8.12.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 379/16
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht München (Duitsland) op 2 oktober 2012 — Irmengard Weber/Mechthilde Weber
(Zaak C-438/12)
2012/C 379/28
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht München
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Irmengard Weber
Verwerende partij: Mechthilde Weber
Prejudiciële vragen
1)
Ziet artikel 27 van verordening (EG) nr. 44/2001 (1) (hierna: „verordening nr. 44/2001”) ook op gevallen waarbij twee partijen in het ene geding als verweerders terechtstaan omdat een derde een rechtsvordering tegen hen heeft ingesteld, en zij in het andere geding tegenover elkaar staan als verzoekende en verwerende partij? Betreft een dergelijk geval een geschil „tussen dezelfde partijen” of moeten de verschillende rechtsvorderingen die de verzoeker in het ene geding tegen beide verweerders heeft ingesteld, afzonderlijk worden onderzocht, zodat niet kan worden uitgegaan van een geschil „tussen dezelfde partijen”?
2)
Gaat het om rechtsvorderingen die „hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten” als bedoeld in artikel 27 van verordening nr. 44/2001 wanneer de middelen van het beroep en ter onderbouwing ervan aangevoerde argumenten in beide procedures weliswaar verschillen, maar
a)
voor de afdoening van beide vorderingen eerst eenzelfde voorafgaande vraag moet worden beantwoord, of
b)
in het ene geding subsidiair wordt verzocht om vaststelling van een rechtsverhouding die in het andere geding een rol speelt als een voorafgaande vraag?
3)
Vormt de rechtsvordering die ertoe strekt te doen vaststellen dat de verweerder zijn — naar Duits recht vaststaand — voorkooprecht op een in Duitsland gelegen perceel grond niet daadwerkelijk heeft uitgeoefend, een rechtsvordering met betrekking tot een zakelijk recht op een onroerend goed als bedoeld in artikel 22, lid 1, van verordening nr. 44/2001?
4)
Moet het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht in het kader van zijn uitspraak overeenkomstig artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 — en dus nog voordat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht op de bevoegdheidsvraag heeft beslist — nagaan of het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht onbevoegd is volgens artikel 22, lid 1, van verordening nr. 44/2001, aangezien die onbevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht volgens artikel 35, lid 1, van verordening nr. 44/2001 tot gevolg kan hebben dat een eventuele beslissing van dit gerecht niet wordt erkend? Geldt artikel 27, lid 1, van de verordening nr. 44/2001 niet voor het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, wanneer het tot de conclusie komt dat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht onbevoegd is volgens artikel 22, lid 1, van deze verordening?
5)
Moet het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht in het kader van zijn uitspraak overeenkomstig artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 — en dus nog voordat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht op de bevoegdheidsvraag heeft beslist — het door de ene partij gemaakte verwijt onderzoeken dat de andere partij rechtsmisbruik heeft gepleegd door beroep in te stellen bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht? Kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, besluiten artikel 27, lid 1, van verordening nr. 44/2001 niet toe te passen, wanneer het tot de conclusie komt dat de andere partij rechtsmisbruik heeft gepleegd door een rechtsvordering in te stellen bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht?
6)
Is voor toepassing van artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 vereist dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, eerst vaststelt dat artikel 27 van deze verordening in het betrokken geval niet van toepassing is?
7)
Kan bij de uitoefening van de in artikel 28, lid 1, van verordening nr. 44/2001 bedoelde beoordelingsbevoegdheid,
a)
rekening worden gehouden met het feit dat het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, gevestigd is in een lidstaat waar rechtsgedingen statistisch gezien veel langer duren dan in de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht?
b)
rekening worden gehouden met het feit dat het gerecht waarbij de zaak voor het laatst is aangebracht van oordeel is dat het recht van de lidstaat, waar het gerecht gevestigd is waarbij de zaak het laatst is aangebracht, moet worden toegepast;
c)
de leeftijd van een partij in aanmerking worden genomen;
d)
rekening worden gehouden met de kans van slagen van de rechtsvordering die is ingesteld bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht?
8)
Moet bij de uitlegging en toepassing van de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 44/2001 niet alleen worden getracht onverenigbare of tegenstrijdige beslissingen te vermijden, maar dient ook het recht van de tweede verzoeker op toegang tot de rechter in acht te worden genomen?
(1) Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy