8.12.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 379/13
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 27 augustus 2012 — A.M. van der Ham, A.H. van der Ham-Reijersen van Buuren, andere partij: College van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland
(Zaak C-396/12)
2012/C 379/21
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers: A.M. van der Ham, A.H. van der Ham-Reijersen van Buuren
Andere partij: College van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland
Prejudiciële vragen
1)
Hoe dient de term „opzettelijke niet-naleving” in artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) 1698/2005 (1) van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) […], zoals gewijzigd door Verordening 74/2009 (2) van de Raad van 19 januari 2009, artikel 23 van Verordening (EG) 1975/2006 (3) van de Commissie van 7 december 2006, houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening 1698/2005 […], en artikel 67, eerste lid, van Verordening (EG) 796/2004 (4) van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers […], te worden verstaan; is om dat aan te nemen voldoende dat langdurig bestendig beleid niet wordt nageleefd, als beschreven in artikel 8, tweede lid, onder c, van de nationale Beleidsregels normenkader randvoorwaarden Gemeenschappelijk Landbouwbeleid?
2)
Staat het Unierecht er aan in de weg dat in de lidstaat wordt geoordeeld dat een regeling „opzettelijk” niet wordt nageleefd, als bedoeld in die verordeningen, reeds omdat zich een of meer van de volgende omstandigheden heeft voorgedaan:
a)
in de desbetreffende niet-nageleefde randvoorwaarde reeds opzet wordt aangenomen;
b)
de desbetreffende randvoorwaarde complex is;
c)
er langdurig bestendig beleid is;
d)
er een actieve handeling dan wel bewust nalaten van een handeling, is;
e)
de landbouwer reeds eerder op de hoogte is gesteld van onvolkomenheden in de naleving ten aanzien van de betreffende randvoorwaarde en
f)
de mate waarin de randvoorwaarde niet wordt nageleefd daartoe aanleiding geeft?
3)
Kan de begunstigde van de subsidie „opzet” van de „niet-naleving” worden aangerekend, indien een derde de werkzaamheden in opdracht van de begunstigde uitvoert?
(1) PB L 277, blz. 1.
(2) PB L 30, blz. 100.
(3) PB L 368, blz. 74.
(4) PB L 141, blz. 18.
Full & Egal Universal Law Academy