28.7.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 227/15
Beroep ingesteld op 8 juni 2012 — Europese Commissie/Hongarije
(Zaak C-288/12)
2012/C 227/22
Procestaal: Hongaars
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Martenczuk en B. D. Simon, gemachtigden)
Verwerende partij: Hongarije
Conclusies
—
vaststellen dat Hongarije, door voortijdig een einde te maken aan het mandaat van de toezichthouder voor gegevensbescherming, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (1);
—
Hongarije verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De richtlijn bepaalt dat een of meer autoriteiten van de lidstaten, die de hun opgedragen taken in volledige onafhankelijkheid vervullen, worden belast met het toezicht op de toepassing van de ter omzetting van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen.
In Hongarije was die autoriteit tot 31 december 2011 de toezichthouder voor gegevensbescherming. Volgens de Hongaarse regeling die tot die datum gold, werd de toezichthouder voor gegevensbescherming door het Hongaarse parlement gekozen voor een periode van zes jaar. De ambtstermijn van de toezichthouder voor gegevensbescherming die het ambt op 31 december 2011 vervulde, was op 29 september 2008 ingegaan, zodat hij in normale omstandigheden zijn ambt tot september 2014 zou hebben vervuld.
Per 1 januari 2012 is de Hongaarse regeling gewijzigd. Als gevolg daarvan is het ambt van toezichthouder voor gegevensbescherming afgeschaft en werd het mandaat van de sinds 29 september 2008 in functie zijnde toezichthouder voor gegevensbescherming beëindigd. De voor gegevensbescherming bevoegde Hongaarse autoriteit in de zin van de richtlijn werd de nieuw opgerichte Nemzeti Adatvédelmi és Információszabadság Hatóság [nationale autoriteit voor gegevensbescherming en vrijheid van informatie; hierna: „autoriteit”]. Volgens de nieuwe regeling wordt de voorzitter van die autoriteit op voordracht van de premier door de president van de Republiek benoemd voor een ambtstermijn van negen jaar. De voormalige toezichthouder voor gegevensbescherming werd niet in deze functie aangesteld.
Volgens de Commissie schendt de voortijdige beëindiging van het mandaat van de autoriteit voor gegevensbescherming de door de richtlijn voorgeschreven onafhankelijkheid van deze autoriteit. In de richtlijn is de duur van de ambtstermijn van de toezichthoudende autoriteit niet vastgesteld, zodat de lidstaten in beginsel vrij zijn om deze duur vast te stellen. De ambtstermijn moet wel een redelijke duur hebben, en een lidstaat dient, zodra hij de duur van de ambtstermijn heeft vastgesteld, zich daaraan te houden. Anders bestaat het gevaar dat de toezichthoudende autoriteit bij de vervulling van haar functie wordt beïnvloed door het risico van een voortijdige beëindiging van het mandaat, wat haar onafhankelijkheid kan schaden.
Wat de ontvankelijkheid van het verzoek betreft, stelt de Commissie dat, aangezien de voormalige autoriteit voor gegevensbescherming niet in haar ambt is hersteld vóór het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, er bij het verstrijken daarvan nog steeds sprake was van niet-nakoming. Zij meent dat nakoming niet onmogelijk is: Hongarije moet de nodige maatregelen nemen om de voormalige toezichthouder voor gegevensbescherming in het in de richtlijn bedoelde ambt te herstellen voor het na 31 december 2011 resterende deel van zijn ambtstermijn. Voor de Commissie zou het volstaan dat de voormalige toezichthouder voor gegevensbescherming voor het genoemde tijdvak wordt benoemd tot voorzitter van de nieuwe autoriteit. Hongarije kan zich niet beroepen op de onafhankelijkheid van de huidige voorzitter van de nieuwe autoriteit, want dat zou betekenen dat Hongarije de eigen niet-nakoming als verweer aanvoert. De gevolgen van de niet-nakoming mogen niet worden gehandhaafd, maar moeten ongedaan worden gemaakt.
Volgens de Commissie kan een beëindiging van het mandaat alleen worden gerechtvaardigd door dwingende en objectief toetsbare redenen, maar Hongarije heeft dergelijke redenen niet aangevoerd.
De Commissie betwist niet dat Hongarije het recht heeft om de toezichthoudende autoriteit te reorganiseren en om bijvoorbeeld van het oude systeem met een „toezichthouder voor gegevensbescherming” over te gaan naar een naar Hongaars recht geldend systeem met een „autoriteit”. Voor de hervorming van het institutionele systeem was echter geenszins vereist dat het mandaat van de voormalige toezichthoudende autoriteit voortijdig werd beëindigd. Hongarije had in zijn nationale recht kunnen bepalen dat het nieuwe systeem pas in werking zou treden na het verstrijken van de ambtstermijn van de toezichthouder voor gegevensbescherming, of dat de voormalige toezichthouder voor gegevensbescherming voor de resterende duur van zijn ambtstermijn zou worden aangesteld als de eerste voorzitter van de nieuwe autoriteit.
Mocht het argument van de lidstaat met betrekking tot de bevoegdheid tot verandering van systeem worden aanvaard, dan zouden alle met gegevensbescherming belaste autoriteiten in de Unie volgens de Commissie steeds het risico lopen om uit hun ambt te worden ontzet door middel van een wettelijke maatregel waarbij de bestaande autoriteit wordt afgeschaft en in plaats daarvan een nieuwe autoriteit in het leven wordt geroepen om de in de richtlijn vermelde functies te vervullen. Het valt niet uit te sluiten dat dergelijke hervormingen worden gebruikt om met gegevensbescherming belaste autoriteiten die uit de gratie zouden raken bij de politieke gezagsdragers, te controleren en te bestraffen. Dat gevaar is per definitie in strijd met de volledige onafhankelijkheid van toezichthoudende autoriteiten.
Voorts meent de Commissie dat Hongarije zich niet op een aantal in de media verschenen vage verklaringen van de voormalige toezichthouder voor gegevensbescherming kan beroepen om te betogen dat deze toezichthouder niet langer de in artikel 28 van de richtlijn genoemde taken wilde vervullen, en evenmin om op grond daarvan voortijdig een einde te maken aan zijn mandaat.
(1) PB L 281, blz. 31; hierna: „richtlijn”.
Full & Egal Universal Law Academy