22.9.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 287/29
Hogere voorziening ingesteld op 31 juli 2012 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 22 mei 2012 in zaak T-344/08, EnBW Energie Baden-Württemberg AG/Europese Commissie
(Zaak C-365/12 P)
2012/C 287/56
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Smulders, P. Costa de Oliveira en A. Antoniadis, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: EnBW Energie Baden-Württemberg AG, Koninkrijk Zweden, Siemens AG, ABB Ltd
Conclusies
1)
Punt 1 van het dictum van het arrest van het Gerecht van 22 mei 2012 in zaak T-344/08 vernietigen;
2)
het beroep in zaak T-344/08 verwerpen;
3)
de geïntimeerde in hogere voorziening en verzoeker in eerste aanleg zowel in de kosten van de procedure in hogere voorziening als in de kosten van de procedure in eerste aanleg verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Het Gerecht is voorbijgegaan aan de noodzaak van een harmonieuze uitlegging van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie („transparantieverordening”) (1), zoals die is neergelegd in de richtinggevende arresten Commissie/Technische Glaswerke Ilmenau (2), Zweden/API en Commissie (3) en Commissie/Bavarian Lager (4) en onlangs is bevestigd in de arresten Commissie/Agrofert Holding (5) en Commissie/Éditions Odile Jacob (6), en heeft daarentegen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voorrang te verlenen aan het recht van toegang op grond van de transparantieverordening. De door het Gerecht gegeven uitlegging van het recht van toegang op grond van de transparantieverordening en van de toepasselijke uitzonderingsbepalingen ondergraaft het in het mededingingsrecht bestaande stelsel van inzagerecht en de daarin voorziene belangenafweging, namelijk de afweging tussen enerzijds het belang van de Commissie bij een efficiënte vervulling van de haar in artikel 108 VWEU toegewezen opdracht en anderzijds het belang van de ondernemingen bij een daadwerkelijke bescherming van de gegevens die zij in het kader van een kartelprocedure verstrekken.
Het Gerecht heeft ten onrechte geweigerd om het algemene vermoeden van beschermingswaardigheid van de documenten van de administratieve procedure, dat in het bijzonder is neergelegd in het arrest Commissie/Technische Glaswerke Ilmenau en is bevestigd in het arrest Commissie/Éditions Odile Jacob, toe te passen op de onderhavige zaak. Het Gerecht is er aldus aan voorbijgegaan dat een dergelijk algemeen vermoeden wordt gerechtvaardigd door het in het mededingingsrecht bestaande stelsel van inzagerecht maar ook door de in het mededingingsrecht geldende beperking op het gebruik van documenten die tijdens het onderzoek zijn verkregen.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de uitzonderingsbepaling ter bescherming van het doel van onderzoeken van artikel 4, lid 2, derde streepje, van de transparantieverordening. Het heeft de werkingssfeer van deze uitzonderingsbepaling ten onrechte beperkt tot de afsluiting van concrete onderzoeksprocedures. Het is eraan voorbij gegaan dat het doel van de onderzoeken niet enkel de doeltreffendheid van afzonderlijke onderzoeksprocedures omvat (en dat in ieder geval tot de beslissing tot afsluiting van de afzonderlijke procedure definitief is geworden), maar daarenboven vooral de doeltreffendheid van de handhavingsbevoegdheden van de Commissie op het gebied van het mededingingsrecht (met inbegrip van de in de onderhavige zaak toepasselijke rechtstatelijke waarborgen).
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de uitzonderingsbepaling ter bescherming van de commerciële belangen van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van de transparantieverordening. Het heeft ten onrechte de werkingssfeer in wezen beperkt tot de bescherming van zakengeheimen. Het is eraan voorbijgegaan dat ook vertrouwelijke gegevens, die de Commissie uitsluitend heeft verkregen in het kader van een tegen bepaalde ondernemingen gericht onderzoek en die anders niet voor derden toegankelijk zouden zijn, eveneens moeten worden beschermd.
Het Gerecht heeft blijkt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en de toepassing van de uitzonderingsbepaling ter bescherming van het besluitvormingsproces van de Commissie van artikel 4, lid 3, tweede zinsdeel, van de transparantieverordening. Het is eraan voorbijgegaan dat de Commissie bevoegd is, de toegang tot interne documenten met standpunten bedoeld voor intern gebruik in het kader van beraadslagingen en voorbereidende gesprekken te weigeren omdat openbaarmaking ervan de beoordelingsruimte van de Commissie kan beperken in het geval dat de procedure wordt hervat. Bij de vaststelling dat de Commissie de toegang tot interne documenten niet had mogen weigeren is het Gerecht ook eraan voorbijgegaan dat de uitzonderingsbepalingen van artikel 4 van de transparantieverordening en het door het Hof van Justitie erkende vermoeden van beschermingswaardigheid in ieder geval ook gelden voor interne documenten.
(1) PB L 145, blz. 43.
(2) Arrest van 29 juni 2010, C-139/07 P, Jurispr. blz. I-5885.
(3) Arrest van 21 september 2010, C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P, Jurispr. blz. I-8533.
(4) Arrest van 29 juni 2010, C-28/08 P, blz. I-6055.
(5) Arrest van 28 juni 2012, C-477/10 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
(6) Arrest van 28 juni 2012, C-404/10 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
Full & Egal Universal Law Academy