28.4.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 126/8
Hogere voorziening ingesteld op 23 februari 2012 door Louis Vuitton Malletier tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 14 december 2011 in zaak T-237/10, Louis Vuitton Malletier/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Friis Group International ApS
(Zaak C-97/12 P)
2012/C 126/16
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Louis Vuitton Malletier (vertegenwoordigers: P. Roncaglia, G. Lazzeretti, M. Boletto, E. Gavuzzi, avvocati)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Friis Group International ApS
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
—
het bestreden arrest te vernietigen, voor zover daarbij het door rekwirante ingestelde beroep tegen de bestreden beslissing werd verworpen, en bijgevolg de beslissing van de eerste kamer van beroep te vernietigen voor zover daarbij het gemeenschaps(beeld)merk nr. 3693116 nietig werd verklaard voor „optische toestellen en instrumenten, waaronder brillen, zonnebrillen en brillenkokers” van klasse 9, „juwelenkistjes van edele metalen, hun legeringen of hiermee bedekt” van klasse 14 en „reistassen, reisnecessaires (lederwaren), reiskoffers en koffers, kledingtassen voor op reis, beautycases, rugzakken, schoudertassen, handtassen, attachékoffers, aktetassen en boekentassen van leder, zakjes, portefeuilles, beurzen, sleuteletuis, kaarthouders” van klasse 18;
—
het BHIM te verwijzen in de kosten die Louis Vuitton Malletier S.A. heeft gemaakt gedurende deze procedures;
—
Friis Group International ApS te verwijzen in de kosten die Louis Vuitton Malletier S.A. heeft gemaakt gedurende deze procedures.
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige hogere voorziening strekt ertoe aan te tonen dat het Gerecht artikel 7, lid 1, sub b, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk (1) heeft geschonden door te oordelen dat de in deze bepaling vastgestelde absolute weigeringsgrond van toepassing is op gemeenschaps(beeld)merk nr. 3693116 (de zogenaamde „S-sluiting”) voor alle waren waarop het betrekking heeft in de klassen 9, 14 en 18, behalve voor „juwelen, waaronder ringen, sleutelhangers, gespen en oorbellen, manchetknopen, armbanden, snuisterijen, broches, halskettingen, dasspelden, sieraden, medaillons; uurwerken en tijdmeetinstrumenten en -apparaten, waaronder horloges, horlogedoosjes, wekkers; notenkrakers van edele metalen, hun legeringen of hiermee bedekt, kandelaars van edele metalen, hun legeringen of hiermee bedekt” van klasse 14 en „leder en kunstleder” en „paraplu’s” van klasse 18.
In de eerste plaats voert rekwirante aan dat het Gerecht (althans voor de meerderheid van de waren waarop het bestreden merk betrekking heeft) ten onrechte de rechtspraak inzake driedimensionale vormmerken op de onderhavige zaak heeft toegepast en bijgevolg ten onrechte heeft vereist dat de „S-sluiting” op significante wijze afwijkt van de norm of van wat in de betrokken sector gangbaar is opdat rechtens genoegzaam sprake zou zijn van onderscheidend vermogen, hetgeen hoger ligt dan de algemene drempel (dit is het „minimaal onderscheidend vermogen”).
De rechtspraak toont duidelijk aan dat met het oog op toepassing van de oorspronkelijk enkel voor driedimensionale vormmerken bedoelde drempel inzake het „significant afwijken” het betrokken teken ondubbelzinnig betrekking moet hebben op de betrokken waren, dit wil zeggen dat een dergelijk teken moet bestaan uit, en door de consument moet worden opgevat als, een getrouwe weergave van de gehele waar of van één van de hoofdbestanddelen ervan, dat onmiddellijk als dusdanig herkenbaar is.
Het Gerecht heeft daarentegen geoordeeld dat elk teken dat de vorm van een deel van een waar weergeeft aan de voor driedimensionale vormmerken vastgestelde beginselen is onderworpen, tenzij het absoluut onmogelijk is een dergelijk teken begripsmatig op te vatten als een onderdeel van de waar dat het aanduidt. Bijgevolg heeft het Gerecht zich ertoe beperkt vast te stellen of het bestreden merk in theorie kon worden gebruikt als sluitmechanisme voor waren van de klassen 9, 14 en 18, in plaats van de vraag te stellen of dit merk door het publiek kon worden opgevat als een wezenlijk onderdeel van de waren die het aanduidt.
In de tweede plaats voert rekwirante aan dat het Gerecht de geldigheid van het bestreden merk met betrekking tot die waren waarvan het had vastgesteld dat zij een sluitmechanisme konden bevatten, onjuist heeft beoordeeld door de regels inzake bewijslast te schenden en de bewijzen onjuist op te vatten.
Het Gerecht heeft inzonderheid het aan gemeenschapsmerken toegekende vermoeden van geldigheid onvoldoende geëerbiedigd door te vereisen dat rekwirante „concrete en gefundeerde gegevens verstrekte om aan te tonen dat het aangevraagde merk intrinsiek onderscheidend vermogen bezat” en door aldus de bewijslast inzake de ongeldigheid van het bestreden merk van Friis weg te nemen.
Om alle bovengenoemde redenen verzoekt rekwirante het Hof het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij gedeeltelijk werd bevestigd de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 24 februari 2010 in zaak R 1590/2008-1, waarbij het bestreden merk nietig werd verklaard voor de waren van de klassen 9, 14 en 18.
(1) PB L 11, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy