27.10.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 331/14
Hogere voorziening ingesteld op 28 augustus 2012 door Transports Schiocchet — Excursions tegen de beschikking van het Gerecht (Zevende kamer) van 18 juni 2012 in zaak T-203/11, Schiocchet/Raad en Commissie
(Zaak C-397/12 P)
2012/C 331/22
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Transports Schiocchet — Excursions (vertegenwoordiger: E Deshoulières, avocaat)
Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie, Europese Commissie
Conclusies
—
de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 18 juni 2012 houdende niet-ontvankelijkverklaring in zaak T-203/11 volledig te vernietigen;
—
rekwirantes vorderingen in eerste aanleg toe te wijzen en bijgevolg:
—
de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie hoofdelijk te veroordelen tot schadeloosstelling van SARL Transport Schiocchet — Excursions voor een bedrag van 8 372 483 EUR;
—
te verklaren dat over het uit te keren bedrag wettelijke rente verschuldigd is vanaf de betekening van de schadevordering aan de Europese Commissie;
—
de Raad van de Europese Unie en de Europese Comissie krachtens artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie in de kosten van rekwirante te verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert vier middelen aan tegen de beschikking van het Gerecht waarbij haar vordering tot vergoeding van de beweerdelijk geleden schade kennelijk rechtens ongegrond is verklaard.
In de eerste plaats verwijt rekwirante het Gerecht, zich te hebben uitgesproken over de ernst van het onrechtmatige gedrag van de organen van de Unie, ofschoon de loutere schending van een hogere norm door een instelling van de Unie reeds een onrechtmatig handelen van een instelling van de Unie oplevert en het Gerecht zich bij het onderzoek van de gegrondheid van het verzoekschrift enkel kan uitspreken over de vraag of kennelijk geen sprake is van onrechtmatig handelen en niet over de ernst van het onrechtmatig handelen.
In de tweede plaats betoogt rekwirante dat het Gerecht niet al haar argumenten heeft beantwoord. Inzonderheid heeft het het Gerecht geen gevolgen getrokken uit het feit dat verordening nr. 684/92 (1) geen sancties oplegt aan lidstaten die de vergunningprocedure waarin zij voorziet niet in acht nemen.
In de derde plaats komt rekwirante op tegen het oordeel van het Gerecht dat haar recht op daadwerkelijke toegang tot de rechter in het kader van het bij verordening nr. 684/92 ingevoerde stelsel is gewaarborgd.
Tot slot verwijt rekwirante het Gerecht, in zijn beschikking niet te hebben vastgesteld dat de Commissie aansprakelijk is wegens onrechtmatig nalaten. De Commissie heeft het in verordening nr. 684/92 bedoelde verslag over de toepassing van deze laatste niet ingediend en in strijd met artikel 95 VWEU de situatie van de marktdeelnemers niet in de beschouwing betrokken.
(1) Verordening (EEG) nr. 684/92 van de Raad van 16 maart 1992 houdende gemeenschappelijke regels voor het internationaal vervoer van personen met touringcars en met autobussen (PB L 74, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy