16.6.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 174/17
Beroep ingesteld op 29 maart 2012 — Europese Commissie/Republiek Bulgarije
(Zaak C-152/12)
2012/C 174/26
Procestaal: Bulgaars
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Vasileva en H. Støvlbæk)
Verwerende partij: Republiek Bulgarije
Conclusies
De Europese Commissie verzoekt het Hof:
—
vast te stellen dat de Republiek Bulgarije de krachtens de artikelen 7, lid 3, en 8, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG (1) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
—
de Republiek Bulgarije in de kosten te verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar vordering van 16 maart 2012 verzoekt de Europese Commissie (hierna: „Commissie”) het Hof vast te stellen dat de Republiek Bulgarije door de heffingsregeling voor de infrastructuurbeheerder in Bulgarije niet overeenkomstig artikel 7, lid 3, van richtlijn 2001/14/EG te hebben gebaseerd op de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien, de krachtens de artikelen 7, lid 3, en 8, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Voorts heeft Bulgarije niet verklaard dat zij de heffingen krachtens artikel 8, lid 1, van deze richtlijn heeft gebaseerd op een regeling die een volledige dekking van de kosten beoogt. Derhalve had Bulgarije in ieder geval de in dit artikel omschreven voorwaarden moeten naleven.
De Commissie voert in wezen de volgende argumenten aan:
1)
Onder het begrip „kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien” moet worden begrepen de marginale kosten die rechtstreeks uit het daadwerkelijk gebruik van de spoorweginfrastructuur voortvloeien, met name „directe kosten” die uit de exploitatie van een specifieke treindienst voortvloeien. Bijgevolg zijn dit variabele kosten die afhangen van de vraag of de spoorweginfrastructuur al dan niet wordt gebruikt. Volgens deze redenering kunnen de kosten die los van het daadwerkelijk gebruik van de spoorweginfrastructuur ontstaan niet als directe kosten worden aangemerkt, ook al zouden zij verband houden met activiteiten of goederen die noodzakelijk zijn voor het treinverkeer op bepaalde trajecten. Dit zijn vaste kosten, aangezien ze ook worden gemaakt wanneer de spoorweginfrastructuur niet wordt gebruikt.
2)
Deze uitlegging vindt steun in de formulering van artikel 7, lid 3, dat de kosten betreft „[…] die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien”. Vaste kosten, die verband houden met de gehele spoorweginfrastructuur, vloeien niet „rechtstreeks” voort uit de exploitatie van een specifieke treindienst. De formulering „rechtstreeks voortvloeien uit” betreft bijgevolg extra kosten die voortvloeien uit de exploitatie van een specifieke treindienst. Deze uitlegging wordt eveneens bevestigd door een contextuele lezing van artikel 7, lid 3. Artikel 7 regelt de heffingsbeginselen, terwijl artikel 8 de mogelijke uitzonderingen op die beginselen uiteenzet. In artikel 8, lid 1, is sprake van „[het verkrijgen van] volledige dekking van de door de infrastructuurbeheerder gemaakte kosten”, wat betekent dat de in artikel 7, lid 3, bedoelde kosten niet de uiteindelijke kosten van de infrastructuurbeheerder kunnen zijn, maar kosten zijn die rechtstreeks uit de exploitatie van een specifieke treindienst voortvloeien en dus lager zijn dan de uiteindelijke kosten. Deze uitlegging wordt ondersteund door punt 7 van de considerans van richtlijn 2001/14/EG, dat het optimale gebruik van de spoorweginfrastructuur door zoveel mogelijk spoorvervoerders aanmoedigt, hetgeen een laag heffingsniveau vereist.
3)
De Commissie is van mening dat de infrastructuurbeheerder de infrastructuur op eigen kosten ter beschikking moet stellen van de spoorvervoerders en dat zij de rechten moeten betalen die met de directe kosten overeenstemmen. Dit volgt uit de noodzaak om het gebruik van de spoorweginfrastructuur aantrekkelijker te maken voor een groot aantal spoorondernemingen en het optimale gebruik ervan door elk van deze ondernemingen te bevorderen. Artikel 8, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG kan enkel worden toegepast wanneer aan de erin omschreven voorwaarden is voldaan: de infrastructuurbeheerder moet eerst nagaan of alle marktsegmenten waaraan hij extra heffingen wil opleggen zulke bijkomende heffingen kunnen dragen. Deze uitlegging volgt uit de bewoordingen van artikel 8, lid 1, eerste alinea — „[…] zo de markt dit aankan […]” — alsook uit de formulering van artikel 8, lid 1, tweede alinea: „Het niveau van de heffingen mag echter niet uitsluiten dat van de infrastructuren gebruik wordt gemaakt door marktsegmenten die op zijn minst de rechtstreeks uit de exploitatie van de spoorwegdiensten voortvloeiende kosten kunnen dekken […]”.
4)
Uit de volledige analyse van de kosten en ontvangsten van de Bulgaarse infrastructuurbeheerder van 2005-2008 blijkt dat 60 tot 70 % van de geraamde rechtstreekse exploitatiekosten in Bulgarije verband hielden met vaste kosten, met name arbeidslonen en sociale premies. Gelet op hetgeen hierboven is vastgesteld, komt de Commissie dan ook tot de slotsom dat deze kosten niet als directe kosten in de zin van artikel 7, lid 3, kunnen worden aangemerkt, aangezien zij niet variëren naargelang van het gebruik van de treindienst. Bijgevolg zijn de ontvangsten uit de infrastructuurrechten veel hoger dan alle rechtstreekse exploitatiekosten samen. Hieruit heeft de Commissie afgeleid dat de heffingen in Bulgarije niet uitsluitend zijn gebaseerd op de kosten die rechtstreeks uit de exploitatie van de treindienst voortvloeien.
5)
Op basis van de verstrekte informatie stelt de Commissie vast dat er geen duidelijke samenhang valt te bespeuren tussen de methode die in Bulgarije voor de heffing van rechten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur wordt toegepast, en het begrip rechtstreekse kosten in de zin van artikel 7, lid 3, van richtlijn 2001/14/EG.
(1) Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PB L 75, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy