26.5.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 151/17
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunalul Vâlcea (Roemenië) op 29 februari 2012 — SC Volksbank România SA/Ionuț-Florin Zglimbea, Liana-Ramona Zglimbea
(Zaak C-108/12)
2012/C 151/29
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunalul Vâlcea
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SC Volksbank România SA
Verwerende partijen: Ionuț-Florin Zglimbea, Liana-Ramona Zglimbea
Prejudiciële vraag
In hoeverre kan artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 (1) van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling gehanteerde begrippen „eigenlijke voorwerp van de overeenkomst” en „prijs” de bestanddelen van de tegenprestatie omvatten waarop de kredietinstelling op grond van een consumentenkredietovereenkomst aanspraak kan maken, te weten het jaarlijkse kostenpercentage van een consumentenkredietovereenkomst (zoals dit is gedefinieerd bij richtlijn 2008/48/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad), dat wil zeggen met name een vaste of variabele rentevoet, bankprovisies en andere in de overeenkomst vastgelegde en gedefinieerde kosten?
(1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95, blz. 29).
(2) Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133, blz. 66).
Full & Egal Universal Law Academy