22.9.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 287/28
Hogere voorziening ingesteld op 27 juli 2012 door Harald Wohlfahrt tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 16 mei 2012 in zaak T-580/10, Harald Wohlfahrt/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-357/12 P)
2012/C 287/55
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Harald Wohlfahrt (vertegenwoordigers: M. Loschelder, Rechtsanwalt, V. Schoene, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: „BHIM”), Ferrero SpA
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 16 mei 2012 in zaak T-580/10 vernietigen en de door rekwirant bij het Gerecht ingediende vorderingen, zoals weergegeven op bladzijde 4 van het arrest, toewijzen;
—
het BHIM verwijzen in de noodzakelijke kosten van rekwirant.
Middelen en voornaamste argumenten
Het BHIM en het Gerecht hebben inschrijving van het door verzoeker en huidige rekwirant aangevraagde merk „Kindertraum” voor waren van de klassen 16 en 28 geweigerd omdat interveniënte aan de zijde van verweerder, houdster van een ouder, onder meer voor waren van deze klassen ingeschreven Italiaans woordmerk „kinder”, oppositie had ingesteld.
Rekwirant voert drie middelen aan:
Eerste middel: schending van artikel 42, lid 2, van verordening nr. 207/2009 (1)
Het Gerecht oordeelt dat het niet relevant is of het oppositiemerk, dat op het tijdstip van de oppositiebeslissing reeds acht jaar was ingeschreven, wordt gebruikt. Overeenkomstig artikel 42, lid 3, juncto artikel 42, lid 2, van verordening nr. 207/2009 moet het gebruik van het oppositiemerk slechts worden bewezen wanneer dit op het tijdstip van de publicatie van de gemeenschapsmerkaanvraag reeds vijf jaar was ingeschreven. Rekwirant ziet in deze opvatting een tegenstrijdigheid met het doel van de gebruiksverplichting, die moet verzekeren dat na een respijtperiode van vijf jaar geen rechten kunnen worden gebaseerd op een ongebruikt ouder merk. Anders dan het Gerecht oordeelt, moet de in artikel 42 van verordening nr. 207/2009 vervatte lacune in de regeling door een teleologische uitlegging worden weggenomen, door het te interpreteren in de zin van bepalingen uit het Duitse of Italiaanse merkenrecht. Ook voor artikel 42 van verordening nr. 207/2009 is dan de gebruikssituatie op het tijdstip waarop de oppositieprocedure wordt afgesloten, relevant.
Tweede middel: schending van artikel 75, eerste zin, van verordening nr. 207/2009, op rechtsmisbruik gebaseerde aanvraag voor het oppositiemerk
De kamer van beroep heeft zich niet uitgesproken over rekwirants bezwaar dat de aanvraag voor het Italiaanse oppositiemerk op rechtsmisbruik was gebaseerd. Rekwirant verwijt het Gerecht het bezwaar inzake rechtsmisbruik ten onrechte niet te hebben aanvaard. Het bezwaar inzake rechtsmisbruik maakt deel uit van het gemeenschapsrecht en dus van het gemeenschapsmerkenrecht. Het moet in het onderhavige geval toepassing vinden omdat de wijze waarop opposante de aanvraagprocedure gebruikt, ertoe strekt door middel van ongebruikte merken het gebruik van het woord „kinder” zo veel mogelijk te verhinderen, zonder dat het daartoe vereiste economisch beschermenswaardig belang bestaat.
Derde middel: onjuiste toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009
Het Gerecht heeft ten onrechte geconcludeerd tot verwarringsgevaar van het oppositiemerk van interveniënte met het aangevraagde merk. Het Gerecht heeft om te beginnen rekwirants betoog onjuist geanalyseerd en is ten onrechte ervan uitgegaan dat hij de vaststelling van de kamer van beroep dat de conflicterende merken overeenstemmen, niet heeft betwist. Hij heeft dit echter wel gedaan. De merken stemmen niet overeen aangezien het bestanddeel „kinder” van het oppositiemerk hooguit een zwak onderscheidend vermogen heeft.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy