4.8.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 235/7
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad (Bulgarije) op 21 mei 2012 — Meliha Veli Mustafa/Direktor na fond „Garantirani vzemania na rabotnitsite i sluzhitelnite” kam Natsionalnia osiguritelen institut
(Zaak C-247/12)
2012/C 235/14
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Meliha Veli Mustafa
Verwerende partij: Direktor na fond „Garantirani vzemania na rabotnitsite i sluzhitelnite” kam Natsionalnia osiguritelen institut (directeur van het onder het nationale instituut voor sociale verzekeringen vallende waarborgfonds voor werknemers)
Prejudiciële vragen
1)
Dient artikel 2, lid 1, van richtlijn 80/987/EEG (1) van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG (2) van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 80/987/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, tegen de achtergrond van punt 5 van de considerans van richtlijn 2002/74 aldus te worden uitgelegd dat het de lidstaten verplicht de werknemers in elke fase van de insolventieprocedure tot en met de insolventieverklaring en niet enkel bij de inleiding van deze procedure waarborgen te bieden?
2)
Verzet artikel 2, lid 1, van richtlijn 80/987/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG, zich tegen een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat het waarborgfonds uit arbeidsverhoudingen voortvloeiende onvervulde salarisaanspraken van werknemers alleen kan honoreren wanneer zij uiterlijk op de datum van inschrijving van de beslissing tot inleiding van de insolventieprocedure zijn ontstaan, wanneer bij deze beslissing geen einde is gemaakt aan de activiteiten van de onderneming van de werkgever en deze daarbij niet insolvent is verklaard?
3)
Indien voorgaande vragen bevestigend worden beantwoord: heeft artikel 2, lid 1, van richtlijn 80/987/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/74/EG, rechtstreekse werking en kan het rechtstreeks door de nationale rechter worden toegepast?
4)
Indien voorgaande vragen bevestigend worden beantwoord: mag, bij gebreke van een concrete nationale regeling van de termijn waarbinnen het waarborgfonds kan worden verzocht om honorering van aanspraken van werknemers die uiterlijk op de datum van inschrijving van de beslissing tot insolventverklaring van de werkgever (waarbij zijn activiteiten zijn beëindigd) zijn ontstaan, de termijn van 30 dagen die door het nationale recht in andere gevallen voor de uitoefening van dat recht is vastgesteld, overeenkomstig het doeltreffendheidsbeginsel worden gebruikt, rekening houdend met het feit dat de termijn begint te lopen vanaf de dag waarop de beslissing tot insolventverklaring in het handelsregister is ingeschreven?
(1) Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23).
(2) Richtlijn 2002/74/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot wijziging van richtlijn 80/987/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 270, blz. 10).
Full & Egal Universal Law Academy