werk wordt uitgevoerd, zijn vastgelegd:
—
in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
en/of
—
in collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard in de zin van lid 8, voor zover deze betrekking hebben op de in de bijlage genoemde activiteiten:
[...]
c)
minimumlonen, inclusief vergoedingen voor overwerk; dit punt is niet van toepassing op de aanvullende bedrijfspensioenregelingen;
[...]
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt het begrip ‚minimumlonen’ als bedoeld in de eerste alinea, tweede streepje, sub c, bepaald door de nationale wetgeving en/of praktijk van de lidstaat waar de werknemer ter beschikking is gesteld.
[...]
8. Onder collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken die algemeen verbindend zijn verklaard, worden verstaan de overeenkomsten of uitspraken die moeten worden nageleefd door alle ondernemingen die tot de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak behoren en onder het territoriale toepassingsgebied van die overeenkomsten of uitspraken vallen.
[...]”
Duits recht
AEntG 2007
4
Het Gesetz über zwingende Arbeitsbedingungen bei grenzüberschreitenden Dienstleistungen – Arbeitnehmer-Entsendegesetz (Duitse wet inzake dwingende arbeidsvoorwaarden bij grensoverschrijdende diensten – wet inzake de terbeschikkingstelling van werknemers) in de op 25 april 2007 gepubliceerde versie, die in werking is getreden op 1 juli 2007 (hierna: „AEntG 2007”), heeft richtlijn 96/71, alsmede de latere wijzigingen van het Unierecht, met name die welke voortvloeien uit richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376, blz. 36), in Duits recht omgezet.
5
In § 1 AEntG 2007 wordt bepaald hoe collectieve arbeidsovereenkomsten moeten worden toegepast op buitenlandse werknemers wanneer deze in Duitsland ter beschikking zijn gesteld.
Fünftes Vermögensbildungsgesetz
6
Het Fünftes Vermögensbildungsgesetz (Duitse Vijfde wet inzake de opbouw van vermogen), van 4 maart 1994, voorziet in de betaling door de werkgever van een geldelijke bijdrage ter bevordering van de opbouw van het vermogen van de werknemer.
7
De in bovengenoemde wet geregelde beleggingsvormen kunnen bijvoorbeeld bestaan in een spaarregeling waarbij wordt belegd in waardepapieren of andere vermogensbestanddelen, in uitgaven van een werknemer voor de bouw, aankoop of verbouwing of uitbreiding van een woning, alsook in uitgaven die zijn verbonden aan een levensverzekering in de vorm van een kapitaal‑ of spaarverzekering. Binnen dit kader kan de betrokken werknemer pas over deze bijdragen beschikken na afloop van een blokkeringstermijn van meerdere jaren, die voor elke beleggingsvorm anders is geregeld.
8
De bijdragen ter bevordering van de opbouw van het vermogen worden, althans bij bepaalde beleggingsvormen, gesubsidieerd door de staat.
Collectieve arbeidsovereenkomsten
– ETV DB Services Nord
9
Het Entgelttarifvertrag für die Arbeitnehmer und Auszubildenden der DB Services Nord GmbH (collectieve loonovereenkomst voor werknemers en werknemers in opleiding van DB Services Nord GmbH) van 16 december 2004 (hierna: „ETV DB Services Nord”) bevat de salarisschalen voor werknemers in de sector dienstverlening in gebouwen en in het verkeer.
10
Het ETV DB Services Nord, dat op 30 juni 2007 moest zijn ingetrokken, is van kracht gebleven tot en met 31 maart 2008.
11
Het in het ETV DB Services Nord vastgelegde uurloon voor groep A3 bedroeg 7,56 EUR.
12
Partijen bij voornoemde overeenkomst hebben bepaald dat met ingang van 1 april 2008 het uurloon voor die groep 7,90 EUR zou gaan bedragen.
