1.12.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 373/2
Hogere voorziening ingesteld op 13 september 2012 door het Koninkrijk Denemarken tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 3 juli 2012 in zaak T-212/09, Koninkrijk Denemarken/Europese Commissie
(Zaak C-417/12 P)
2012/C 373/02
Procestaal: Deens
Partijen
Rekwirant: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: V. Pasternak Jørgensen, gemachtigde, P. Biering en J. Pinborg, advokater)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Primair
1)
het arrest van het Gerecht volledig of gedeeltelijk vernietigen;
2)
het door rekwirante voor het Gerecht gevorderde toewijzen.
Subsidiair
3)
de zaak verwijzen naar het Gerecht voor een nieuw onderzoek en een nieuwe uitspraak.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
Het arrest van het Gerecht betrof het onderzoek van de beschikking van de Commissie van 19 maart 2009 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, en voor het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) hebben verricht, voor zover zij de onttrekking aan communautaire financiering van door Denemarken aangemelde uitgaven van ongeveer 749 miljoen DKK betreft.
2)
In de eerste plaats geeft het onderzoek van het Gerecht of de Deense controle per teledetectie voldoende doeltreffend was, volgens de Deense regering blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Gerecht ervan uitging dat de doeltreffendheid van de controle per teledetectie kon worden beoordeeld door vergelijking met GPS-controles onder leiding van vertegenwoordigers van de Commissie in het kader van een inspectie in Denemarken.
3)
In de tweede plaats is de uitlegging door het Gerecht van de relevante regeling volgens de Deense regering op verschillende punten onjuist, waaronder inzake de vraag of een beschikking van de Commissie kan worden gehandhaafd, ook al berust zij op een onjuiste uitlegging van een regel die er een wezenlijke grondslag van vormt, namelijk de uitlegging van de in artikel 19, lid 4, eerste zin, van verordening nr. 2316/1999 vereiste verzorging.
4)
In de derde plaats geeft de door het Gerecht op de Commissie respectievelijk de lidstaten toegepaste bewijslast en bewijsnorm blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Gerecht oordeelt dat de Commissie die de inspectie na het einde van de braakleggingsperiode verrichtte, heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast door haar beschikking te baseren op het vermoeden dat de vastgestelde feiten ook golden tijdens de braakleggingsperiode, en oordeelt dat Denemarken in het kader van de op hem rustende bewijslast in een EOGFL-zaak het bewijs moet leveren inzake alle op zijn grondgebied braak gelegde percelen en niet alleen over de door de Commissie gecontroleerde percelen. Zo voerde het Gerecht voor de lidstaten een nieuwe en algemeen gestelde bewijsregel in die afwijkt van de tot dusver door het Hof gevolgde praktijk en de lidstaten een bewijslast oplegt waaraan zij in de praktijk niet kunnen voldoen.
5)
In de vierde plaats beoordeelde het Gerecht inzake de vraag van de toepassing van financiële correcties niet of was voldaan aan de relevante voorwaarden, in het bijzonder of uitdrukkelijke Unierechtelijke bepalingen waren nageleefd, hetgeen Denemarken voor het Gerecht uitdrukkelijk had betwist.
6)
In de vijfde plaats stelde het Gerecht in zijn arrest zijn eigen motivering in de plaats van die van de Commissie in de beschikking. De motivering van het Gerecht tot handhaving van de beschikking was dus gebaseerd op andere — kwantitatieve en kwalitatieve — volledig irrelevante omstandigheden dan die waaraan de Commissie in haar beschikking doorslaggevend belang had gehecht. Volgens Denemarken zijn de gevolgen van het arrest van het Gerecht in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
7)
Ten slotte en in de zesde plaats sprak het Gerecht zich niet uit over een aantal belangrijke middelen en bewijselementen van de Deense regering en verdraaide het op verschillende punten het betoog van de regering en de feiten zodat de motivering en het dictum van het arrest berusten op een onjuiste feitelijke en juridische grondslag.
Full & Egal Universal Law Academy