30.6.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 194/17
Hogere voorziening ingesteld op 14 mei 2012 door de Republiek Oostenrijk tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 28 februari 2012 in de gevoegde zaken T-268/08 en T-281/08, Land Burgenland en Republiek Oostenrijk/Europese Commissie
(Zaak C-223/12 P)
2012/C 194/26
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: C. Pesendorfer, gemachtigde)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Land Burgenland
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 28 februari 2012 in de gevoegde zaken T-268/08 en T-281/08 vernietigen;
—
de zaak zelf afdoen en beschikking 2008/719/EG van de Europese Commissie van 30 april 2008 betreffende staatssteun C 56/06 (ex NN 77/06) van Oostenrijk voor de privatisering van Bank Burgenland (PB L 239, blz. 32) nietig verklaren en de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure voor het Gerecht en het Hof;
—
subsidiair, inzake het in punt 2 gestelde, de zaak terugwijzen naar het Gerecht voor beslissing in de zin van de juridische beoordeling in het arrest van het hof en de beslissing omtrent de kosten aanhouden.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante stelt hogere voorziening in tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 28 februari 2012 in de gevoegde zaken T-268/08 en T-281/08, waarbij het beroep van rekwirante tegen beschikking 2008/719/EG van de Commissie van 30 april 2008 betreffende de staatssteun van Oostenrijk voor de privatisering van Bank Burgenland is verworpen.
Rekwirante voert twee middelen in hogere voorziening aan:
1) Schending van artikel 107, lid 1, VWEU door de vaststelling dat de Commissie bij de beoordeling van de offertes geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door geen rekening te houden met de voor het land Burgenland uit de garantieregeling (Ausfallhaftung) volgende risico’s
Het Gerecht baseerde zich in dit opzicht ten onrechte op rechtspraak die op de onderhavige zaak niet van toepassing is en die, zo zij in beginsel al toepasselijk was, in strijd is met de overwegingen van het Gerecht.
Het Gerecht houdt bovendien geen rekening met rechtspraak die in strijd is met zijn overwegingen.
Het Gerecht was ten slotte ten onrechte van oordeel dat met de uit de garantieregeling volgende risico’s geen rekening kon worden gehouden, hoewel de garantieregeling een bestaande en dus rechtmatige steun vormt.
2) Schending van artikel 107, lid 1, VWEU door de vaststelling dat de Commissie geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door vast te stellen dat noch de uitslag noch de duur van de procedure voor de autoriteit van toezicht op de financiële markten (FMA) de verkoop van Bank Burgenland aan Grazer Wechselseitige Versicherung rechtvaardigde
Volgens het Gerecht stelde de Commissie zonder onjuiste beoordeling vast dat er geen aanwijzingen waren dat de FMA de verwerving door het consortium zou verbieden, maar daarbij ging het Gerecht er ten onrechte van uit dat de door rekwirante aangevoerde aanwijzingen voor de vergunningsprocedure voor de FMA niet relevant waren en door deze niet in acht zijn genomen.
Het Gerecht hield bovendien bij zijn vaststelling dat er geen aanwijzingen waren dat duur van de procedure voor de FMA de kansen op privatisering van Bank Burgenland in gevaar brachten, geen rekening met het door rekwirante voorgelegde concrete bewijs.
Het Gerecht hanteerde ten slotte een onjuiste toetsing- en controlemaatstaf.
Full & Egal Universal Law Academy