13
Partijen hebben tijdens hun onderhandelingen tevens afgesproken dat de werknemers voor de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 maart 2008 twee forfaitaire betalingen zouden ontvangen (hierna: „forfaitaire betalingen van augustus 2007 en januari 2008”), te weten:
—
600 EUR als verhoging van de winstdeling, uitbetaald tezamen met het loon voor augustus 2007, en
—
150 EUR als conjunctuurbepaalde uitzonderlijke betaling, uitbetaald tezamen met het loon voor januari 2008.
– LohnTV Gebäudereinigung 2004
14
Het Lohntarifvertrag für die gewerblich Beschäftigten in der Gebäudereinigung (collectieve loonovereenkomst voor industriële werknemers in de sector gebouwenreiniging) van 4 oktober 2003 (hierna: „LohnTV Gebäudereinigung 2004”) werd algemeen verbindend verklaard met ingang van 1 april 2004.
15
§ 2 van het LohnTV Gebäudereinigung 2004 voorzag in een uurloon van 7,87 EUR.
16
Deze regeling liep af op 29 februari 2008.
– TV Mindestlohn Gebäudereinigung
17
Het Tarifvertrag zur Regelung der Mindestlöhne für gewerbliche Arbeitnehmer in der Gebäudereinigung im Gebiet der Bundesrepublik Deutschland (collectieve arbeidsovereenkomst inzake het minimumloon voor industriële werknemers in de sector gebouwenreiniging in het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland), van 9 oktober 2007, (hierna: „TV Mindestlohn Gebäudereinigung”) voorzag in een minimumuurloon van 8,15 EUR voor werknemers in de categorie behorend bij loongroep A3.
18
De toepassing van het TV Mindestlohn Gebäudereinigung werd met ingang van 1 maart 2008 verlengd.
Geding en prejudiciële vragen
19
Isbir is sinds 1 januari 2004 in Duitsland als werknemer in de industriële schoonmaaksector werkzaam voor DB Services.
20
Overeenkomstig het ETV DB Services Nord ontving hij tot en met 31 maart 2008 een uurloon van 7,56 EUR en vanaf 1 april 2008 een uurloon van 7,90 EUR.
21
Isbir verzocht om toepassing, met ingang van 1 juli 2007, van de gunstigere bepalingen tot vaststelling van de uurlonen in de industriële schoonmaaksector, en wel, tot en met 29 februari 2008, van de bepalingen van het LohnTV Gebäudereinigung 2004, vervolgens, vanaf 1 maart 2008, van die van het TV Mindestlohn Gebäudereinigung, die verbindend zijn verklaard voor alle werknemers en werkgevers in deze sector, met inbegrip van die van DB Services.
22
Isbir stelt dat hij een uurloon van 7,87 EUR en vervolgens van 8,15 EUR had moeten ontvangen, in plaats van een uurloon van 7,56 EUR, respectievelijk 7,90 EUR.
23
Hoewel DB Services niet heeft betwist dat zij voortaan onderworpen was aan het LohnTV Gebäudereinigung 2004 en vervolgens aan het TV Mindestlohn Gebäudereinigung, is zij van mening dat Isbir in werkelijkheid reeds veel meer had ontvangen dan het minimumuurloon waarom hij vroeg, aangezien hij voor de betrokken periode, krachtens collectieve overeenkomsten waaraan de groep Deutsche Bahn AG, gebonden was, bedragen had ontvangen die volgens haar moesten worden aangemerkt als een bestanddeel van dat minimumloon, te weten:
—
de forfaitaire betalingen voor augustus 2007 en januari 2008,
—
de bijdrage aan de opbouw van het vermogen.
24
Voor het Bundesarbeitsgericht is in geding de vraag of deze loonbestanddelen al dan niet deel uitmaken van het minimumloon.
25
Het Bundesarbeitsgericht erkent dat het geding betrekking heeft op een zuiver interne situatie. Dit neemt evenwel niet weg dat volgens de rechtspraak van het Hof (arresten van 17 juli 1997, Leur-Bloem, C-28/95, Jurispr. blz. I-4161, en 20 mei 2010, Modehuis A. Zwijnenburg, C-352/08, Jurispr. blz. I-4303) ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst, de overgenomen bepalingen of begrippen van het Unierecht op eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, ongeacht de vraag of zij van toepassing zijn op een zuiver interne dan wel op een grensoverschrijdende situatie. In casu blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van het AEntG 2007 dat het begrip „minimumloon”, waarnaar die wet verwijst, volgens de nationale wetgever identiek moet worden uitgelegd, ongeacht of het van toepassing is op een interne situatie dan wel op een situatie die valt onder het Unierecht.
26
De verwijzende rechter vraagt zich af in hoeverre de twee in punt 23 van het onderhavige arrest genoemde bedragen vallen binnen het kader van de uitlegging die het Hof, volgens hem, reeds heeft gegeven van het begrip „minimumloon” in zijn arrest van 14 april 2005, Commissie/Duitsland (C-341/02, Jurispr. blz. I-2733) en die geen loonbestanddelen omvatte die een wijziging brengen in de verhouding tussen de prestatie van de werknemer en de tegenprestatie die hij daarvoor ontvangt.
27
In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet het begrip ‚minimumlonen’ in artikel 3, lid 1, tweede streepje, sub c, van richtlijn [96/71] aldus worden uitgelegd, dat daarmee de tegenprestatie van een werkgever voor die arbeid van de werknemer wordt bedoeld die volgens de wettelijke en bestuursrechtelijke bepaling of algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in de eerste volzin van artikel 3, lid 1, van de richtlijn, alleen en volledig door het in de collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde minimumloon (‚gewone prestatie’) moet worden vergoed, zodat tot het minimumloon uitsluitend werkgeversprestaties kunnen worden gerekend die een vergoeding vormen voor deze gewone prestatie en waarover de werknemer ten laatste op de vastgestelde betaaldatum voor elke verschuldigde betalingsperiode moet kunnen beschikken?
2)
Moet het begrip ‚minimumlonen’ in artikel 3, lid 1, tweede streepje, sub c, van richtlijn [96/71] aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan nationale bepalingen of gebruiken volgens welke werkgeversprestaties niet als bestanddeel van het minimumloon en daardoor niet als het honoreren van het recht op minimumloon moeten worden beschouwd, indien de werkgever deze prestaties verricht op basis van uit een collectieve arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting,
—
die door de partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst en de nationale wetgever bedoeld zijn ter bevordering van de opbouw van het vermogen van de werknemers,
ter bereiking van welk doel,
—
de maandelijkse prestaties van de werkgever voor de werknemer op lange termijn worden belegd, bijvoorbeeld als spaartegoed, als bijdrage voor de bouw of het verwerven van een woning of als bijdrage aan een levensverzekering in de vorm van een kapitaalverzekering, en
—
deze prestaties worden bevorderd via overheidssubsidies en belastingvoordelen, en
—
de werknemer pas na een meerjarige periode daarover kan beschikken, en
—
de hoogte van de bijdragen als een vast maandelijks bedrag uitsluitend van de overeengekomen arbeidsduur, maar niet van het loon afhangt (‚bijdragen ter bevordering van de opbouw van vermogen’)?”
Bevoegdheid van het Hof
28
Er zij aan herinnerd dat het Hof zich reeds bevoegd heeft verklaard om op verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffende bepalingen van Unierecht uitspraak te doen in situaties waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het Unierecht vielen, doch deze bepalingen van toepassing waren gemaakt door middel van het nationale recht (zie in die zin reeds aangehaald arrest Leur-Bloem, punten 26 en 27). Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeert aan de in het Unierecht gekozen oplossingen, teneinde inzonderheid discriminaties ten nadele van nationale onderdanen of eventuele distorsies van de mededinging te voorkomen, de Europese Unie er stellig belang bij heeft dat ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst de overgenomen bepalingen of begrippen van het Unierecht op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (zie in die zin reeds aangehaald arrest Modehuis A. Zwijnenburg, punt 33).
29
De verwijzende rechter wijst er in dit verband op dat, zoals blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden van het AEntG 2007 – waarbij richtlijn 96/71 is omgezet in Duits recht – de nationale wetgever wilde dat „nationale situaties en situaties die unierechtelijk van belang zijn, op eenvormige wijze zouden worden uitgelegd, met name bij grensoverschrijdende terbeschikkingstelling van werknemers”.
30
In een dergelijk geval staat het in het kader van de door artikel 267 VWEU beoogde bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechter en het Hof evenwel uitsluitend aan de nationale rechter, de precieze strekking van die verwijzing naar het Unierecht te beoordelen, en is het Hof enkel bevoegd om de bepalingen van Unierecht te onderzoeken. Welke grenzen de nationale wetgever eventueel heeft gesteld aan de toepassing van het Unierecht op zuiver interne situaties, is immers een vraag van nationaal recht, die derhalve uitsluitend door de rechterlijke instanties van de lidstaat kan worden beoordeeld (zie reeds aangehaald arrest Leur-Bloem, punt 33).
31
Uit het voorgaande volgt, dat het Hof bevoegd is om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
32
Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 1, tweede streepje, sub c, van richtlijn 96/71 aldus moet worden uitgelegd dat loonbestanddelen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, en die bestaan in (i) twee forfaitaire betalingen, waartoe werd besloten in onderhandelingen over een collectieve arbeidsovereenkomst, en (ii) een bijdrage aan de opbouw van vermogen, een bestanddeel vormen van het minimumloon.
33
In dit verband zij eraan herinnerd dat de wetgever van de Unie richtlijn 96/71 heeft vastgesteld teneinde, zoals uit de zesde overweging van de considerans ervan blijkt, in het belang van werkgevers en hun personeel de arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden vast te stellen die op het dienstverband van toepassing zijn wanneer een in een bepaalde lidstaat gevestigde onderneming werknemers tijdelijk, in het kader van een dienstverlening, ter beschikking stelt op het grondgebied van een andere lidstaat. Volgens de dertiende overweging van de considerans van diezelfde richtlijn moeten de wetgevingen van de lidstaten worden gecoördineerd, teneinde een kern van dwingende bepalingen voor minimale bescherming vast te leggen, die in de ontvangende staat in acht moeten worden genomen door werkgevers die daar werknemers ter beschikking stellen. Voornoemde richtlijn heeft echter niet de feitelijke inhoud van deze dwingende bepalingen voor minimale bescherming geharmoniseerd. Deze inhoud kan derhalve vrij door de lidstaten worden gedefinieerd, met inachtneming van het EG-Verdrag en de algemene beginselen van Unierecht (arrest van 18 december 2007, Laval un Partneri, C-341/05, Jurispr. blz. I-11767, punten 58‑60).
34
Teneinde naleving van deze kern van dwingende bepalingen voor minimale bescherming te verzekeren, bepaalt artikel 3, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 96/71 dat de lidstaten erop toezien dat ondernemingen in het kader van een grensoverschrijdende dienstverrichting, ongeacht het recht dat van toepassing is op het dienstverband, voor de op hun grondgebied ter beschikking gestelde werknemers de arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden garanderen met betrekking tot de in deze bepaling genoemde aangelegenheden, waartoe onder meer behoren de minimumlonen, inclusief vergoedingen voor overwerk (reeds aangehaald arrest Laval un Partneri, punt 73).
35
Aangezien richtlijn 96/71 geen harmonisatie beoogt van de stelsels tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden in de lidstaten, kunnen deze op nationaal niveau vrijelijk een stelsel kiezen dat niet uitdrukkelijk in deze richtlijn wordt genoemd, mits daardoor het verrichten van diensten tussen de lidstaten niet wordt belemmerd (reeds aangehaald arrest Laval un Partneri, punt 68).
36
Voorts zij eraan herinnerd, dat artikel 3, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 96/71 uitdrukkelijk bepaalt dat voor de toepassing van die richtlijn het in de eerste alinea van datzelfde lid 1 bedoelde minimumloon wordt bepaald door de nationale wetgeving en/of praktijk van de lidstaat waar de werknemer ter beschikking is gesteld.
37
In deze context moet worden vastgesteld dat richtlijn 96/71 zelf geen enkel materieel aanknopingspunt bevat voor een definitie van het minimumloon. Derhalve valt de zorg voor de opstelling – met het oog op de toepassing van die richtlijn – van een definitie van de constitutieve bestanddelen van het minimumloon, onder het recht van de betrokken lidstaat, doch alleen voor zover deze definitie, zoals zij voortvloeit uit de toepasselijke nationale wetgeving of collectieve arbeidsovereenkomsten dan wel uit de uitlegging die daaraan wordt gegeven door de nationale rechterlijke instanties, niet tot gevolg heeft dat het verrichten van diensten tussen de lidstaten wordt belemmerd.
38
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat toeslagen en bijslagen die volgens de wetgeving of de nationale praktijk van de lidstaat waar de werknemer ter beschikking is gesteld geen bestanddeel van het minimumloon zijn en die een wijziging brengen in de verhouding tussen de prestatie van de werknemer en de tegenprestatie die hij daarvoor ontvangt, volgens richtlijn 96/71 niet als bestanddelen van het minimumloon worden beschouwd (reeds aangehaald arrest Commissie/Duitsland, punt 39).
39
Het Hof was van oordeel dat wanneer de werkgever in bijzondere omstandigheden verlangt dat de werknemer meer werk verricht of meer uren maakt, het immers normaal is dat de werknemer voor deze extra prestatie een vergoeding ontvangt, zonder dat deze in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het minimumloon (reeds aangehaald arrest Commissie/Duitsland, punt 40).
40
Derhalve kunnen enkel loonbestanddelen die geen wijziging brengen in de verhouding tussen de prestatie van de werknemer en de tegenprestatie die hij daarvoor ontvangt, in aanmerking worden genomen voor de berekening van het minimumloon in de zin van richtlijn 96/71.
41
In omstandigheden als aan de orde in het hoofdgeding, dient derhalve in de eerste plaats te worden vastgesteld dat de forfaitaire betalingen voor augustus 2007 en januari 2008, zoals de verwijzende rechter beklemtoont, de tegenprestatie lijken te vormen voor de normale activiteit van de betrokken werknemers, zoals voorzien in een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, te weten het ETV DB Services Nord.
42
Deze betalingen hebben weliswaar plaatsgevonden buiten de periode waarover zij worden geacht de prestatie van de betrokken werknemers te vergoeden, doch die omstandigheid heeft op zichzelf geen invloed op de kwalificatie van deze vergoedingen, voor zover partijen bij het ETV DB Services Nord een verhoging wilden invoeren van de lonen als tegenprestatie voor het werk, mede gelet op de nationale praktijk om bij onderhandelingen over een dergelijke overeenkomst en bij het aflopen van de vorige overeenkomst door middel van forfaitaire betalingen te anticiperen op de nieuwe loonschalen. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of een dergelijke kwalificatie daadwerkelijk beantwoordt aan de bedoeling van partijen bij die collectieve arbeidsovereenkomst.
43
Wat, in de tweede plaats, de bijdrage aan de opbouw van vermogen betreft, deze lijkt – gelet op de doelstelling en kenmerken ervan zoals uiteengezet door de verwijzende rechter – een wijziging mee te brengen in de verhouding tussen de prestatie van de werknemer en de tegenprestatie die hij daarvoor ontvangt.
44
Een dergelijke bijdrage moet, ook indien zij niet kan worden losgekoppeld van de arbeidsprestatie, worden onderscheiden van het loon in eigenlijke zin. Aangezien met deze bijdrage wordt beoogd, door het opbouwen van vermogen waarvan de werknemer op min of meer lange termijn profiteert, een doelstelling van sociaal beleid te verwezenlijken die met name wordt ondersteund door een financiële bijdrage door de overheid, kan zij niet worden geacht voor de toepassing van richtlijn 96/71 te passen in het kader van de verhouding tussen de arbeidsprestatie en de financiële tegensprestatie die daarvoor wordt verlangd van de werkgever. Het staat aan de verwijzende rechter om uit te maken of dit in het bij hem aanhangige geding het geval is.
45
Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, tweede streepje, sub c, van richtlijn 96/71 aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat loonbestanddelen die geen wijziging brengen in de verhouding tussen de prestatie van de werknemer enerzijds, en de tegenprestatie die hij daarvoor ontvangt anderzijds, een bestanddeel vormen van het minimumloon. Het staat aan de verwijzende rechter om uit te maken of dit bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde loonbestanddelen het geval is.
Kosten
46
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, tweede streepje, sub c, van richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat loonbestanddelen die geen wijziging brengen in de verhouding tussen de prestatie van de werknemer enerzijds, en de tegenprestatie die hij daarvoor ontvangt anderzijds, een bestanddeel vormen van het minimumloon. Het staat aan de verwijzende rechter om uit te maken of dit bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde loonbestanddelen het geval is.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy