31.3.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 98/17
Hogere voorziening ingesteld op 27 januari 2012 door Václav Hrbek tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 15 november 2011 in zaak T-434/10, Václav Hrbek/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-42/12 P)
2012/C 98/29
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Václav Hrbek (vertegenwoordiger: M. Sabatier, advocate)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Outdoor Group Ltd (The)
Conclusies
—
de hogere voorziening toewijzen en dus het arrest van het Gerecht van eerste aanleg in zaak T-434/10 in zijn geheel vernietigen overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering;
—
de zaak definitief afdoen — indien de zaak in staat van wijzen is — door de beslissing van de oppositieafdeling van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 29 september 2009 betreffende oppositie nr. B 1 276 692, en de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 8 juli 2010 in zaak R 1441/2009-2 te vernietigen en verweerders te verwijzen in de kosten van de procedures voor het Gerecht en voor het Hof van Justitie en van de oppositieprocedure bij het BHIM, overeenkomstig artikel 122 van het Reglement voor de Procesvoering, en
—
subsidiair, indien de zaak niet in staat van wijzen is, de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg terugverwijzen met het oog op een uitspraak overeenkomstig de door het Hof van Justitie bepaalde bindende criteria.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van zijn hogere voorziening voert rekwirant aan dat het bestreden arrest artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (1) (hierna: „verordening inzake het gemeenschapsmerk”), zoals gewijzigd (vervangen bij verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (2), die op 13 april 2009 in werking is getreden), onjuist heeft uitgelegd en toegepast.
Rekwirant stelt dat het Gerecht de betrokken merken niet heeft onderzocht op basis van de criteria van „globale beoordeling” en „totaalindruk”.
Het Gerecht heeft voormeld beginsel niet toegepast, aangezien het zijn beoordeling uitsluitend heeft gebaseerd op het feit dat de betrokken merken het element „ALPINE” gemeenschappelijk hebben. Het heeft enkel gesteld dat de twee vergeleken merken overeenstemmen, omdat zij het woordelement „ALPINE” gemeen hebben, en heeft de tekens niet in hun geheel onderzocht en niet uiteengezet waarom de andere woord- en beeldelementen in hun geheel beschouwd niet volstaan om verwarringsgevaar uit te sluiten.
Rekwirant stelt dat het Gerecht in het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met enkele bijzonder belangrijke en relevante factoren en sommige zeer belangrijke criteria niet juist heeft toegepast, in het bijzonder het gebrek aan onderscheidend vermogen en het beschrijvende karakter van het woordelement „ALPINE”.
Het Gerecht heeft geen uitspraak gedaan over de betekenis van het woord „alpine” in alle talen van de Europese Unie. Bovendien heeft het Gerecht geen rechtsgevolgen verbonden aan zijn eigen vaststellingen over de duidelijke betekenis van het woord „alpine” en heeft het niet duidelijk uitspraak gedaan over het gebrek aan onderscheidend vermogen en het beschrijvend karakter van het woord „alpine”, aangezien het heeft geoordeeld dat het vermeende geringe onderscheidend vermogen of het vermeende beschrijvend karakter van het element „alpine” niet kan uitsluiten dat er verwarringsgevaar bestaat. Het Gerecht heeft geoordeeld dat „ALPINE” het dominerende bestanddeel van beide tekens zou zijn, zonder rekening te houden met het feit dat het oudere merk ALPINE geen of althans een zeer gering onderscheidend vermogen heeft. De redenering in het bestreden arrest is tegenstrijdig, waardoor het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat de betrokken merken begripsmatig overeenstemden, zonder rekening te houden met het feit dat het oudere merk ALPINE geen of althans gering onderscheidend vermogen bezit. Een begripsmatige vergelijking van het woordelement „ALPINE” is irrelevant, aangezien het geen onderscheidend vermogen bezit.
Rekwirant stelt dat het Gerecht in het bestreden arrest niet de juiste rechtsgevolgen heeft verbonden aan zijn eigen vaststellingen betreffende de mate van oplettendheid van het relevante publiek.
Zonder zichzelf tegen te spreken kon het Gerecht niet met betrekking tot skikleding, skischoenen, hoofddeksels en rugzakken stellen dat een deel van het relevante publiek bestaat uit goed geïnformeerde en bijzonder oplettende consumenten en bevestigen dat de merken overeenstemden en de waren soortgelijk waren.
Rekwirant stelt dat in het bestreden arrest de feiten onjuist zijn opgevat en de motiveringsplicht is geschonden met betrekking tot de vergelijking van de waren.
Het Gerecht heeft geoordeeld dat rekwirant geen specifieke argumenten had aangevoerd die de vaststellingen van de kamer van beroep konden bestrijden. Met betrekking tot de beoordeling van de mate van soortgelijkheid van de betrokken waren en diensten kan geen rekening worden gehouden met elementen die niet zijn bewezen of niet bekend zijn. Het staat aan de opposant aan te tonen dat de waren en diensten soortgelijk zijn, en niet aan de houder van het aangevraagde gemeenschapsmerk. Het Gerecht moet een rechtsgrondslag geven voor zijn beslissing en moet zijn beslissing motiveren. Het Gerecht heeft niet vastgesteld dat de relevante waren gelijk, soortgelijk of complementair zijn op de markt, maar heeft zich enkel op beweringen gebaseerd, zonder redenen voor of voorbeelden van zijn vermoeden te geven.
(1) PB L 11, blz. 1.
(2) PB L 78, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy